|
Informatie
Bhutan
De eerste bewoners vestigden zich rond het tweede millennium
voor Christus in Bhutan. Het waren nomaden vanuit het noorden
die zich later vermengden met andere bevolkingsgroepen. Deze herders
trokken in de winter met hun vee naar de lager gelegen valleien trokken. In
de zomer trokken ze naar de alpenweiden in hoger gelegen gebieden. De meesten
waren aanhangers van een inheemse natuurgodsdienst die
vooral in Himalaya gebieden voorkwam. Later vestigden hindoe vorsten uit het nabijgelegen India
zich in het ontoegankelijke gebied en oefenden er grote invloed uit. Maar vanaf de zevende eeuw
rukte het boeddhisme op. Deze periode is
omgeven met talrijke volksverhalen die het niet zo nauw nemen met de
werkelijkheid. In veel van deze verhalen komt de persoon van Padmasambhava voor. Naar verluidt
onderwierp hij talrijke oude goden en demonen dankzij bovennatuurlijke gaven. Hij heeft
vermoedelijk echt bestaan en verschillende plaatsen bezocht in Tibet en Bhutan
om er het boeddhisme te verspreiden. De bewoners van Bhutan koesteren hem als
een dierbare leermeester met de eretitel goeroe Rinpoche.
Rond de negende eeuw arriveerden de eerste boeddhistische monniken uit Tibet
in het land.
Zij waren op de vlucht voor het strenge bewind en rivaliserende kloosterorden.
In hun nieuwe land waren zij getuige van de opkomst en neergang van talrijke clanhoofden en edelen die
her en der de macht grepen.
Deze lokale machthebbers voerden afwisselend strijd met vorsten uit Tibet den
vorsten uit India. Daarnaast vochten zij onderling talrijke ruzies uit. In deze duistere Middeleeuwen slaagde
niemand er in om het gehele land bijeen te houden. Geleidelijk vestigden steeds meer monniken uit Tibet zich
vooral in het westen. De meesten van behoorden tot de zogeheten Drukpa Kagyu
sekte. Zij wierpen zich op als charismatische leiders en bliezen het
boeddhistische gedachtegoed nieuw leven in. Een van hen was de monnik Pemalingpa
die rond het
begin van de zestiende eeuw naam maakte. Naar verluidt heeft hij vanwege zijn
bijzondere gaven eeuwenoude geheimen van goeroe Rinpoche onthuld in woord en
beeld.
Overigens bleven in de afgelegen valleien van centraal en oost Bhutan afzonderlijke feodale rijkjes
voortbestaan.
In de zeventiende eeuw verwierf de monnik Ngawang Namgyal groot aanzien als
boeddhistisch leermeester met oog voor het traditionele erfgoed. Dankzij een enorme
krijgsmacht wist hij geheel Bhutan onder controle te krijgen met inbegrip van de centrale en oostelijke gebieden. Hij
werd formeel erkend als shabdrung de hoogste autoriteit in het land en
vaardigde verschillende wetten uit. Hij gaf
opdracht tot de bouw van vele burchten die zowel kloostergebouwen
als bestuurlijke instellingen herbergden. Deze kloosterburchten
vertegenwoordigden een unieke vorm van openbaar bestuur met twee afdelingen. Religieuze
zaken vielen onder de
je khenpo of geestelijk leider. Wereldse zaken zoals het binnenlands bestuur
vielen onder de druk desi of wereldlijk heerser. De eindverantwoordelijkheid
van het openbaar bestuur lag bij de shabdrung die alle belangrijke documenten moest ondertekenen.
De positie van de geestelijk leider was overigens vergelijkbaar met die van de
wereldlijk heerser en soms bekleedde dezelfde persoon beide functies tegelijk.
Zo was de eerste wereldlijk heerser een monnik die penlops of provinciale gouverneurs aanstelde.
Na het overlijden van de eerste shabdrung zocht men een opvolger die gold als zijn
lichamelijke reïncarnatie. Deze
zoektocht nam veel tijd in beslag en bovendien bleek de opvolger vaak een persoon van nog zeer jonge leeftijd. In feite kwam de
macht te liggen bij de druk desi aangezien geen van de opvolgers hetzelfde charisma had als de eerste shabdrung. De daarop
volgende tweehonderd jaren werden gekenmerkt door binnenlandse conflicten en burgeroorlogen. Slechts weinig bestuurders hielden het
langere tijd vol en de meesten van hen werden vermoord of afgezet door hun rivalen.
Aan het geruzie kwam halverwege de achttiende eeuw voorgoed een einde toen verschillende hoofdrolspelers kwamen te
overlijden en het systeem van de lichamelijke reïncarnatie ophield te bestaan.
Nog geen halve eeuw later kwam het land in conflict met de Britse koloniale
overheid die aanspraak maakte op grensgebieden in het noorden van India. Dankzij
bemiddeling van Tibet volgde er een vredesverdrag waarbij de druk desi Britse aanspraken op Indiaas grondgebied erkende.
Het land behield zijn zelfstandigheid en trok zich terug in afzondering.
In het begin van de negentiende eeuw wist de penlop van Trongsa zijn binnenlandse rivalen te
verslaan en breidde hij zijn macht uit over het gehele land. Voor het eerst sinds lange tijd heerste er weer rust en vrede in het
land. Maar halverwege de negentiende eeuw brak opnieuw een oorlog uit met de Britten over het bezit van
een
vruchtbare vlakte in het zuiden van het land. Na enkele gevoelige nederlagen moest de penlop
gedwongen afstand doen
van deze waardevolle landbouwgrond. De grens kwam voortaan te liggen aan de voet van de heuvels langs de vlakte in India. Hoewel er
opnieuw binnenlandse onrust volgde wist de penlop zijn macht te behouden
met steun van de Britten die gebaat waren bij rust aan de noordgrens van hun
koloniale rijk. Enkele jaren later liet hij zich zelfs kronen als
de nieuwe druk desi. Na zijn dood nam zijn zoon de macht over. Die
stelde een
beschermeling aan als de nieuwe druk desi en maakte het ambt tot slechts een ceremoniële functie.
In 1907 liet hij zich na het overlijden van zijn beschermeling kiezen tot de nieuwe leider van
Bhutan met als titel druk gyalpo of drakenkoning. Voortaan was Bhutan een koninkrijk met een eigen koningshuis.
De eerste koning Ugyen Wangchuck wenste vast te houden aan
traditionele normen en waarden die Bhutan een geheel eigen nationale identiteit
gaven en zette moeizaam het eeuwenlange beleid van internationale afzondering
voort. Hij tekende een verdrag met de Britten dat deze zich niet zouden bemoeien met de binnenlandse
aangelegenheden van Bhutan. Voor de buitenlandse betrekkingen liet hij zich leiden door het advies van de Britse regering. Er
kwam echter geen Britse vertegenwoordiger in Bhutan dat op deze wijze erin
slaagde om de buitenlandse bemoeienis te beperken. De tweede koning Jigme
Wangchuck kwam aan de macht tijdens de Grote Depressie van de twintiger jaren in de vorige eeuw. Zijn bewind duurde voort tot na de
Tweede Wereldoorlog. Het land ondervond hiervan geen nadelige gevolgen vanwege zijn isolationisme. Bij de onafhankelijkheid van
India kort na de Tweede Wereldoorlog werd Bhutan erkend als een zelfstandige staat. De Indiase regering beloofde zich niet te
bemoeien met binnenlandse aangelegenheden en trad in de plaats van de Britten als leidsman voor buitenlandse betrekkingen.
Halverwege de vorige eeuw volgde
de derde koning Jigme Dorji Wangchuck zijn overleden vader op. Hij had een westerse opvoeding genoten en zocht aansluiting bij
de rest van de wereld toen de Chinese bezetting van Tibet zijn schaduw wierp over de toekomstige zelfstandigheid van Bhutan.
In een
ambitieus vijfjarenplan trachtte hij het land te moderniseren door middel van de
aanleg van wegen en de bouw van waterkrachtcentrales met steun van buitenlandse investeerders.
Hij maakte het land lid van de Verenigde Naties en knoopte diplomatieke
betrekkingen aan met andere mogendheden. Ondanks de vernieuwingen bleef de koning het belang benadrukken van traditionele normen en waarden. De vierde
koning Jigme Singye Wangchuck trad in de voetsporen van zijn vader en kondigde een plan aan voor grotere economische zelfstandigheid.
Ook zette hij zich in voor de modernisering van het onderwijs en de gezondheidszorg
naast de opzet
van moderne landbouwprojecten en de zorg voor het milieu. Onlangs is hij
opgevolgd door zijn zoon Jigme Khesar Namgyal Wangchuck. Die zet zich in
voor de invoering van een moderne democratische constitutionele monarchie.
Terug naar inhoudsopgave
Cultuur
Veel gebruiken en gewoonten vinden hun oorsprong in het
boeddhisme. Dat leert dat het leven bestaat uit lijden veroorzaakt door aardse lusten en verlangens. De mens staat na
zijn dood een reeks van wedergeboorten te wachten in een wereld van lijdzaam verlangen.
Pas als hij de
verlichting bereikt is de
mens hiervan verlost. Volgens sommigen is dat mogelijk binnen een mensenleven. Door spirituele meditatie
poogt men het nirwana of de verlichting te bereiken. Een belangrijk hulpmiddel hierbij is het
herhalen van
gebeden of mantras met gebruik van bijzondere ademhalingstechnieken en mudras
of lichaamshoudingen en handposities. In het verleden hebben monniken op
deze manier door hun stichtelijk voorbeeld en door hun zelfopoffering de
mensheid nader tot de verlossing gebracht. Men gelooft dat zij na hun dood terugkeren in een andere persoon om de mensheid verder te helpen op haar weg naar de verlichting. Deze
bodhisattvas vereert men met
uitgebreide rituelen en in talrijke symbolen zoals schilderingen op doeken of muren en dansvoorstellingen tijdens jaarlijkse festivals in de kloosters.
De gewone mensen brengen regelmatig een bezoek aan de kloosters waar monniken nauwgezet de teksten
bestuderen van hun leermeesters en leven volgens strenge voorschriften. De
mensen hoeven niet de diepere betekenis van
de teksten en rituelen te begrijpen. Alleen het luisteren naar de eindeloos herhaalde
teksten en het aanwezig zijn bij rituelen of het draaien van gebedswielen is
voor hen voldoende om deugdzaamheid te verkrijgen. Datzelfde
geldt voor het bijwonen van een klooster festival met gebed, zang en dans. Niet
alleen in het klooster maar ook thuis belijden de mensen hun geloof. Bijna ieder huis heeft
een choesham
of kamer met altaar en beeld van een groot leermeester zoals goeroe
Rinpoche. Daar brengt men dagelijks zijn gebeden ten gehore. Daarnaast aanbidt men er verschillende godheden
en brengt men offers om hen gunstig te stemmen. Het boeddhisme in de Himalaya is
namelijk sterk beïnvloed door inheemse natuurgodsdiensten met een sterk
geloof in geesten en demonen. Het is niet ongebruikelijk dat de mensen behalve
het klooster ook een sjamaan bezoeken om in contact te komen met de geestenwereld.
De meeste kloosterburchten en veel kloosters hebben een
jaarlijks
festival. Het grootste en belangrijkste festival is de tsechu en duurt
meerdere dagen. Iedere ochtend vóór zonsopgang ontrolt men tijdens een
bijzondere mis een enorme thangka of doek met een godsdienstige
voorstelling. Wie deze gebeurtenis bijwoont en het enorme
doek aanschouwt wordt verlost van zijn zonden. De gehele dag voert men onder
grote publieke belangstelling een reeks van symbolische dansen op. Die worden
soms onderbroken door een korte pauze met een zang- en dansvoorstelling van een
vrouwenkoor. Het
zijn zowel monniken als leken die de dansen uitvoeren. De dansers beelden naast
boeddhistische helden ook geesten en demonen uit evenals figuren uit de
dierenwereld. Een van de bekendste dansen
is de zwarte hoeden dans waarbij de dansers zijn gehuld in een gewaad van brokaat, een zwarte hoed met
brede rand en een zwarte schort met een afbeelding van hun beschermheilige. Ze
symboliseren de strijd van het boeddhistisch geloof tegen het kwaad. In een
andere versie slaan ze op trommels om de
overwinning te vieren van hun godsdienst en de nederlaag van hun vijanden.
De toeschouwers tijdens een festival ontlenen aan de
getoonde cham of dansen verscheidene zegeningen. Ze bekwamen hen niet
alleen in de boeddhistische leer, maar beschermen hen ook tegen ongeluk en
verdrijven kwade invloeden. Tijdens het festival doen atsaras of gemaskerde
clowns de dansers na en maken ze gekke bewegingen. Ze vermaken niet alleen de
toeschouwers, ze zien ook toe op een ordelijk verloop van het festival.
Daarnaast verzamelen ze geld en goederen als bijdrage voor
het festival. Wie geld geeft kan rekenen op een extra zegening met de fallus die de
clowns dragen om kwade geesten af te weren. De autoriteiten gebruiken het
festival tevens om aandacht te schenken aan belangrijke onderwerpen zoals de
bestrijding van ziekten en het belang van een goede gezondheidszorg. Het
festival is daarom vooral een sociaal gebeuren
waar de mensen elkaar ontmoeten en plezier hebben. Voor de gelegenheid trekken
ze hun mooiste kleren aan en dragen ze de duurste sieraden. Wie dat zelf niet
heeft huurt voor de gelegenheid nette kleding om er vooral toch bij te kunnen
horen. Tijdens het festival is er vaak buiten het klooster een markt of
kermis.
Een speciale functionaris bij de ingang van de kloosterburcht ziet er
op toe dat men zich tijdens het festival aan het kledingprotocol houdt. Bij het betreden van een
kloosterburcht moeten de mannen gekleed zijn in traditionele klederdracht en een ruimvallende kabney of
fijn geweven zijden omslagdoek dragen. De kleur van de omslagdoek is afhankelijk van hun status. Gewone mensen dragen een witte omslagdoek
en ambtenaren dragen een witte omslagdoek met rode strepen of met blauwe strepen. Sinds kort dragen rechters een groene omslagdoek.
Hoge ambtenaren en leden van de koninklijke familie dragen een rode omslagdoek. Leden van de koninklijke adviesraad dragen een
blauwe omslagdoek. Oranje is voor de ministers en alleen de koning mag een saffraankleurige omslagdoek dragen. Tijdens het bezoek
van een kloosterburcht dragen de vrouwen naast traditionele kleding een smalle rachu of linnen sjerp over hun linkerschouder op dezelfde wijze als de
mannen een kabney dragen. Het is niet toegestaan om tijdens het
bezoek aan een kloosterburcht het hoofd te bedekken.
Vrouwen ontwerpen en vervaardigen doorgaans zelf de
traditionele kleding die de gezinsleden dragen tijdens het festival. De mannen doen vooral het naai- en
borduurwerk. De traditionele kleding van de mannen is een kho of jas die tot de knieën reikt
en asymmetrisch is gesloten met een kera of gordel. De jas valt ruim over de gordel en dient als buidel voor allerlei zaken
zoals een beurs en een dozum of mes. Onder deze kho draagt men een lange of korte broek afhankelijk van de
seizoenstemperatuur. Lange sokken met een Schots ruitjesmotief zijn buitengewoon populair. Vrouwen dragen meestal een kira
of overgooier die aan de hals door twee koma of ronde gespen bijeen wordt
gehouden. Deze overgooier is doorgaans een lange rechthoekige lap stof tot op de
enkels met geometrische motieven of boeddhistische symbolen. Per streek
wisselt de kleur en fijnheid. In de koudere gebieden draagt men vaak wollen
kleding. In het oosten draagt men meer zijden kleiding vanwege de gematigde temperatuur. In het tropische zuiden draagt men vooral katoenen kleding. Onder de
kira dragen zij een wonju of zijden blouse. Hier overheen dragen zij een toego of een kort open jasje.
Terug naar inhoudsopgave
Architectuur
In ieder district bepalen indrukwekkende dzongs of kloosterburchten het
beeld van de omgeving. Ze liggen meestal op de top van een heuvel en kijken uit over een
brede riviervallei met soms een stad in de onmiddellijke nabijheid. Een
uitkijktoren staat soms apart van de overige gebouwen. De naar binnen
hellende muren van de kloosterburcht zijn gemaakt van steen of leem en hebben doorgaans maar een smalle
ingang om een vijandelijke bestorming te voorkomen.
Ze hebben twee dochey of binnenpleinen die zijn
geplaveid met grote steenplaten. Het eerste binnenplein is omringd met een
galerij waarachter de overheidskantoren liggen langs de buitenmuur. Rondom
het tweede binnenplein ligt de rabdey of het kloosterdeel met de verblijven van de monniken.
De meeste gebouwen hebben twee verdiepingen en zijn versierd met kleurig houtsnijwerk. Midden in de
kloosterburcht bevindt zich de utse
een hoog gebouw met tempels en kapellen op meerdere verdiepingen. Volgens oud
gebruik worden er geen bouwtekeningen gemaakt en worden er geen schroeven of
spijkers gebruikt bij de bouw. De daken worden bedekt met traditionele houten dakspanen.
Het land heeft een groot aantal goembas of kloosters en
lhakhangs of tempels. De
kloosters zijn meestal op afgelegen plaatsen gebouwd waar de monniken rust en afzondering
hebben om te kunnen mediteren. Men vindt ze vooral op steile rotsen en
heuvels. Sommige zijn gebouwd bij een grot die door vroegere leermeesters werd gebruikt voor
meditatie. De kloosters zijn gesloten gemeenschappen rondom een tempel met daaromheen de slaapvertrekken.
De tempel bevindt zich in het
midden van een dochey of binnenplein. Dat wordt tijdens festivals
gebruikt om dansen op te voeren. Op alle kloosters en tempels in Bhutan - ook in
het geval van de kloosterburchten - is vlak onder het dak een khemar of brede
roodbruine band geschilderd met daarin ronde koperen platen of spiegels die de zon of nima
voorstellen. De gouden herten boven een klooster symboliseren het park waar
Boeddha voor het eerst zijn leer verkondigde. De meeste tempels hebben
een serto of een vergulde cilinder op het dak. Rond
de buitenmuur zijn gebedswielen opgesteld die de monniken en andere gelovigen
laten draaien als zij een ronde om het gebouw lopen.
De chorten is van oorsprong een symbolische
voorstelling van de elementen. De basis van het bouwwerk stelt de aarde voor en
het middengedeelte symboliseert het water. De bovenkant verbeeldt het
vuur terwijl symbolen van maan en zon de
lucht voorstellen. Een verticale piek stelt het heilige licht van Boeddha voor.
Binnenin vormt een houten paal met versieringen het kloppend hart van het
bouwwerk. Dat bevat doorgaans een religieuze relikwie zoals een heilig beeld
waarvoor brengt men offers brengt. In Bhutan komen drie soorten voor met ieder hun eigen
kenmerken. De Nepalese versie heeft een ronde vorm met ogen op iedere zijde van de
bovenkant. Ze stellen de alziende ogen van Boeddha voor. De Tibetaanse versie heeft
weliswaar een ronde vorm maar de rondingen wijken naar boven toe
buitenwaarts in plaats van binnenwaarts. De Bhutanese versie heeft de
vorm van een vierkanten pilaar met een khemar of roodbruine band aan de
bovenkant. Een gelijksoortig bouwwerk is de mani chukor. Dat is een holle
Bhutanese versie met daarin een gebedswiel die soms vanzelf door de kracht van een
langs stromende beek wordt rondgedraaid.
De meeste huizen hebben twee verdiepingen. Een stenen
fundering reikt tot een halve meter boven de grond. De muren daarboven zijn
gemaakt van leem of van steen.
Buiten de steden is de beneden verdieping in gebruik als veeschuur en de
bovenverdieping is het woonverblijf. Een
zolder dient voor de opslag van hooi en het drogen van dierenhuiden of pepertjes.
Het dak is bedekt met houten dakspanen. De
voorkant van de woonruimte op de bovenste verdieping heeft houten ramen die aan
de bovenkant de vorm hebben van een klaverblad. Het houten gedeelte van de
woonruimte
steekt uit boven de lemen of stenen muur als een soort erker. Het hout is beschilderd met
hakenkruizen, bloemen, wolkenkrullen en andere
symbolen. De muren zijn beschilderd met mythische dieren of
een grote rode fallus om kwade geesten af te weren. De ramen op de
benedenverdieping zijn klein in tegenstelling tot de ramen op de bovenverdieping
en niet beschilderd met decoraties. Overigens zijn in de oudere huizen de ramen niet van glas maar zijn het
houten schuifpanelen.
Overal staan vlaggen met herhaalde reeksen mantras
of gebeden. Ze hebben vijf kleuren die overeenkomen
met de vijf elementen in de natuur: blauw voor water, groen voor hout, rood voor
vuur, geel voor aarde en wit voor ijzer. Soms zijn het rechthoekige of driehoekige
gebedsvlaggetjes aan een draad die een heilige plaats aangeven. Maar er
zijn ook langgerekte gebedsvlaggen aan een
rechtopstaande paal of mast. Daarvan zijn er vier soorten
met ieder een eigen betekenis. De goendhar zijn kleine witte vlaggen op
het dak van een boeddhistisch huis. De bewoners roepen daarmee de zegen af van
een huisgod die toeziet op hun welzijn. De lungdhar
wapperen in de wind op heuvels of bergranden. De oprichters smeken een
willekeurige beschermgod om voorspoed in het leven, herstel van een ziekte of het verkrijgen van
wijsheid. De manidhar zijn opgericht om een dierbare overledene te
herdenken en te bevrijden van zijn zonden. Ook deze vlaggen staan op
hoge plaatsen die uitkijken over het dal van een rivier. De grootste
vlaggen zijn de lhadhar
en staan in de nabijheid van een heiligdom. Ze symboliseren de overwinning van het goede over het
kwade.
Terug naar inhoudsopgave
Bevolking
Het land telt nog geen zevenhonderdduizend inwoners.
De
meesten van hen zijn boeren en leven ver verwijderd van een nederzetting. Ongeveer een vijfde
deel woont in een dorp of stad. De bevolking kan worden onderverdeeld in drie etnische groepen.
(1) De Sharchop zijn de oorspronkelijke bewoners. Zij leven vooral in het oosten van het land.
Vermoedelijk kwamen zij vanuit het noorden het land binnen. Maar het is niet
duidelijk wanneer zij in Bhutan arriveerden.
(2) De Ngalop zijn afstammelingen van Tibetaanse immigranten die vanaf de negende eeuw in Bhutan arriveerden. Zij
wonen vooral in het westen van het land.
(3) De Lotshampa zijn nakomelingen van Nepalezen die vanaf het einde van de negentiende eeuw in Bhutan arriveerden. Zij
leven vooral in het zuiden van het land.
De eerste twee groepen zijn algemeen bekend als Drokpa en vormen tezamen meer dan de helft van de bevolking. De derde
groep van Lotshampa vormt ruim een kwart van de bevolking. Daarnaast zijn er nog verscheidene
kleinere bevolkingsgroepen waarvan de meeste een eigen taal en gebruiken hebben. Tot deze culturele minderheden behoren de Monpa en de Brokpa.
De Monpa zijn de oudste bewoners van het
land en leven een teruggetrokken bestaan als landbouwers in de afgelegen
berggebieden in het midden van het land. Het is onduidelijk waar ze
oorspronkelijk vandaan komen. Ze spreken een taal die sterk afwijkt van de
andere talen ondanks enige verwantschap. Ze vormen een hechte traditionele
gemeenschap en leiden een eenvoudig bestaan waarmee ze amper in hun eigen
levensonderhoud kunnen voorzien. Ze leven in een groot
gezinsverband en werken samen op de landbouwvelden rond hun dorp.
Ze zijn bedreven in verschillende vormen van huisnijverheid zoals het vlechten van riet en bamboe. Daarvan maken ze gevlochten
wanden, matten en potten. Ze maken ook hun eigen kleding. Vroeger hadden
ze een eigen klederdracht die tegenwoordig niet meer voorkomt. Ze blijken trouwe aanhangers
van de vroegere natuurgodsdiensten. Ze voeren nog steeds animistische rituelen uit die tot voor kort gepaard gingen met
dierenoffers. Tegenwoordig zijn de dierenoffers vervangen door de offerandes van gekookte eieren.
Inmiddels hebben ze ook het boeddhisme omarmd. Sommige dorpen hebben zelfs een
tempel.
Doorgaans is de man het gezinshoofd en neemt hij de beslissingen. In zijn afwezigheid neemt de vrouw deze verantwoordelijkheden over.
De ouders spelen geen rol in de keuze van hun kinderen voor een huwelijkspartner. Bij de geboorte van een
kind is er geen voorkeur voor een jongetje of een meisje. Sommigen hebben lichte voorkeur voor een dochter, want die blijft na het
huwelijk wonen in het huis van haar ouders. Haar echtgenoot trekt in bij zijn schoonouders. In het geval van ziekte zoeken de meeste
Monpa hun toevlucht tot traditionele genezingspraktijken. Ze zijn bijgelovig en rechtlijnig in hun opvattingen. Ze geloven er niet
erg in dat ziekte het gevolg is van een slechte gezondheid of een slechte hygiëne. Ze zijn er meer van overtuigd dat ziekte wordt
veroorzaakt door kwade geesten of een slechte lotsbestemming. Geleidelijk wenden ze zich steeds meer tot moderne
voorzieningen.
Een aantal van hen beschikt inmiddels over waterleidingen voor schoon drinkwater
en overdekte afvoerkanalen voor vuil afvalwater. Dankzij overheidsbemoeienis hebben zij net als
andere bewoners toegang tot gratis medische hulp en gratis onderwijs.
De Brokpa zijn oorspronkelijk afkomstig uit Tibet en
vestigden zich rond de zevende eeuw in het oosten van Bhutan. Daar leiden zij een semi nomadisch
bestaan als veehouders. Zij houden voornamelijk yaks naast andere dieren zoals
paarden en schapen.
In de zomer verhuizen zij met hun vee naar de hoger gelegen gebieden en in de winter trekken zij naar de lager gelegen gebieden.
Daar ruilen ze op de markten hun zuivelproducten zoals kaas en boter voor
voedingsgranen. Ook ruilen ze producten als vlees, wol en leer voor lokale
goederen. In hun omgang met de lokale bewoners kennen zij een unieke handelsrelatie die men drukor
noemt. Bijna alle Brokpa gezinnen hebben een gastgezin in verschillende
dorpen met wie zij goederen ruilen. Met de modernisering heeft echter ook de geldeconomie zijn intrede gedaan en veel Brokpa verkopen
tegenwoordig hun producten. Desalniettemin zijn niet alle Brokpa in staat om op deze manier in hun levensonderhoud te
voorzien. Sommigen verkopen hun vee en storten zich op de landbouw. Daarnaast
beoefenen ze verschillende vormen van huisnijverheid.
Aangezien de regio weinig vlakke gebieden kent bouwen de Brokpa hun
velden als terrassen tegen de berghellingen. de landbouwtechnieken zijn door de eeuwen heen nauwelijks veranderd en het meeste werk
wordt gedaan door de gezinsleden zelf. Zij zijn
vele uren werkzaam op het veld om net voldoende voedsel te produceren voor het hele gezin. Andere werkzaamheden zijn het
spinnen en weven van wol die afkomstig is van enkele schapen die zij bezitten.
Ook vervaardigen zij wollen producten afkomstig van de stugge haren van een yak.
Voorts zijn zij bedreven in werkzaamheden als timmerman of als smid. Zowel mannen als vrouwen hebben een gelijke status en gelijke verantwoordelijkheden in het onderhoud van hun gezin. De mannen zijn de meeste tijd bezig met het hoeden van de veestapel of de verkoop van zuivelproducten. De vrouwen genieten veel
aanzien in de gemeenschap, want zij nemen de besluiten rondom het huwelijk van hun kinderen, zij besluiten wanneer het tijd is om
te verhuizen en zij beheren de financiën. Zij vertegenwoordigen tevens het gezin bij alle publieke optredens
op zowel sociaal als religieus vlak.
De Brokpa vrouwen zijn tijdens de publieke optredens te herkennen aan hun eigengemaakte kleding die duidelijk afwijkt van de klederdracht elders in Bhutan. De kleding van de vrouwen bestaat uit zeven onderdelen.
Ze dragen een roze tuniek van ruwe zijde met
een verticale witte schering zonder kraag of mouwen die reikt van de schouders tot de enkels.
Door middel van een katoenen
ceintuur met roodgele strepen maken ze deze tuniek vast rond het middel.
Daarboven dragen ze een
geborduurd rood jasje met bloemetjespatroon op zowel de voor- als de achterkant.
Onder het jasje dragen ze een kleurige blouse van ruwe zijde met enig borduurwerk.
Aan de achterzijde dragen ze een
rood gekleurd schort van schapenwol vanaf het middel of vanaf de
schouders als bescherming tegen de regen. Ze dragen voorts een rond zwart hoofddeksel
met vijf kwasten om
regendruppels af te voeren. Dit stevige hoofddeksel is gemaakt van stugge yak
haren. Tenslotte dragen ze in de hand een kleine maar uiterst stevige tas. Die
is gemaakt van fijnere yak wol. De
kleur is zwart met een wit motief.
De godsdienst is een belangrijk onderdeel in het leven van de Brokpa. Ze zijn
bijna allemaal boeddhisten en trouwe bezoekers van de festivals in kloosters en
burchten. De meeste gezinnen hebben bovendien een altaartje in hun woning ter
ere van een boeddhistische heilige. Daarnaast blijken ze trouwe aanhangers
van de traditionele natuurgodsdiensten die zij van oudsher belijden. Zo blijkt
vooral Ama Jhomo een van de
belangrijkste goden in het geloof van de Brokpa. Sherphu is een andere lokale godheid
die zij vereren. Zij dragen jaarlijks een mis op
aan deze godin en bidden tot haar om bescherming voor zichzelf en voor hun vee.
Daarnaast bezigen sommigen van hen nog sjamanistische praktijken. Deze sjamanisten geloven in een onzichtbare wereld van
goden en demonen zowel als geesten van voorouders. Zij roepen de hulp in van priesters
of priesteressen die namens hen in contact treden
met de geesten. Deze sjamanen spelen een vooraanstaande rol tijdens
belangrijke gebeurtenissen in het gemeenschapsleven zoals geboorte, dood en huwelijk.
De meeste huwelijken worden van tevoren geregeld door de ouders. Tijdens een bijeenkomst maakt het
jonge stel voor het eerst kennis met elkaar. Daarna raadplegen de ouders van de aanstaande bruidegom een sterrenwichelaar alvorens
een bezoek te brengen aan het ouderlijk huis van de bruid om er een wijnoffer te brengen.
Vervolgens krijgen alle familieleden van de bruid een ceremoniële sjaal aangeboden. Als
de aanstaande bruid het voorgenomen huwelijk weigert bieden haar ouders als
tegen gebaar drank aan. Als de bruid instemt wordt het
huwelijksaanzoek bezegeld met het aanbieden van een sjaal door de bruidegom aan de bruid. Vervolgens wordt een
geschikte datum gekozen voor het huwelijksfeest. De geboorte van een kind viert men uitbundig, want er komt een nieuwe arbeidskracht
bij. Overlijdensrituelen daarentegen verlopen bizar en zijn bovendien erg verschillend binnen de gemeenschap. Doorgaans
bewaart men
het lichaam van een overledene drie tot zes dagen in koud water naargelang het advies van de sterrenwichelaar. Daarna hakt men het in stukken
als voedsel voor de gieren of men begraaft het lichaam.
Terug naar inhoudsopgave
Paro

Paro ligt in het westen van Bhutan midden in
een dal aan de oevers van de Paro rivier. De stad telt ongeveer twintigduizend
inwoners. De stad heeft een rijk verleden gekenmerkt door een bloeiende
goederenhandel met Tibet in vredestijd en vijandelijke invallen vanuit hetzelfde
land in tijd van oorlog. De stad is vanwege haar gunstige ligging een van de
weinige in heel Bhutan waar van oudsher buitenlandse invloeden zich deden
gelden. Ook tegenwoordig is dat nog het geval dankzij de
aanwezigheid van een internationaal vliegveld. De aanwezigheid van het vliegveld
heeft de bewoners enige welvaart
gebracht. Buitenlandse toeristen geven er hun geld uit aan de eerste
reisherinneringen. Sommige bewoners hebben daarom een mooi versierd en
beschilderd winkeltje aan de hoofdstraat ingericht voor deze uitheemse klanten. Kenmerkend is dat deze winkeltjes geen deur
hebben. De verkoopster kan alleen via een klein trappetje onder aan het
raam de winkel betreden. De belangrijkste bezienswaardigheden zijn een oude kloosterburcht
aan de rand van de
stad en een even oud voormalig klooster in de omgeving.
De Rinpung Dzong is in 1645 gebouwd
op een berg waar eerder een klooster had gestaan.
Een overdekte houten brug aan de voet van de berg leidt naar de kloosterburcht.
Vroeger werd de brug in tijden van gevaar weggehaald om een vijandelijke bestorming te voorkomen.
De ingang van de kloosterburcht bevindt zich aan de achterkant. De centrale toren
is vijf verdiepingen hoog. Omdat de kloosterburcht tegen een berg is gebouwd ligt het
bestuurlijke gedeelte enkele meters hoger dan het kloostergedeelte. Bij het
klooster horen twee tempels op de bovenste verdieping van de centrale toren. Daarnaast is er nog een kleine
tempel die wordt gebruikt voor de
dagelijkse rituelen. Het klooster heeft verder nog een refter of kunre waar de
monniken hun gezamenlijke maaltijd gebruiken en een grote dukhang of vergaderzaal. Op de berg hoog boven de
kloosterburcht
staat een uitkijktoren die tegenwoordig in gebruik is als
nationaal museum. De kloosterburcht
overleefde een aardbeving aan het einde van de negentiende eeuw. In het begin
van de twintigste eeuw is het complex getroffen door een brand. Daarna
werden de gebouwen in oorspronkelijke staat hersteld.
In de omgeving van Paro ligt de eeuwenoude Taktshang Goemba
hoog op een steile bergwand. Dit voormalige klooster is een van de oudste en heiligste in het land.
Het ligt op een hoogte van ruim drieduizend meter ver afgezonderd van de
bewoonde wereld. Men hoort er slechts het geluid van
de wind en het water. Het was vroeger een uitstekende plek om er te mediteren. Volgens de overlevering landde
goeroe Rinpoche op deze plaats vliegend op de rug van een tijger vanuit Tibet.
Naar verluidt zou hij er enige
maanden hebben gemediteerd in een grot. Het oudste gebouw bevindt zich op de
plaats van deze grot. Naast het heiligdom bevinden zich enkele kluizenaarswoningen tegen de bergwand. Tegenwoordig wonen
er geen monniken meer. Wel is het nog steeds een geliefd reisdoel voor veel pelgrims die er een zware klim van ongeveer
twee uur voor over hebben. De laatste meters naar het heiligdom voeren over een
smalle trap die in de bergwand is uitgehouwen en een
diepe kloof overbrugt. Het heiligdom werd eind vorige eeuw door een brand verwoest
na enkele eerdere branden in het verleden. Nadien is het in oorspronkelijke
staat hersteld.
Terug naar inhoudsopgave
Thimphu
Thimphu ligt in een dal met bossen tegen een heuvel aan
de oevers van de Wang rivier. De stad werd halverwege de vorige eeuw de
hoofdstad van Bhutan en de plaats waar de regering zetelt. Sindsdien is het aantal inwoners snel gegroeid tot ongeveer
vijftigduizend mensen. De meeste bewoners zijn afkomstig van het omringende
platteland. De snelle bevolkingsgroei heeft geleid tot een herinrichting
van het bestaande stadshart en tot de oprichting van nieuwe buitenwijken. De
hoofdstraat telt talrijke openbare gebouwen evenals winkels en restaurants die
zich in toenemende mate richten op de buitenlandse toeristen die de stad
bezoeken. De buitenwijken kennen een mengeling van huizenblokken, vrijstaande gezinswoningen en
familiebedrijfjes. Volgens strikte regels mogen de gebouwen in de stad niet hoog zijn en
moeten ze zijn ontworpen in een traditionele bouwstijl met rode of groene
daken. De muren van veel winkels en openbare gebouwen zijn beschilderd met
boeddhistische motieven en voorstellingen. De belangrijkste
bezienswaardigheid is een
oude kloosterburcht aan de rand van de stad.
De Tashicho Dzong ligt in het noorden van de stad aan de oever van de Wang rivier en is
het zomerverblijf van de Je Khenpo of hoofdabt. De kloosterburcht werd in
1641 gebouwd op de plaats waar
al eerder een kleinere kloosterburcht lag. Een ouderwetse houten
brug
leidt naar de kloosterburcht. Die heeft rondom vier vleugels met gebouwen
van twee verdiepingen. Op iedere hoek staan gebouwen van drie
verdiepingen ten dele voorbij de buitenmuur bestaande uit
blokken graniet die met een richel in elkaar passen. Dat is anders dan bij
andere kloosterburchten die zijn gemaakt van ruwe steen. De kloosterburcht heeft anders dan gebruikelijk twee hoofdingangen. De
ene leidt naar het bestuurlijke gedeelte. De andere leidt naar het kloostergedeelte.
In het midden staat de tempeltoren van de oude kloosterburcht. Daar vlak bij
liggen de regeringsdepartementen en de verzamelhal van de
volksvertegenwoordiging. Het is tevens de troonzaal waar de kroning plaats vindt
van de
koning. Aan de andere kant ligt het klooster met verschillende tempels vol kunstschatten.
Het binnenplein is geplaveid met rechthoekige plaatstenen. Elders zijn dit ongelijk gevormde
stenen. De kloosterburcht is in het verleden herhaalde keren getroffen
door brand en aardbevingen. Nadien is het in oorspronkelijke staat
hersteld. .
Terug naar inhoudsopgave
Punakha

Punakha ligt in een bergdal op een plek waar
de Po rivier en de Mo rivier samen komen. De stad ligt op een van de laagste
plekken van het land en was daarom vele eeuwen lang de winterhoofdstad van
Bhutan. Vanwege het milde klimaat verhuisde de regering iedere herfst
hierheen. In het begin van de vorige eeuw werd de eerste koning er nog gekroond. Korte tijd
later tekende hij er het verdrag met de Britten die daarin verklaarden dat zij zich niet zouden bemoeien met binnenlandse aangelegenheden.
Pas in de tweede helft van de vorige eeuw werd de regering verplaatst naar de
tegenwoordige hoofdstad. De belangrijkste bezienswaardigheid van de stad is de
oude kloosterburcht die is gelegen aan de samenvloeiing van de Mo rivier en de
Po rivier. De kloosterburcht was lange tijd zowel een wereldlijk als een geestelijk
centrum van het land.
De Pungthang Dechen Phodrang Dzong is in 1637 gebouwd.
Vroeger
leidden twee houten bruggen naar de
kloosterburcht. Beide bruggen zijn echter verwoest bij een overstroming. De kloosterburcht is
een van de grootste in het land. De tempeltoren is zes verdiepingen hoog en heeft een gouden koepel.
Een steile trap voor de ingang was zo ontworpen dat men hem in geval
van gevaar binnen kon halen. Nog steeds sluit men iedere avond de ingang af met
een zware houten poort. In plaats van de gebruikelijke twee docheys heeft de
kloosterburcht maar liefst drie binnenpleinen. Rond het eerste binnenplein
liggen de bestuursgebouwen. Het tweede binnenplein met de tempeltoren ligt in het
kloostergedeelte. Rond het derde binnenplein ligt onder
andere een tempel met de resten van de eerste shabdrung. Verder is er de verblijfplaats van de Je Khenpo
en een grote vergaderzaal met veel pilaren en prachtige
beelden en schilderingen. De kloosterburcht is in het
verleden verschillende keren getroffen door brand.
Eind negentiende eeuw richtte een zware aardbeving nog meer schade aan net als
enkele overstromingen in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Terug naar inhoudsopgave
Wangdue Phodrang
Een halfuur rijden van Punakha ligt Wangdue Phodrang
aan de oude
handelsweg naar het oosten. Het plaatsje ligt aan de
voet van een berg op een plek waar twee rivieren bij elkaar komen. In het
midden van het plaatsje ligt een groot plein met een benzine tankstation. Het is
een druk bezochte halteplaats voor bussen en vrachtwagens op hun doorreis van
west naar oost. Rondom het plein ligt een groot aantal wit geschilderde houten
winkeltjes. Reizigers en bestuurders doen hier hun aankopen alvorens de lange
tocht naar hun bestemming in het oosten voort te zetten. Op het plein heerst een
en al bedrijvigheid. Er zijn immers verder geen mogelijkheden meer om
boodschappen te doen of een voorraad brandstof in te slaan. Wangdue Phodrang is
namelijk de laatste
nederzetting voordat men de bergen over moet. Voorbij het plein leidt een
doodlopende weg naar een oude kloosterburcht. Die ligt op een
smalle bergrichel boven de Punak rivier en kijkt uit over de oude handelsweg
naar het oosten. Het is
de enige bezienswaardigheid van de nederzetting.
De Wangdue Phodrang Dzong is gebouwd in 1638.
Vroeger leidde een houten brug met wachttorens over de rivier naar de voet van
de berg waarop de kloosterburcht was gebouwd. In de tweede helft van de vorige
eeuw heeft een overstroming het oorspronkelijk bouwwerk weggespoeld dat nadien
is vervangen door een moderne brug. De berg onder de kloosterburcht is
bedekt met cactusbomen die er lang geleden zijn geplant om
vijanden te ontmoedigen de steile helling te beklimmen. De kloosterburcht heeft
betrekkelijk hoge muren en smalle binnenplaatsen die aansluiten bij de vorm van de
berg.
Er is maar een ingang die wordt afgesloten door een grote poort met aan
weerszijden een groot gebedswiel. Het eerste binnenplein is geplaveid met grote
stenen platen. Daaromheen liggen de bestuursgebouwen. Een tempeltoren deelt de kloosterburcht
in twee delen. De kloosterburcht is na een brand in de
eerste helft van de negentiende eeuw hersteld. Dat was ook het geval na een aardbeving aan het einde van de negentiende eeuw die grote schade
aanrichtte.
Terug naar inhoudsopgave
Trongsa
Trongsa ligt in het midden van het land en is door bergen
gescheiden van zowel het westen als het oosten. De nederzetting beheerste
eeuwenlang alle verkeer tussen het oostelijke en het westelijke deel
van het land. De stichter leefde in de zestiende eeuw en was een overgrootvader van de
eerste shabdrung. De nederzetting is de bakermat van de huidige koninklijke familie. De eerste koning was er oorspronkelijk de penlop.
Het is nog altijd gebruik dat de kroonprins eerst diensten verricht als penlop
van de nederzetting voordat hij de troon bestijgt. Het plaatsje telt
tegenwoordig drieënhalf duizend inwoners. De belangrijkste bezienswaardigheid is een oude kloosterburcht. In de omgeving ligt een nationaal park
dat eveneens een bezoek waard is. Niet alleen vanwege de natuur, maar vooral ook
vanwege het dorpsleven. Een bezoek aan het park toont hoe de bewoners van
oudsher met eenvoudige middelen voorzien in hun
levensonderhoud.
De Choetse Dzong is gebouwd in het jaar 1648 op een
bergrug hoog boven het dal van de Mangde rivier. De kloosterburcht is een bonte verzameling van gebouwen die
op verschillende niveaus achter elkaar op de bergrand zijn gebouwd. Het is een reeks van
doorgangen, brede stenen trappen en binnenpleinen met tempels en gebedshallen.
De gebouwen zijn er rijk versierd met talrijke houtsnijwerken en
muurschilderingen uit de
zeventiende en de achttiende eeuw. De kloosterburcht was eeuwen lang belangrijk
voor de handel tussen het oosten en het westen van het land. Naar verluidt liep
de oude handelsweg dwars door de binnenhof van de kloosterburcht. Als de penlop
besloot de deuren te sluiten, dan was het land letterlijk in tweeën verdeeld. Boven de kloosterburcht ligt tegen de berghelling
een uitkijktoren. De kloosterburcht werd tijdens een aardbeving aan het einde van de negentiende eeuw
zwaar beschadigd en is nadien opnieuw in oorspronkelijke staat hersteld.
De bewoners in het nationaal park leven een eenvoudig boerenbestaan en voorzien grotendeels in hun eigen
levensonderhoud. Ze maken gebruik van eenvoudige en natuurlijke
landbouwtechnieken. Daarnaast verrichten zij allerlei vormen van huisnijverheid en beheersen zij eenvoudige
weeftechnieken. Ze kennen nog een primitieve vorm van ruilhandel . Enkele van de dorpjes in het nationaal park
worden bewoond door Monpa. Hun totale aantal is ongeveer tweehonderd personen.
Ze
leven een teruggetrokken bestaan dat nauw verbonden is met de omringende natuur en de geestenwereld.
Onlangs heeft de
landelijke overheid met hulp van de lokale gemeenschap een wandelroute aangelegd
die leidt door bossen, groene valleien en langs rivieren. De bewoners dragen
overdag de bagage van de bezoekers en bereiden 's avonds na aankomst in
een dorp het eten. Na de maaltijd brengen ze een traditioneel welkomstgeschenk
van vers geraapte eieren en zelfgestookt drank. Verder voeren ze traditionele zang en
dans op. Het geld dat zij daarmee verdienen komt ten goede van de
dorpsgemeenschap. Die kent op deze manier inmiddels
een beperkte geldeconomie.
Terug naar inhoudsopgave
Jakar
Jakar was vroeger de hoofdstad van een onafhankelijk
koninkrijk in de vruchtbare vallei van de Bumthang rivier. In de achtste eeuw
liet de plaatselijke koning zich bekeren tot het boeddhisme. Sedertdien hebben verschillende
vorsten er opdracht gegeven voor de bouw van tempels, kloosters en andere
religieuze monumenten. Ze behoren tot de oudste bouwwerken van het land en
daarom wordt de regio beschouwd als de bakermat van het boeddhisme. In de zeventiende eeuw werd het koninkrijk
ingelijfd door de eerste shabdrung
en verenigd met andere gebieden in Bhutan. Nadien verschoof het middelpunt van
zowel de wereldlijke als de geestelijke macht naar het westen. Desalniettemin
behield de regio zijn historische en culturele betekenis. De eerste koningen
hielden verblijf in de voormalige hoofdstad Jakar. Tegenwoordig telt het
plaatsje nog enkele duizenden inwoners. Een belangrijke bezienswaardigheid is het
eerste paleis van de koninklijke familie. Andere belangrijke bezienswaardigheden zijn enkele oude tempels in de
omgeving.
Sommige van die tempels zijn uit de tijd van vóór de eerste shabdrung.
Halverwege
de negentiende eeuw werd het Wangdichholing Paleis gebouwd op een plek die ooit
het legerkamp was van de penlop in Trongsa. Diens zoon koos het paleis als zijn voornaamste verblijfplaats.
Hij werd later de eerste koning van het nieuwe koninkrijk Bhutan. In de winter
verhuisde hij de gehele hofhouding naar het zuiden richting Trongsa waar de
bakermat ligt van de koninklijke familie. Ook
de tweede koning hield verblijf in het paleis gedurende de zomerperiode. Het paleis bood onderdak aan de derde koning in zijn
jonge jaren. Maar halverwege de vorige eeuw verplaatste hij de gehele hofhouding
naar Thimphu. Tegenwoordig is het paleis in gebruik als een
klooster. Het paleis is oorspronkelijk ontworpen als een kloosterburcht. Midden
op een plein staat een gebouw van drie verdiepingen dat is omgeven door vier
muren waarlangs de verblijven liggen van de monniken. Voorheen waren hier de
verblijven van de koninklijke familie. Vergeleken met andere kloosterburchten
heeft het paleis een bescheiden omvang. Anders dan gebruikelijk bij de meeste
kloosterburchten heeft het paleis een lage brede toegang met ramen aan
weerszijden.
In het westen van de Bumthang vallei ligt de Jampa Lhakhang
een tempel die gewijd is aan de Boeddha van de Toekomst. Deze
tempel is oorspronkelijk in de zevende eeuw gebouwd in opdracht van de koning
van Tibet om de bevolking tot het boeddhisme te bekeren. De tempel was onderdeel
van een groep tempels die naar verluidt in één dag waren gebouwd om een demon
te onderwerpen. De tempel is in de loop der tijden
verschillende keren hersteld en uitgebreid. De huidige structuur van de tempel dateert van het begin van de vorige eeuw. De
belangrijkste kapel in de tempel heeft drie treden die ieder een tijdperk
voorstellen. Het eerste tijdperk is dat van het verleden. Deze trede ligt verzonken in de vloer. Het tweede tijdperk is dat van het heden en deze trede is op
gelijk niveau met de grond. De bovenste trede leidt naar een nieuw tijdperk.
Wanneer deze trede naar het grondniveau zakt worden de goden als mensen en komt
de wereld ten einde. Naar verluidt ligt onder de tempel een meer waarin goeroe
Rinpoche verscheidene terma of boeddhistische schatten in de vorm van
teksten en voorwerpen heeft
verborgen.
Op
loopafstand ligt in het westen van de Bumthang vallei een andere tempel de Kurjey
Lhakhang. Deze tempel is verbonden met goeroe Rinpoche die naar verluidt op
uitnodiging van de koning hier kwam mediteren in een poging om een demon te
onderwerpen en de strijd met een rivaliserend koninkrijk te beslechten. Rond de
rots waarop hij mediteerde is de tempel gebouwd. Naar verluidt is de afdruk van zijn lichaam nog steeds te zien.
De huidige structuur van de hoofdtempel stamt uit de zeventiende eeuw. Naast de
oude hoofdtempel zijn in de vorige eeuw nog twee tempels gebouwd in dezelfde
stijl tegen een
heuvelrug. Een van deze tempels
is gebouwd door de eerste koning die toen nog penlop was van Trongsa. De andere tempel is gebouwd
in opdracht van de koninklijke familie. Uit dezelfde periode stamt
ook het plein voor de tempels en een muur rondom het gebouwencomplex. Midden op
het plein staan twee grote gebedsvlaggen en een chorten. Ze markeren de plaats
waar de eerste drie koningen zijn gecremeerd.
In het oosten van de Bumthang vallei ligt vlak bij Jakar ligt de
Tamshing Lhakhang uit het begin van de zestiende eeuw. Het klooster is
destijds gebouwd in opdracht van de monnik Pemalingpa die van oorsprong afkomstig
was uit de regio. Hij was een vermaard terton die verschillende
geheimen onthulde van goeroe Rinpoche in de vorm van verborgen teksten en voorwerpen.
Ze worden overal in het land bewaard als boeddhistische schatten. Hij was
tevens een godsdienstig tekst- en liedschrijver die veel dansfiguren heeft
ontworpen. In de tempel zijn de eerste dansen van zijn hand opgevoerd die heden
ten dage tijdens een tsechu of kloosterfestival nog steeds worden
getoond. In de tempel zijn nog de originele wandschilderingen uit de zestiende
eeuw te
bewonderen. Pemalingpa schijnt klein van stuk te zijn geweest. Naar verluidt is het
lage plafond van de tempel net zo hoog als hij groot was. Op de benedenverdieping bevindt
zich zijn maliënkolder. Als men deze drie keer om de tempel draagt, zo wil het geloof, is men van alle zonden
bevrijd.
Veel pelgrims doen een poging om het gewicht van vijfentwintig kilo driemaal
rond de tempel te slepen.
Terug naar inhoudsopgave
Mongar
Mongar ligt in het oosten van Bhutan afgescheiden van de rest van het land door een steile bergketen.
Het plaatsje is voor autoverkeer slechts via een weg bereikbaar die in de winter regelmatig
is afgesloten als
gevolg van sneeuwval en aardverschuivingen. Deze weg leidt tegenwoordig om
het plaatsje heen. Dat telt ongeveer drieduizend
inwoners en ligt zoals veel steden
in het oosten van Bhutan op een berghelling. Dit in tegenstelling tot de
steden in het westen van het land. Die bevinden zich doorgaans in het dal vlak
bij een rivier. In het oosten zijn de valleien echter te smal om er een
nederzetting te vestigen. De oude hoofdstraat kronkelt omhoog
door het onlangs vernieuwde centrum. Langs de straat liggen meerlaagse
blokwoningen en een marktplein met verscheidene winkeltjes. Ze zijn op verschillende niveaus gebouwd en voor voetgangers
bereikbaar door middel van brede trappen. De winkeltjes verkopen onder andere
lokaal geproduceerde zijde en geurolie van citroengras. De weinige hotels zijn volgeboekt tijdens het jaarlijkse
festival in de plaatselijke kloosterburcht. Het is de belangrijkste
bezienswaardigheid van het plaatsje.
De kloosterburcht is halverwege de eerste helft van de vorige eeuw
gebouwd op een bergrand iets boven
de stad
ter vervanging van een oudere die bij een brand geheel was
verwoest. Ook de nieuwe kloosterburcht ontkwam niet aan enkele branden en werd
daarna opnieuw herbouwd. Twee ingangen op verschillende niveaus leiden naar de
kloosterburcht met een torentempel die is omgeven door vier
muren waarlangs de verblijven liggen van de monniken. De tempeltoren
is ouder dan
de omringende gebouwen. Op een plein vóór de kloosterburcht houdt
men jaarlijks een druk bezocht festival. Een heuvel aan de ene kant van het
plein doet dienst als openlucht tribune voor de bezoekers. Aan de andere kant
van het plein is een overdekt podium voor de monniken van het klooster. Vanaf de
heuvel heeft men een weids uitzicht over het plein, het podium en de bergen die
daarachter liggen. De toeschouwers bekijken er de dansvoorstellingen die drie
dagen lang worden opgevoerd. De dansen herinneren hen aan de luisterrijke
volksverhalen over de verspreiding van het boeddhisme in het land en brengen hen
nader tot het ware geloof.
Terug naar inhoudsopgave
Trashigang
In het oosten van het land ligt Trashigang
een plaatsje van ongeveer zevenduizend inwoners ingeklemd tussen hoge bergen. Het
was
eeuwenlang een belangrijk knooppunt in het handelsverkeer richting Tibet. In de
zeventiende eeuw kwam het oosten onder heerschappij van de eerste shabdrung
die het verenigde met de rest van het land. Het plaatsje kreeg toen een
belangrijke taak in het bestuur over de oostelijke regio. Langs de hoofdstraat
liggen verschillende winkeltjes waaronder een schoenmaker en een kapper. In een
buitenbocht ligt het dorpsplein met een gebedswiel in het midden. Langs het
plein liggen winkeltjes en enkele hotels. De hoofdstraat passeert vervolgens een
klein riviertje over een brede brug met daarnaast een chorten. Een
zijstraatje leidt langs winkeltjes en restaurantjes voorbij enkele bomen naar een
lager gelegen kloosterburcht. Die ligt op een uitloper van de berg hoog boven
een plek waar de Drangme rivier en de Gamri rivier samenvloeien. In de
kloosterburcht vindt
jaarlijks een groot festival plaats. Dat is de belangrijkste bezienswaardigheid
van het plaatsje.
De kloosterburcht is in 1668 door de toenmalige druk desi
gesticht als geestelijk en bestuurlijk centrum van de gehele oostelijke regio. In het begin van de twintigste eeuw werd de kloosterburcht door brand
verwoest en in enkele jaren opnieuw herbouwd. Anders dan bij andere kloosterburchten
het geval is liggen het gedeelte van de bestuurlijke overheid en het
kloostergedeelte beide rond één binnenplein. Daar vindt het jaarlijkse
kloosterfestival plaats die start met het onthullen van een thangka
waarop goeroe Rinpoche is afgebeeld. De bezoekers zitten tijdens het festival
dicht opeengepakt langs de rand van het plein of ze staan in de galerijen
eromheen. Opmerkelijk is de aanwezigheid van verscheidene Brokpa vrouwen
die uit de verre omgeving komen om na een voetreis van enkele dagen het
meerdaagse festival bij te kunnen wonen. Als
er geen andere mogelijkheden zijn overnachten ze in de kloosterburcht. Ze maken van de gelegenheid
gebruik om samen op de markt in het laantje voor de ingang van de kloosterburcht inkopen te doen. Daar
onderscheiden ze zich door hun kleding en door hun taal. Die blijkt soms een
belemmering in hun omgang met de andere bezoekers.
Terug naar inhoudsopgave
Literatuur
- Armington, Stan
"Bhutan" uitgave in de reeks reisgidsen van Lonely Planet
- Choden, Kunzang "Folktales
of Bhutan" uitgave van de White Lotus Press
- Dorji, Dr. C.T.
"History of Bhutan based on Buddhism" uitgave van Prominent Publishers
- Vries, Sjoerd de "Himalaya, in het spoor van het Tibetaans boeddhisme"
thema uitgave in de reeks reisgidsen van uitgeverij Dominicus
Terug naar inhoudsopgave
|