In ieder district bepalen indrukwekkende dzongs of kloosterburchten het beeld van de omgeving. Ze liggen meestal op de top van een heuvel en kijken uit over een brede riviervallei met soms een stad in de onmiddellijke nabijheid. Een uitkijktoren staat soms apart van de overige gebouwen. De naar binnen hellende muren van de kloosterburcht zijn gemaakt van steen of leem en hebben doorgaans maar een smalle ingang om een vijandelijke bestorming te voorkomen. Ze hebben twee dochey of binnenpleinen die zijn geplaveid met grote steenplaten. Het eerste binnenplein is omringd met een galerij waarachter de overheidskantoren liggen langs de buitenmuur. Rondom het tweede binnenplein ligt de rabdey of het kloosterdeel met de verblijven van de monniken. De meeste gebouwen hebben twee verdiepingen en zijn versierd met kleurig houtsnijwerk. Midden in de kloosterburcht bevindt zich de utse een hoog gebouw met tempels en kapellen op meerdere verdiepingen. Volgens oud gebruik worden er geen bouwtekeningen gemaakt en worden er geen schroeven of spijkers gebruikt bij de bouw. De daken worden bedekt met traditionele houten dakspanen.
Het land heeft een groot aantal goembas of kloosters en lhakhangs of tempels. De kloosters zijn meestal op afgelegen plaatsen gebouwd waar de monniken rust en afzondering hebben om te kunnen mediteren. Men vindt ze vooral op steile rotsen en heuvels. Sommige zijn gebouwd bij een grot die door vroegere leermeesters werd gebruikt voor meditatie. De kloosters zijn gesloten gemeenschappen rondom een tempel met daaromheen de slaapvertrekken. De tempel bevindt zich in het midden van een dochey of binnenplein. Dat wordt tijdens festivals gebruikt om dansen op te voeren. Op alle kloosters en tempels in Bhutan - ook in het geval van de kloosterburchten - is vlak onder het dak een khemar of brede roodbruine band geschilderd met daarin ronde koperen platen of spiegels die de zon of nima voorstellen. De gouden herten boven een klooster symboliseren het park waar Boeddha voor het eerst zijn leer verkondigde. De meeste tempels hebben een serto of een vergulde cilinder op het dak. Rond de buitenmuur zijn gebedswielen opgesteld die de monniken en andere gelovigen laten draaien als zij een ronde om het gebouw lopen.
De chorten is van oorsprong een symbolische voorstelling van de elementen. De basis van het bouwwerk stelt de aarde voor en het middengedeelte symboliseert het water. De bovenkant verbeeldt het vuur terwijl symbolen van maan en zon de lucht voorstellen. Een verticale piek stelt het heilige licht van Boeddha voor. Binnenin vormt een houten paal met versieringen het kloppend hart van het bouwwerk. Dat bevat doorgaans een religieuze relikwie zoals een heilig beeld waarvoor brengt men offers brengt. In Bhutan komen drie soorten voor met ieder hun eigen kenmerken. De Nepalese versie heeft een ronde vorm met ogen op iedere zijde van de bovenkant. Ze stellen de alziende ogen van Boeddha voor. De Tibetaanse versie heeft weliswaar een ronde vorm maar de rondingen wijken naar boven toe buitenwaarts in plaats van binnenwaarts. De Bhutanese versie heeft de vorm van een vierkanten pilaar met een khemar of roodbruine band aan de bovenkant. Een gelijksoortig bouwwerk is de mani chukor. Dat is een holle Bhutanese versie met daarin een gebedswiel die soms vanzelf door de kracht van een langs stromende beek wordt rondgedraaid.
De meeste huizen hebben twee verdiepingen. Een stenen fundering reikt tot een halve meter boven de grond. De muren daarboven zijn gemaakt van leem of van steen. Buiten de steden is de beneden verdieping in gebruik als veeschuur en de bovenverdieping is het woonverblijf. Een zolder dient voor de opslag van hooi en het drogen van dierenhuiden of pepertjes. Het dak is bedekt met houten dakspanen. De voorkant van de woonruimte op de bovenste verdieping heeft houten ramen die aan de bovenkant de vorm hebben van een klaverblad. Het houten gedeelte van de woonruimte steekt uit boven de lemen of stenen muur als een soort erker. Het hout is beschilderd met hakenkruizen, bloemen, wolkenkrullen en andere symbolen. De muren zijn beschilderd met mythische dieren of een grote rode fallus om kwade geesten af te weren. De ramen op de benedenverdieping zijn klein in tegenstelling tot de ramen op de bovenverdieping en niet beschilderd met decoraties. Overigens zijn in de oudere huizen de ramen niet van glas maar zijn het houten schuifpanelen.
Overal staan vlaggen met herhaalde reeksen mantras of gebeden. Ze hebben vijf kleuren die overeenkomen met de vijf elementen in de natuur: blauw voor water, groen voor hout, rood voor vuur, geel voor aarde en wit voor ijzer. Soms zijn het rechthoekige of driehoekige gebedsvlaggetjes aan een draad die een heilige plaats aangeven. Maar er zijn ook langgerekte gebedsvlaggen aan een rechtopstaande paal of mast. Daarvan zijn er vier soorten met ieder een eigen betekenis. De goendhar zijn kleine witte vlaggen op het dak van een boeddhistisch huis. De bewoners roepen daarmee de zegen af van een huisgod die toeziet op hun welzijn. De lungdhar wapperen in de wind op heuvels of bergranden. De oprichters smeken een willekeurige beschermgod om voorspoed in het leven, herstel van een ziekte of het verkrijgen van wijsheid. De manidhar zijn opgericht om een dierbare overledene te herdenken en te bevrijden van zijn zonden. Ook deze vlaggen staan op hoge plaatsen die uitkijken over het dal van een rivier. De grootste vlaggen zijn de lhadhar en staan in de nabijheid van een heiligdom. Ze symboliseren de overwinning van het goede over het kwade.