Henk Sebregts 

Home Sitemap Help Vragen Nieuw Zoeken Contact

 

China 

Het Verre Oosten in Woord en Beeld 

 
 

 

Informatie
 

 

Zoek op trefwoord:

 

 

China  

China is een land met een heel oud verleden. Veel inwoners beschouwen hun land als de bakermat van alle beschaving. Zij zijn terughoudend tegenover buitenstaanders, omdat ze niet bekend zijn met hun eeuwenoude gebruiken en gewoonten. Die gaan terug tot in het derde millennium vóór het begin van onze jaartelling. Toen ontstonden in het centrale laagland de eerste koninkrijken die heersten over de landbouwnederzettingen langs de vruchtbare oevers van de Gele Rivier. De koningen hadden in deze periode een verheven status en gaven zelf leiding aan de boerenbevolking die arbeid moest leveren voor de bouw van stadsmuren en andere openbare werken.  De vroegst bekende dynastie was die van de Xia. Die heerste van de eenentwintigste tot de zestiende eeuw voor Christus. Aan de vorsten van deze dynastie worden belangrijke ontdekkingen toegeschreven zoals de uitvinding van het schrift. Maar dit is nooit door wetenschappelijk onderzoek bevestigd.  Bekend is dat het schrift al wel bestond tijdens de Shang dynastie die bloeide van de zestiende tot de elfde eeuw. 

Tijdens de Zhou dynastie van de elfde tot de derde eeuw voor Christus breidden verschillende vorsten het rijk verder uit naar het noorden richting Beijing en naar het zuiden tot aan de Yangtze rivier. Om hun heerschappij over zo'n groot gebied te consolideren vestigden zij een feodaal systeem met leenheren die in hun naam over afzonderlijke vorstendommen regeerden.  Volgens de leer van het confucianisme bezaten zij een "mandaat van de hemel". De koning gaf hen als hemelse vorst het mandaat om te heersen, maar hij kon hen dit mandaat ook afnemen als zij slechte en corrupte heersers waren. Het omvatte later ook de taoïstische opvatting dat de hemel natuurrampen zoals aardbevingen op de mensheid afstuurt om zijn afkeer te laten zien van slechte heersers. De leenheren bouwden in deze periode een eigen verdedigingsmuur om de vanuit het noorden binnenvallende nomadenstammen tegen te houden.  Voor de boerenbevolking veranderde echter weinig. Zij was volledig afhankelijk van de willekeur van de leenheren. Zij hadden geen eigen grond en werden gedwongen een groot deel van de oogst af te staan aan de leenheren. Als er oorlog was moesten zij bovendien als soldaten naar het front. 

In de derde eeuw voor Christus kwam de Qin dynastie aan de macht. De stichter van deze dynastie verenigde de elkaar bestrijdende feodale staten in één rijk onder zijn leiding als de eerste keizer van China. Hij legde een wegennet aan dat de hoofdstad Xian verbond met de verafgelegen buitengewesten van het rijk tot aan Korea en Vietnam. Voorts zette hij honderdduizenden slaven in voor de bouw van de Grote Muur die de vreemde volkeren buiten de grenzen moest houden.  Delen van reeds bestaande stadsmuren langs de grenzen liet hij uitbreiden en samenvoegen tot één Grote Muur. Na zijn dood kwam de Han dynastie die ruim vierhonderd jaar lang aan de macht was. Tot dan toe was de keizer enig en absoluut heerser geweest, maar nu delegeerde hij de macht aan een hoogontwikkeld ambtenaren apparaat. Om deze ambtenaren te selecteren maakte men gebruik van een ingewikkeld examensysteem. Dat was gebaseerd op de kennis die de kandidaten hadden over de leer van het confucianisme. In deze periode breidde het keizerrijk zich uit in Centraal Azië met de onderwerping van vazalstaten. Dankzij de handelskaravanen via de zijderoute kende het land een lange periode van welvaart. 

Ruim voor het begin van onze jaartelling kwam via de zijderoute het boeddhisme vanuit India naar China. Daar verwierf het mettertijd veel aanhangers dankzij het uitgebreide netwerk van handelswegen dat de keizers hadden laten aanleggen. Maar vooralsnog bleef de invloed van het boeddhisme vooral beperkt tot de zuidelijke gebieden van het keizerrijk. Er bestond namelijk na de ondergang van de Han dynastie een sterke scheiding tussen het noorden en het zuiden. Het noorden had te maken met invallen van rondzwervende nomadenvolken en werd verscheurd door oorlogen. Veel Chinezen waren daarom naar het zuiden gevlucht. Dat kende een periode  van welvaart en forse economische groei. Daar maakten zij kennis met het boeddhisme dat een passende aanvulling bleek van het reeds bekende confucianisme en het taoïsme. Aan het einde van de zesde eeuw keerde de rust terug tijdens de regering van de Sui dynastie.  De keizers verstevigden in deze periode de Grote Muur om de invallen van de noordelijke nomadenvolken tegen te houden. Voorts begon men de bouw van het Grote kanaal tussen de Gele Rivier en de Yangtze rivier om het noorden met het zuiden te verbinden. 

In het begin van de zevende eeuw begon onder de Tang dynastie een nieuw hoogtepunt in de Chinese beschaving. Het land beleefde een gouden periode in de kunsten die duurde tot het begin van de tiende eeuw. Het keizerlijke hof verving in deze periode steeds meer ambtenaren van adel door confucianistische geleerden via het staatsexamen. De Tang gingen door met de aanleg van kanalen die de verschillende delen van het keizerrijk met elkaar moesten verbinden. In deze periode breidde het boeddhisme zich steeds verder uit in het gehele rijk dankzij rondreizende kooplieden en pelgrims. Sommige keizers steunden het boeddhisme en vervreemdden zich daarmee van hun ambtenaren. Mede dankzij de uitvinding van het buskruit veroverden de legers van de Tang dynastie verscheidene gebieden in het verre westen. Na een korte periode van oorlog en economisch verval brak  rond het midden van de tiende eeuw onder de Song dynastie een periode aan van rust en creativiteit die tot laat in de dertiende eeuw duurde. Er ontstond een stedelijke klasse van handelaren die hoog sociaal aanzien genoot en veel succesvolle bestuurskandidaten leverde via de staatsexamens voor ambtenaren. Deze Mandarijnen of hoge staatsambtenaren bepaalden het openbare leven.  

Begin dertiende eeuw kreeg men te maken met invallen door Mongolen die zich niet lieten afschrikken door de Grote Muur. Ze maakten Beijing tot hun hoofdstad. Daar vestigden zij  korte tijd de Yuan dynastie die een enorm rijk bestuurde van ongekende omvang. De grenzen liepen van de Oekraïne in het noorden en Perzië in het westen  tot aan Korea in het oosten en Vietnam in het zuiden. De nieuwe keizers hadden echter weinig steun van de Chinese bevolking omdat ze de hoogste ambtenarenposten aan hun Mongoolse landgenoten gunden.  Ze werden halverwege de veertiende eeuw verdrongen door een nieuwe dynastie. Die was net als alle voorgaande keizersgeslachten wederom van Chinese afkomst. Deze Ming keizers vonden dat China in alle opzichten superieur was en dat men niets kon leren van andere culturen. Uit vrees voor binnenstormende volkeren lieten zij de Grote Muur verbeteren. Ze ontvingen gezanten van vazalstaten alleen als ze bereid waren om tijdens het onderhoud met de keizer tribuut of belasting te betalen in de vorm van kostbare geschenken. Ook de gezantschappen van Europese mogendheden werden op deze manier aan het hof ontvangen. Het tribuutstelsel sloot een gelijkwaardige verhouding uit en getuigde van de hoogmoed van het keizerlijk hof.

In de zestiende eeuw landden de eerste Europese schepen aan de zuidoost kust van China. De Portugezen  waren de eersten. Al snel daarna volgden de Spanjaarden, de Nederlanders en de Britten. Zij kregen halverwege de zeventiende eeuw te maken met een nieuw keizersgeslacht dat afkomstig was uit Mantsjoerije. Deze Qing dynastie regeerde tot in het begin van de twintigste eeuw. De Qing hielden de buitenlanders zo ver mogelijk uit de buurt en dwongen hen om in het zuidoosten te blijven. Ze konden echter niet voorkomen dat de Britten een levendige handel in opium begonnen ondanks een keizerlijk verbod. Dat leidde halverwege de negentiende eeuw tot een reeks van opiumoorlogen. De zegevierende Britten dwongen de keizer om het land verder open te stellen voor handel. Bovendien moest het land grote bedragen betalen als schadeloosstelling voor de oorlogen. Daardoor groeide de onvrede onder de bevolking. De woede kwam tot uitdrukking in de Bokseropstand. De Boksers richtten hun woede aanvankelijk vooral op de westerse mogendheden. Door snelle interventie van buitenlandse troepen verloren ze deze strijd. Maar geleidelijk groeide het aantal groeperingen die zich verzetten tegen de buitenlandse onderdrukking. Deze nationalistische beweging keerde zich daarbij steeds meer tegen de verzwakte Qing regering. Die werd openlijk gehekeld vanwege de niet Chinese afkomst van de keizer.

In het begin van de twintigste eeuw brak een nationale revolutie uit onder leiding van de Kwomintang. Die was erin geslaagd om verschillende opstandige groeperingen te verenigen in een beweging. Uiteindelijk erkende de Qing regering haar nederlaag. Op 10 oktober 1911 riep dokter Sun Yat Sen als een van de leiders tijdens de revolutie de Republiek van China uit. Na de troonsafstand van de laatste keizer werd het voormalig hoofd van het keizerlijk leger de nieuwe heerser. Bij zijn dood enkele jaren later brak een interne strijd om de macht uit. Daarmee bemoeiden zich ook enkele krijgsheren met hun privé legers. Halverwege de twintiger jaren verbraken de nationalisten de samenwerking met de pas gevormde communistische beweging. Daarop brak een burgeroorlog uit die veel mensenlevens kostte. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloten de strijdende partijen zich bij elkaar aan om één front te vormen tegen de Japanse bezetters. Kort daarna brak opnieuw een burgeroorlog uit. De Chinese boerenbevolking had echter kennis gemaakt met de communisten die het land van de gehate grootgrondbezitters verdeelden onder de landarbeiders. Massaal steunden de boeren het Volksbevrijdingsleger dat hen van wapens voorzag en guerilla gevechtstechnieken leerde. Uiteindelijk versloegen de communisten onder leiding van Mao Zedong hun tegenstanders. 

Op 1oktober 1949 riep Mao Zedong de Volksrepubliek China uit in een land dat nagenoeg bankroet was. Men stond voor een zware taak om de economie van het land weer op te bouwen. Na een aarzelend begin startte aan het einde van de vijftiger jaren de "Grote Sprong Voorwaarts" met de oprichting van volkscommunes in de steden en op het platteland. Die moesten in een buitengewoon vergaand vijfjarenplan het groeitempo van de economie opvoeren met de aanleg van staalovens, waterkeringen en irrigatiewerken. Het werd een mislukking. De boeren op het platteland kwamen niet meer aan hun werk op het land toe en de economie stortte in. Daardoor raakte Mao uit de gratie. Maar zijn politieke rol was nog niet uitgespeeld. Hij sloeg halverwege de zestiger jaren terug met een "Culturele Revolutie". Er mocht geen maatschappelijk onderscheid meer zijn en iedere herinnering aan het feodale en kapitalistische verleden moest worden vernietigd. Het gevolg was dat eeuwenoude tempels en kloosters werden gesloten, geplunderd of vernield. Vele intellectuele tegenstanders werden vervolgd of vermoord. Door deze gebeurtenissen kwam het land opnieuw economisch aan de rand van de afgrond.   

Na de dood van Mao halverwege de zeventiger jaren kwam Deng Xiao Ping aan de macht. Hij introduceerde een geleide markteconomie en stond toe dat de boeren in het binnenland hun landbouwoverschotten konden verkopen op de vrije markt. Daarnaast stimuleerde hij de handel met het buitenland in speciale economische zones langs de oostkust. Daardoor groeide de economie in een snel tempo. Tegenwoordig is het land een belangrijke speler op de wereldmarkt. Daarvan hebben vooral de moderne ondernemers in de grote steden geprofiteerd. Hun rijkdom steekt schril af tegen de armoede van de werkloze fabrieksarbeiders. Maar nog schrijnender is de armoede van de boeren en landarbeiders op het traditionele platteland. Die trekken in groten getale naar de stad op zoek naar werk in de hoop daar een beter bestaan te vinden. De overheid heeft niet alleen te maken met een groeiende kloof tussen arm en rijk. De toegenomen welvaart brengt ook veel corruptie met zich mee. Leden van de communistische partij op belangrijke posities verrijken zich door tegen betaling privileges te gunnen aan welgestelde ondernemers. De partijleiding treedt hard op tegen deze mensen als blijkt dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan corruptie.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Bevolking

Veruit de overgrote meerderheid van de bevolking bestaat uit Han Chinezen. Die zien zich als de erfgenamen van een eeuwenoude beschaving. Die beschaving is gebaseerd op drie peilers uit het begin van de keizertijd : het confucianisme, het taoïsme en het boeddhisme. De Culturele revolutie halverwege de zestiger jaren van de vorige eeuw heeft daarin weinig verandering gebracht. Volgens het confucianisme is de mens beschaafd als hij zich weet te gedragen naar zijn natuurlijke plaats in de samenleving. Hij moet gemeenschapszin, gehoorzaamheid en eerbied tonen voor zijn naasten zowel als zijn meerderen. Door deze deugden te cultiveren kan de mens zich opwerken op de maatschappelijke ladder. Volgens het taoïsme daarentegen is het menselijk handelen niet van invloed op de natuurlijke ordening.  Iedere mens moet juist zijn eigen tao of natuurlijke weg volgen. Die bestaat in beginsel uit twee tegenpolen yin en yang die samen een eenheid vormen. Van hun wisselwerking is alles in het leven afhankelijk. Het is aan iedere mens om zelf  feng shui of natuurlijk evenwicht te vinden. De grondgedachte van het boeddhisme is dat de mens zich moet bevrijden van alle aardse zaken en begeerten om door bezinning uiteindelijk een toestand te bereiken van eeuwige rust.  

In de dunbevolkte en moeilijk doordringbare grensgebieden in het uiterste noordwesten en het uiterste zuidwesten van het land wonen andere etnische en culturele groepen met een geheel eigen wereldbeeld. Deze shaoshu minzu of nationale minderheden hebben van oudsher weinig op met de beschaving die de vroegere keizers cultiveerden vanuit hun verafgelegen machtscentrum. Zij integreren al vele eeuwen lang niet met de Han Chinezen. Die kijken op hen neer vanwege hun afkomst en hun afwijkende godsdienst.  In het noordwesten wonen veel Hui die ten dele afstammelingen zijn van Arabische kooplieden en het islamitische geloof aanhangen. In de westelijke hooglanden wonen veel Tibetanen die aanhangers zijn van het lamaïsme. Dat is een vorm van boeddhisme vermengd met mystieke praktijken uit inheemse natuurgodsdiensten. In de zuidwestelijke hooglanden wonen andere minderheden zoals de Bai en de Naxi. Die kennen een bonte mengeling van godsdiensten vermengd met animistische gebruiken. In de bergen in het zuidoosten tenslotte wonen de Yao waarvan een aanzienlijk deel inmiddels is bekeerd tot het christendom, maar waar animistische gebruiken nog steeds voorkomen. 

Deze minderheden onderscheiden zich niet alleen vanwege hun afkomst en hun godsdienst. Ze onderscheiden zich ook door hun kleding. Die geeft uitdrukking aan hun etnische afkomst en sociale status. Aan de kleding ziet men of een vrouw getrouwd is, of ze rijk is en of ze bekwaam is in handwerk. Veel vrouwen van etnische minderheden weven en borduren nog steeds hun eigen kleding. Die kleuren ze met een kleurstof die ze op de plaatselijke markt hebben gekocht. Borduurwerk is een wezenlijk onderdeel van de klederdracht en traditionele symbolen worden van moeder op dochter doorgegeven. Ze verwijzen naar plaatselijke mythen en legenden. Jonge vrouwen borduren nog steeds draagtuigjes voor hun kleine kinderen. Oude vrouwen borduren hun eigen doodskleed. Maar ook de traditionele klederdracht gaat met zijn tijd mee. Tegenwoordig kiest men voor fabriekskleding met kunstmatige verfstoffen. Ook in de spreektaal onderscheiden de minderheden zich. Dat geldt overigens niet voor de Hui. De taal van de Naxi behoort daarentegen wel tot een andere taalgroep en is verwant met het Tibetaans. De Yao taal behoort tot een geheel andere taalgroep. De taal van de Bai neemt een wel heel bijzondere plaats in. Het is van oorsprong oud Chinees vermengd met plaatselijke invloeden. 

De houding van de communistische overheid tegenover de minderheden is ambivalent. Aanvankelijk steunden de communisten de minderheden in hun streven naar onafhankelijkheid en vrijheid van onderdrukking. Maar na de machtsovername stelden zij zich terughoudender op uit vrees voor het uiteenvallen van de volksrepubliek China. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts ontmantelden zij de traditionele etnische samenlevingsverbanden die plaats moesten maken voor nieuwe economische samenwerkingsverbanden. Later moesten de minderheden tijdens de Culturele Revolutie hun eigen identiteit prijsgeven onder druk van het communistische streven naar gelijkheid. Hun traditionele gewoonten en gebruiken golden als overblijfselen van een feodaal verleden dat in de weg stond van de vooruitgang. Daarentegen kunnen de minderheden tegenwoordig rekenen op meer steun en begrip van de communistische overheid. De gezinnen mogen bijvoorbeeld meer dan één kind hebben om weer op traditionele wijze landbouw te kunnen bedrijven en in het eigen levensonderhoud te voorzien.  Maar de minderheden leggen zich steeds meer toe op de verbouw van marktgewassen.  Door de introductie van moderne landbouwmethoden en andere economische vernieuwingen vallen de traditionele dorpsgemeenschappen als vanzelf uit elkaar. Daarnaast dreigt door moderne scholingsprogramma's de belangstelling voor de eigen taal en cultuur te verdwijnen. 

Steeds meer minderheden werken in de toeristen industrie die hun bijzondere gewoonten en gebruiken heeft ontdekt. Het toerisme leidt onherroepelijk tot veranderingen in de traditionele levenswijze en omgangsvormen. Een goed voorbeeld hiervan is de Naxi gemeenschap in het zuidwesten van China. Het schilderachtige oude stadje Lijiang met zijn monumentale straten en huizen en zijn kleurrijke bewoners wordt tegenwoordig druk bezocht door talrijke toeristen. Die zoeken er de plaatselijke romantiek van het eenvoudige leven uit vroeger tijden. De werkelijkheid is echter dat veel vroegere bewoners de tegenwoordige drukte zijn ontvlucht. Moderne ondernemers hebben in veel oude panden bars en restaurants ondergebracht evenals pensions en hotels alsmede bedrijfjes en winkeltjes die souvenirs verkopen. In het stadje en de naaste omgeving treft men nog nauwelijks oorspronkelijke Naxi bewoners aan. Daarnaast ontstaan er verschillen tussen de moderne handelaars en ondernemers in de toeristen industrie en de traditionele landbouwers.  Desalniettemin heeft het toerisme een hernieuwde belangstelling gewekt voor de eigen culturele tradities. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de theaters die voorstellingen opvoeren van traditionele Naxi muziek orkesten.  Diezelfde theaters vertonen ook voorstellingen waarin sjamaanse Dongba priesters oude rituelen uitvoeren en het eigen beeldschrift demonstreren.    

 

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Beijing Video Beijing

Op de plaats van het tegenwoordige Beijing lag ver voor het begin van onze jaartelling een kleine vestiging aan de moerassige oevers van een rivier. Tijdens het bewind van de eerste keizer van China werd deze vestiging echter geheel vernield. Rond het begin van onze jaartelling werd de stad opnieuw opgebouwd. Veel later bloeide de stad als centrum van handel en nijverheid.  Halverwege de dertiende eeuw vielen de Mongolen de stad vanuit het noorden binnen en namen haar na herhaalde aanvallen in. De nieuwe keizer liet hier een hoofdstad bouwen. Het was toen voor het eerst het politieke centrum van China en is dat sindsdien gebleven met enkele korte onderbrekingen. In het begin van de vijftiende eeuw kreeg de stad zijn uiteindelijke naam Beijing of Noordelijke Hoofdstad. De nieuwe keizers vernietigden toen elke herinnering aan de voorgaande keizers en bouwden in de stad een nieuw paleis met bijbehorende gebouwen en tempels. Voorts herstelden ze de oude stadmuren volgens een nieuw ontwerp. De keizers van de laatste dynastie restaureerden de tempels en paleizen en verfraaiden de stad met parken, paviljoens en vijvers. In het begin van de twintigste eeuw kozen de nationalisten een andere hoofdstad voor de Republiek China. Maar de communisten riepen halverwege de vorige eeuw Beijing opnieuw uit als hoofdstad van de Volksrepubliek China.

Sedert de vijftiende eeuw is de stad verdeeld in drie gebieden. Het hart wordt gevormd door de Verboden Stad waar vroeger de keizer en zijn gevolg woonden. Deze stad was geheel ommuurd en het leven dat zich er afspeelde was geheel onzichtbaar voor de gewone bevolking.  Rondom de Verboden Stad ligt de zogeheten Binnenstad waar vroeger de woonvertrekken lagen van de ambtenaren. Daarvan is niets meer bewaard gebleven.  In dit gebied bevinden zich tegenwoordig weids aangelegde pleinen en uitgestrekte parken met cultuurmonumenten. Van de vroegere muur rondom de Binnenstad is weinig bewaard gebleven.  Vroeger woonde de bevolking in de Buitenstad aan de rand van het oude centrum. Van deze buitenstad is niets bewaard gebleven. Die heeft plaats moeten maken voor ruim aangelegde pleinen en parken evenals brede wegen en dajie of lanen. Slechts enkele wijkjes met een wirwar van straatjes en steegjes of hutongs staan nog overeind. Daar staan oude huizen met slechts een verdieping rond vierkante binnenplaatsen. De behuizing is er krap en vaak moeten verschillende families keuken en toilet delen. De laatste jaren worden veel van deze vaak eeuwenoude wijkjes afgebroken om plaats te maken voor hoge flats. 

Het Tiananmen Chang of Plein van de Hemelse Vrede ligt op de plaats van de vroegere Binnenstad en werd aangelegd halverwege de zeventiende eeuw.  In die tijd was het plein een stuk kleiner dan tegenwoordig. De communistische leiders hebben later opdracht gegeven om het plein vier keer zo groot te maken voor parades en andere ceremoniële doeleinden. Op het plein bevinden zich verschillende grote communistische gebouwen zoals het mausoleum van Mao en de grote Hal van het Volk die dienst doet als parlementsgebouw.  Aan de zuidkant van het plein ligt nog een oude stadspoort uit het begin van de vijftiende eeuw. Die was vroeger een onderdeel van de muur van de Binnenstad. Aan de noordzijde van het plein bevindt zich de muur van de Verboden Stad met de Poort van de Hemelse Vrede uit het begin van de vijftiende eeuw. Deze hoge, rode stenen poort heeft een dubbel dak van goudgele dakpannen en telt vijf ingangen met daarvoor zeven bruggen over een gracht. De ingangen waren vroeger alleen op feestdagen geopend.  Alleen de keizer mocht van de middelste brug en ingang gebruik maken. Tegenwoordig hangt boven de middelste ingang een portret van Mao. 

De Verboden Stad telt ongeveer vijfhonderd gebouwen. Niemand mocht zonder speciale toestemming het paleiscomplex betreden. Om te verhinderen dat men een tunnel zou graven is het geheel op meerdere lagen stenen gebouwd. Bovendien werden alle bomen in het paleis omgehakt, zodat niemand zich daarachter kon verschuilen. De keizers verlieten het paleis alleen voor speciale gelegenheden. Zij regeerden het land vanuit het paleis en regelden daar alle staatszaken. De houten gebouwen van het keizerlijk paleis hebben rode muren en pilaren. In de balken van de plafonds zijn de kleuren blauw en groen verwerkt en vergulde draken. In de bekleding is vaak de kleur geel opgenomen. Alleen de keizer mocht deze kleur dragen.  Ook de dakpannen van de gebouwen zijn goudgeel. Op de uitstekende hoeken staan figuurtjes van draken en andere dieren om boze geesten af te weren. Bij de gebouwen staan grote bronzen vaten met water om in het geval van een brand snel het vuur te kunnen doven. Voor de ingang staan heilige dieren in brons als symbool van een lang leven en onsterfelijkheid. 

Na de Poort van de Hemelse Vrede en de Rechtopstaande Poort ligt de Meridiaanpoort uit het begin van de vijftiende eeuw.  Deze poort met weer vijf ingangen is de hoofdingang van het keizerlijk paleis of de Verboden Stad. Vanaf de poort inspecteerde de keizer zijn legers als deze na een geslaagde veldtocht terugkeerden. Ambtenaren werden hier ceremonieel met zweepslagen gestraft als de keizer ontevreden was over hun functioneren.  Achter de Meridiaan Poort ligt een gracht en vervolgens de Poort van de Opperste Harmonie. Die geeft toegang tot een enorm binnenplein met drie grote openbare hallen op een marmeren terras. Die hallen vormen het hart van de Verboden Stad. Daarachter ligt een poort naar drie hoofdpaleizen die zijn omgeven door enkele kleinere paleizen. Dit waren de privé vertrekken van de keizer en zijn familie. De meeste van deze gebouwen zijn niet meer dan twee verdiepingen hoog en hebben een binnenhof. De grootte daarvan was afhankelijk van de positie van de hovelingen. Aan beide zijden van de hoofdhallen en daarachter de hoofdpaleizen liggen kleinere gebouwen. Dat waren de opslagruimten en de verblijven van de overige leden van het keizerlijk hof waaronder bedienden en bewakers.  

Van de openbare hallen in de Verboden Stad is de Hal van de Opperste Harmonie het hoogste en belangrijkste gebouw. Als symbool van het keizerlijk gezag mocht in het verleden geen enkel gebouw hoger zijn . Het is gebouwd in de vijftiende eeuw voor ceremoniële aangelegenheden zoals de kroning van een nieuwe keizer, het huwelijk van de keizer, de verjaardag van de keizer en de benoeming van militaire leiders. Als de keizer de ruimte betrad, dan was dit een hele plechtigheid met geluiden van vuurwerk, tromslagen en feestmuziek. In de hal staat een rijk versierde drakentroon. Vanaf deze troon leidde de keizer bijeenkomsten met zijn hoogste ambtenaren zonder tegenspraak te dulden.  Zijn ambtenaren knielden dan voor hem om hun eerbied te tonen. Achter de Hal van de Opperste Harmonie staat de Hal van de Volmaakte Harmonie die als wachtruimte diende voor de keizer. Hier trof hij zijn laatste voorbereidingen, oefende hij zijn toespraken en ontving hij zijn vertrouwelingen. De derde hal is de Hal van Duurzame Harmonie die werd gebruikt voor staatsbanketten en later voor keizerlijke examens. 

De Poort van de Hemelse Zuiverheid scheidt de openbare hallen van de privé-vertrekken van de keizers en de keizerinnen.  Via de poort met aan weerskanten van de trappen vergulde leeuwen, betreedt men de binnenhof met het eerste van drie paleizen. De leeuw met een grote bal  (de bal van de macht) onder zijn poot is de mannelijke leeuw, die met een klein leeuwtje onder de poot is de leeuwin. In het Paleis van de Hemelse Zuiverheid woonden de keizers vanaf de Ming dynastie tot aan het begin van de Qing dynastie. Hierna werd het paleis gebruikt als troonzaal om overheidszaken af te handelen en als ontvangstzaal voor buitenlandse gezanten en hoge ambtenaren. In het midden staat op een verhoging een troon, met erachter een drakenscherm. Verder staan er voorwerpen van symbolische betekenis. Rondom is een balustrade. Het plafond is heel fijn bewerkt en beschilderd. Daarachter bevinden zich het Paleis van Hemel en Aarde en vervolgens het Paleis van Aardse Rust. Vandaar betreedt men de keizerlijke tuinen met rotspartijen, paden en paviljoens. 

Het Zomerpaleis bevindt zich ruim twaalf kilometer ten noordwesten van de Verboden Stad en ligt in een groot park. Het paleiscomplex telt verscheidene hallen evenals tempels, pagoden en paviljoens. Het ligt ingesloten tussen een heuvel aan de noordkant en een groot meer aan de zuidkant dat driekwart van de oppervlakte beslaat. Aan het einde van de negentiende eeuw wees de keizer het park aan voor de bouw van een nieuw buitenpaleis. Sedertdien kwam de keizerlijke familie in de zomer hierheen om te ontspannen en de hitte te ontvluchten. Men stopte veel overheidsgeld in de verfijning van het park. Aan de oever van het meer ligt bijvoorbeeld een marmeren praalboot die is betaald met gelden die eigenlijk bestemd waren voor de modernisering van de zeevloot. Een andere bezienswaardigheid in het park is de Hal van Geluk en Lang Leven waar zich nog de oorspronkelijke meubelen bevinden van de keizerlijke familie en talrijke kostbare kunstvoorwerpen. Midden in het meer ligt een eiland dat met de oever is verbonden door een brug met zeventien bogen. Op het eiland ligt een tempel waar de keizerlijke familie om regen bad.

Bij het plaatsje Mutianyu ten noorden van Beijing slingert de Grote Muur zich door het landschap op een hoogte van ruim duizend meter. De Muur volgt daarbij de kammen van het omringende gebergte. Oorspronkelijk stamt dit gedeelte uit de vijfde eeuw na het begin van onze jaartelling. Toen bestond de muur slechts uit vele tonnen gestampte aarde. In de loop der eeuwen was hij niet voldoende bestand tegen binnendringende vijanden. Daarom raakte hij in verval. De Ming keizers restaureerden de muur en versterkten hem met cement en stenen. De muur kreeg toen op regelmatige afstanden van elkaar dilou of vestingtorens en -poorten.  Hij werd gemiddeld zeven tot acht meter hoog. Sedertdien bestond hij uit een soort dijk van aarde, klei en stenen die aan beide kanten was bekleed met keien. Erbovenop was een borstwering van ongeveer anderhalve meter hoogte. Deze muur deed uitstekend dienst als een soort hooggelegen snelweg om mensen en goederen door bergachtig terrein te vervoeren. Dankzij de torens kon men met rooksignalen snel berichten over vijandelijke troepenbewegingen over grote afstanden verzenden naar de hoofdstad. Na de Ming periode was er weinig aandacht meer en raakte de muur opnieuw in verval. Onlangs heeft men dit gedeelte in oude staat hersteld als herinnering aan het keizerlijke verleden. 

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Xian Video Xian

Xian ligt in het hart van China aan de benedenloop van de Gele Rivier. De stad was al vanaf de elfde eeuw voor het begin van onze jaartelling hoofdstad van China. In de achtste eeuw voor Christus verplaatste men de hoofdstad naar het oosten, maar de eerste keizer van China koos Xian opnieuw tot hoofdstad van zijn rijk. Daarna bleef Xian vele eeuwen lang met slechts enkele korte onderbrekingen de hoofdstad van het Chinese rijk. In de zevende eeuw verfraaiden de Tang keizers de stad met paleizen, tempels en kloosters binnen een nieuwe stadsmuur.  De stad ontwikkelde zich in deze periode tot een wereldstad met meer dan een miljoen inwoners dankzij de zijderoute. Kooplieden uit Arabische gebieden brachten de islam naar Xian. Reizigers uit India brachten het boeddhisme naar de stad. Het keizerlijk hof stond open voor deze ontwikkelingen. In de omgeving vindt men talrijke keizerlijke graven die getuigen van de grote welvaart en culturele bloei in deze periode. In de tiende eeuw verplaatste de keizer de hoofdstad van zijn rijk echter naar het oosten. Daarop raakte de stad in verval. In de vijftiende eeuw herbouwden de nieuwe keizers het centrum van de stad met een grote stadsmuur en stadspoorten. De stad werd echter nooit meer de hoofdstad van het Chinese rijk. 

In de omgeving van Xian ligt het graf van de eerste keizer in China uit de derde eeuw voor Christus. Hij was de stichter van de Qin dynastie die maar korte tijd aan de macht was. Het graf van de keizer is tot op heden niet geopend. Men vermoedt dat het talloze kostbaarheden bevat. In de buurt heeft men een terracotta leger opgegraven dat de overledene tegen vijanden moest beschermen. Het leger omvat duizenden beelden van soldaten, paarden en koetsen in gevechtsformatie. Ze zijn gemaakt van zware klei uit de nabije omgeving. Ze hebben levensgrote afmetingen en zijn van binnen hol. Over het algemeen zijn de gezichten uitdrukkingsloos en is de blik veelal in de verte gericht. Alle soldaten hebben een breed voorhoofd en een grote mond met dikke lippen. Desalniettemin hebben ze individuele gelaatskenmerken. Sommigen hebben snorren, enkele anderen hebben baarden. Het haar is gevlochten in knotjes en de hoofdtooi is steeds verschillend. Alleen officieren dragen helmen. Een klein gedeelte van de soldaten is uitgebeeld in knielende houding. Dat zijn waarschijnlijk de boogschutters die pijl en boog in de hand hielden. Verfresten op de beelden tonen aan dat de beelden ooit gekleurd zijn geweest.

De opgravingen van het terracotta leger zijn verspreid over drie kuilen. Men verwacht in de komende jaren nog meer delen van het leger te ontdekken. De eerste kuil heeft elf evenwijdige gangen met een grijze bakstenen vloer. In iedere gang staan de soldaten vier aan vier opgesteld in gevechtsformatie. Drie rijen van lichtbewapende boogschutters vormen de voorhoede. Zij worden gevolgd door colonnes van zwaarbewapende infanteristen en strijdwagens. De muren van iedere gang zijn gemaakt van gestampte aarde en waren oorspronkelijk voorzien van een houten dak . De steunbalken daarvoor zijn nog te zien. Ook van de houten pilaren zijn nog stukjes over. Bij latere plunderingen is het dak echter in brand gestoken. Tijdens instortingen heeft het dak een gedeelte van de zesduizend terracotta beelden verwoest. In een tweede kuil werden eveneens terracotta soldaten aangetroffen waaronder voetsoldaten, cavaleristen en strijdwagens. In deze kuil is de omtrek van de aarden vestingmuur nog zichtbaar evenals de restanten van een houten overkapping.  Een derde kuil vormde vermoedelijk het hoofdkwartier van het leger en bevat een strijdwagen met een aantal wachten. Eén beeld is groter dan de andere, men veronderstelt dat dit een generaal was.   

Op enkele kilometers ten zuidoosten van het centrum in Xian staat de Grote Wilde Gans pagode. Deze pagode werd gebouwd halverwege de zevende eeuw op verzoek van een monnik toen deze van een pelgrimstocht door India terugkeerde. Hij stelde de keizer voor een grote stenen pagode te bouwen om de door hem meegebrachte boeddhistische geschriften te bewaren. De monnik werd abt van het klooster en wijdde zijn verdere leven aan het vertalen van boeddhistische geschriften in het Chinees. De pagode is genoemd naar de Grote Wilde Gans pagode in India waar ooit een gans uit de hemel viel als antwoord op de gebeden van een groep uitgehongerde monniken. Ooit was de pagode onderdeel van een groot kloostercomplex dat gold als het centrum van boeddhistische kunst en wetenschap in Oost Azië. Sommige keizers veroordeelden echter deze uitheemse godsdienst en probeerden de macht en rijkdom van het klooster te beperken. Halverwege de negende eeuw werden de monniken vervolgd en bijna alle gebouwen vernietigd. De Grote Wilde Gans pagode is het enige bouwwerk dat nog is overgebleven van het vroegere klooster. Het gebouw is nadien verscheidene malen vernieuwd en hersteld. 

In het centrum van Xian ligt de Grote Moskee. De moskee ligt in een moslimwijk waar veel Hui of  moslims wonen en werken. Deze moslims zijn afstammelingen van de Arabische kooplieden die via de zijderoute China binnenkwamen en er zich vestigden. De moskee is gesticht in de achtste eeuw. De meeste gebouwen zijn echter van later tijd. Er zijn enkele keren restauraties uitgevoerd, waarbij de moskee tegelijkertijd werd uitgebreid. Het terrein van de moskee is omringd door een muur en telt vier binnenhoven met tuinen, bijgebouwen en paviljoens in Chinese stijl. De eerste binnenhof heeft een houten boog. De tweede binnenhof heeft een stenen boog. Bij de ingang naar de derde binnenhof staat een hal met eeuwenoude tafelen die zijn gegraveerd in het Chinees en Arabisch. In het midden van deze hof staat een achthoekige pagode met een drievoudig dak met typisch Chinese dakpannen. De pagode doet dienst als een minaret voor de moskee. In de vierde en voornaamste binnenhof bevindt zich de gebedshal die dateert van de Ming dynastie. Het verzonken plafond bestaat uit panelen met elk verschillende inscripties in het Arabisch. De mihrab of gebedsnis heeft fraai houtsnijwerk.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Xiahe Video Xiahe

Xiahe is een dorpje van dertienduizend inwoners op drieduizend meter hoogte in het noordwesten van China. Het dorpje was vroeger een belangrijke grensplaats aan de zijderoute vanwege zijn verbinding met de Tibetaanse hooglanden. In het begin van de achttiende eeuw heeft een plaatselijke geestelijke er een klooster gesticht. Van daaruit zijn overal in het land verwante deelkloosters opgericht. Dit Labrang klooster is één van de meest invloedrijke kloosters van het lamaïsme of  Tibetaanse boeddhisme. Deze godsdienst is een mengeling van het boeddhisme met mystieke praktijken uit inheemse natuurgodsdiensten. Het hecht grote betekenis aan geheimzinnige symbolen en rituelen. Vóór de stichting van de communistische volksrepubliek China woonden drieduizend monniken in het klooster. Vooral tijdens de Culturele Revolutie werden de gebouwen en de kunstschatten op grote schaal verwoest en werden de monniken gedwongen een andere levensvervulling te zoeken. Tegenwoordig zijn de gebouwen grotendeels hersteld en wonen er weer zo'n tweeduizend monniken uit alle delen van het land. Het klooster is een omvangrijk centrum van kunst en wetenschap met een grote hoeveelheid kostbare heilige geschriften.

Het Labrang klooster telt zes gebedsruimten, vierentachtig tempels met afbeeldingen van Boeddha en meer dan vijfhonderd woon- en slaapvertrekken voor de monniken. Het herbergt bovendien zes academische opleidingen op het gebied van filosofie, almanak, astronomie, kunsten, medicijnen en logica. De gebouwen op het kloosterterrein zijn alle gemaakt van steen en klei met houten balken. De gebedsruimten zijn herkenbaar aan de lichtgroene daken van kwartskristal. De muur heeft onder het dak een donkerbruine kleur om de verheven status van het gebouw te benadrukken. De tempels met afbeeldingen van Boeddha zijn verschillend van omvang. Er is één tempel met maar liefst zeven verdiepingen en daarnaast zijn er verscheidene andere tempels die eveneens meerdere verdiepingen hebben. Het grootste beeld van Boeddha in het klooster is tien meter hoog en het kleinste beeld is slechts enkele centimeters hoog.  In de tempels zijn naast de vele beeldhouwwerken ook godsdienstige muurschilderingen te bewonderen. De monniken hebben sommige kunstwerken zelf geboetseerd met behulp van vette jak boter en vervolgens kleurrijk beschilderd.  Op het kloosterterrein is voorts een drukkerij gevestigd die uitgaven verzorgt op het gebied van boeddhistische kunst en wetenschap. 

In het Labrang klooster zijn de symbolen herkenbaar van het Tibetaanse boeddhisme duidelijk herkenbaar. Op het dak staan vergulde metalen cilinders gevuld met mantra's of heilige teksten. Daarnaast staat ook het dharma wiel dat het traditionele symbool is van de boeddhistische prediking geflankeerd door twee herten. In het klooster hangen thangka's of rolschilderingen van de monniken. Ze zijn gemaakt op katoen, zijde of papier en beelden godsdienstige voorstellingen af. Ze hebben onderaan een zware houten stok om de schildering op te kunnen rollen voor opslag of vervoer.  Sommige van deze schilderingen beelden een mandala uit of een geometrische voorstelling die symbool is van geest en lichaam van Boeddha. Het ontwerp is gebaseerd op cirkels en vierkanten met één centraal punt om de meditatie te ondersteunen. Op het kloosterterrein staan ook verscheidene stoepa's die de geest van Boeddha symboliseren. De vierkante basis stelt de aarde voor, de ronde vorm het water, de toren het vuur en het bovenste gedeelte lucht en ruimte. De ringen rond de toren zijn de stadia die men moet doorlopen om in de hemel te komen.

De monniken in het Labrang klooster behoren tot de orde van de gelugpa. Zij leven celibatair en zijn herkenbaar aan hun gele hoofdbedekking. Van jongs af aan krijgen ze er een opvoeding en verwerven zodoende een groot aanzien voor het gezin waaruit ze afkomstig zijn. Ze worden gewoonlijk al op hun zevende jaar monnik. Alleen de intelligente jongens kunnen deelnemen aan een studieleven binnen de kloosterscholen. Na een lange studie kunnen zij lama of abt van het klooster worden. Velen worden echter schrijver, dichter of kunstenaar en beschrijven godsdienstige voorstellingen of beelden die uit. Anderen worden dokter, onderwijzer of administrateur en beheren de goederen van het klooster. De hoogste leiding in het klooster is in handen van de lama die vaak op jonge leeftijd is ontdekt als incarnatie van een vroegere heilige. Helemaal bovenaan staat de Dalai Lama of Oceaan van Wijsheid en de Panchen Lama of Grote Leraar. De status van de monniken is herkenbaar aan hun kleding. De rapjung of prenovicen hebben een bruinachtig rode pij, de getsul of novicen hebben een donkerrode pij en de gelong hebben eveneens een donkerrode pij. 

Niet alleen het klooster en zijn bewoners trekken de aandacht, maar vooral ook de honderden pelgrims die dagelijks van heinde en verre toestromen in hun beste kleding. De vrouwen hebben donkere gewaden afgezet met een band van felle kleuren. Daaronder dragen zij felgekleurde kleding. Hun lange zwarte haren dragen zij in vlechten, die aan de uiteinden aan elkaar zijn gebonden. Alle pelgrims volgen de drie kilometer lange korlam of pelgrimsroute die om het klooster heenloopt. Zij lopen deze ronde in de richting van de wijzers van de klok zoals de planeten zich rond de zon bewegen. Langs de route staan in lange, laag gebouwde galerijen vele honderden manikhorkor of gebedswielen. De galerijen worden af en toe onderbroken door een grote hal met daarin Boeddha beelden rondom een enorm gebedswiel. Het is de bedoeling dat de pelgrim alle gebedswielen een keer aan het draaien brengt. Door het draaien van het wiel worden de soetra's of gebeden gelezen waarmee men zijn geloof betuigt. Tijdens hun tocht murmelen de pelgrims de naam van Boeddha in series van honderd maal. Om de tel niet kwijt te raken hebben ze een rozenkrans in de hand. Als de rozenkrans niet in gebruik is, houden ze hem als een ketting rond de pols gedraaid of dragen ze hem om de hals. 

Terug naar inhoudsopgave

 

Dali Video Dali Wase Xizhou

Dali ligt in het zuidwesten van China op een hoogte van tweeduizend meter. Hier woonden reeds vóór het begin van onze jaartelling mensen van de Bai minderheid.  In de derde eeuw voor Christus vonden zij hier een doorgang naar Birma en India. De eerste keizer van China bracht het gebied onder zijn gezag. Sedertdien waren de reeds bestaande handelsroutes onderdeel van een groter handelsnetwerk. In het midden van de zevende eeuw vestigden de bewoners in de regio een eigen koninkrijk Nanzhao of Zuidelijke Stam ten zuiden van Dali. Aanvankelijk vormde dit koninkrijk een verbond met de Chinese keizers. Maar geleidelijk breidde het zijn macht uit om halverwege de achtste eeuw de legers van de keizer te verslaan. Sedertdien vormden de bewoners een welvarend en volledig onafhankelijk koninkrijk dat de handelsroutes controleerde van China naar India en Birma. In de tiende eeuw wierp een plaatselijke hoofdman het Nanzhao koninkrijk omver. Hij stichtte een eigen koninkrijk rond de hoofdstad Dali. Halverwege de dertiende eeuw onderwierpen de Mongoolse keizers het nieuwe rijk. De latere keizers zagen het zuidwesten als een weinig aantrekkelijk buitengewest en gebruikten het gebied om er ongewenste personen te laten verdwijnen. 

Dali stamt uit het midden van de achtste eeuw en is gebouwd door de toenmalige koning van Nanzhao. Het stadje ligt op een smal bergplateau ingesloten door een meer en een bergketen. De stad heeft een rechthoekige stadsmuur. De vroegere zuidelijke poort is later door een stadsuitbreiding in het centrum komen te liggen. In het zuiden is een nieuwe stadsmuur opgetrokken. De hoofdstraat loopt van noord naar zuid. Het is een brede laan met aan beide zijden een rij bomen. Vanuit de nabijgelegen bergen leiden watertunnels onder de stadsmuur door naar beide zijden van de laan. Langs de laan liggen de huizen die alle een eigen binnenhof met een veranda hebben. De achtermuur van de huizen is van graniet en de voorkant met ramen en deuren is van hout. De deuren en ramen hebben houtsnijwerk. De huizen hebben twee verdiepingen waarvan de bovenste in gebruik is als opslagruimte. Op het dak van de huizen liggen dakpannen. Halverwege de dertiger jaren van de vorige eeuw waren de muren gepleisterd en onder het dak versierd met witte en zwarte arabesken als herinnering aan de aanwezigheid van vroegere Mongoolse keizers. 

Dali ligt van oudsher in het gebied van de karavaanroutes die van oost naar west trekken en van noord naar zuid richting Tibet, Birma en India. Plaatselijke vervoerders, voornamelijk moslims en Chinezen, transporteren op hun muilezels in groepen van ongeveer vijftig dieren de kostbare lading die bestaat uit thee, zijde en katoen over berg en dal langs woeste rivieren en door diepe kloven en dichte wouden. Ongeveer tien mannen begeleiden de muilezels. Ze zijn voortdurend onderweg met hun vracht over onverharde paden die glibberig zijn als het heeft geregend. De muilezels zijn bekend met de paden in het bergachtige terrein die ze reeds vele malen hebben gelopen. Zo zijn ze ongeveer twee weken op pad en ze stoppen onderweg alleen in karavaan serails met stallen en schamele slaapvertrekken waar men goedkope maaltijden serveert.  Ze mijden angstvallig de drukke stadskernen die een vlotte doorgang van het handelsvervoer hinderen. Eenmaal op de plaats van bestemming laadt men de vracht over voor het volgende deel van de reis. Die is in handen van andere vervoerders die beter bekend zijn met de plaatselijke omstandigheden van het terrein. Ter plaatse neem men voor de terugweg een nieuwe vracht aan handelswaar in ontvangst.    

Dali en omgeving zijn van oudsher de woonplaats van de Bai bevolking. De Bai zijn in hoofdzaak boeren die zich al eeuwenlang toeleggen op de verbouw van rijst. Daarnaast verbouwden zij opium als een marktgewas dat veel inkomsten opleverde totdat het verboden werd. Sindsdien is de bevolking uitsluitend aangewezen op de verbouw van rijst als hoofdgewas en tarwe als tweede gewas voor de winterperiode. Zowel mannen als vrouwen werken op het veld.  De verkoop op de markt is voor de vrouwen die hun vracht in manden naar de stad vervoeren. Als extra steun dragen zij een band om het hoofd die de zware mand in evenwicht moet houden. De vrouwen hebben voorts nog huishoudelijke taken als zij terugkomen van het werk op het veld of in de stad. De dorpjes langs het meer leggen zich toe op de landbouw en visserij. Opvallend is dat men de mogelijkheden van de omringende bergen niet benut. Er is geen veeteelt op de alpenweiden. Evenmin is er jacht of verzameling van vruchten in de bossen op de berghellingen. Slechts op bescheiden schaal vindt er houtkap plaats voor de versiering van de voorgevels in de stad. Ook delft men er graniet om de achtergevels in de stad te versieren.  

In de stad woont van oudsher familie van de boeren in de omgeving. Ze hebben op de benedenverdieping van hun woning kleine bedrijfjes ingericht zoals naai- en borduur ateliers, steenhouwerijen, hoeden- en schoenmakerijen. Ze vervaardigen er hun ambachtelijke producten volgens plaatselijke traditie. Zij verkopen deze producten doorgaans in hun eigen werkplaats. Daar hebben ze in een apart gedeelte een winkeltje ingericht. Daarnaast zijn er slagerijen, bakkerijen en theehuizen. Ook rijke landheren hebben een woning in de stad waar zij elkaars gezelschap zoeken met talrijke uitnodigingen voor een avondmaaltijd aan huis. Ook bezoeken zij graag de markten waar plaatselijke handelaren hun koopwaar aanbieden of brengen ze een bezoek aan een van de vele bedrijfjes en winkeltjes.  Periodiek zijn er grotere markten waar handelaren uit de hele regio op af komen zoals paardenhandelaren uit Tibet en koper- en aardewerkhandelaren uit Lijiang. Verder wonen in de stad zelfstandige ondernemers en kooplieden van buiten de regio die in de geldhandel zitten of (import) goederen verkopen. Deze mensen zijn afkomstig uit andere delen van het land en hebben doorgaans geen familie onder de boerenbevolking. 

Dali is in de loop van de twintigste eeuw flink veranderd. Buiten de stadspoorten en de gerestaureerde stadsmuur is er weinig bewaard gebleven van de oorspronkelijke architectuur. Het plaveisel van de keistenen in de straten en enkele stenen gebouwen zijn eveneens herinneringen aan het verleden van de stad. Datzelfde geldt voor drie pagoden uit de negende eeuw in de nabijheid van de stad die zijn gebouwd door bouwkundigen uit Xian. Veel oude woningen zijn echter in verval geraakt en hebben plaats gemaakt voor nieuwbouw. De vroegere bewoners zijn vertrokken en moderne ondernemers hebben hun plaats ingenomen. Velen zijn afkomstig van buiten de regio en hebben verder geen familie in de omgeving. In de stad zijn nog nauwelijks traditionele bedrijfjes te vinden en de kleurrijke markten van vroeger zijn nagenoeg verdwenen. In plaats daarvan beheersen tegenwoordig talloze souvenirwinkels het straatbeeld. De souvenirs worden vervaardigd in moderne fabrieken buiten de regio en aangevoerd langs moderne autowegen. De vroegere handelskaravanen trekken niet meer door het gebied. De toeristenindustrie heeft de stad veroverd die  wordt bezocht door drommen toeristen uit het gehele land. In de drukte vallen de Bai bewoners nauwelijks op.  

Ruim twintig kilometer ten noorden van Dali ligt het oude plaatsje Xizhou waar dagelijks een kleurrijke markt is. Op de markt wordt vooral plaatselijke handelswaar verkocht zoals vis, vlees, groenten, graan en traditionele nijverheid producten als batik kleding en borduurwerk. De stof voor de batik hemden wordt volgens voorschrift in speciale bedrijfjes vervaardigd. Nadat het patroon op de stof is aangebracht, wordt dat gedeelte van de stof dat wit moet blijven, dichtgenaaid met kralen erop. Daarna wordt de stof in een ronde houten tobbe met een donkerblauwe verfstof gedoopt. Tenslotte wordt de stof gedroogd. In Xizhou is de oorspronkelijke Bai architectuur nog goed bewaard gebleven en hebben sommige theehuizen hun karakteristieke uiterlijk behouden. Voor een van deze theehuizen verzamelen zich Bai vrouwen in plaatselijke klederdracht bij hun terugkeer van de markt. De traditionele Bai klederdracht vindt men ook in Wase een dorp aan de oevers van het nabijgelegen meer met een plaatselijke markt. Daar verkoopt men fruit afkomstig van de talrijke boomgaarden op de droge oostelijke oevers. Men verkoopt er ook brandhout, marmer en graniet afkomstig van de bergen langs de westoever. Deze producten voert men aan per boot en zowel handel als transport zijn in handen van de Bai. 

De Bai onderscheiden zich niet alleen in hun kleding van de bevolking elders in China. Ook in hun spreektaal onderscheiden zij zich, hoewel de meesten van hen inmiddels tweetalig zijn. Daarnaast onderscheiden zij zich in hun sociale relaties. Bij de Bai bevolking regelen de ouders door tussenkomst van een bevriend huwelijksbemiddelaar de bruiloft van hun kinderen. Het is niet toegestaan dat zij vóór het huwelijk intieme betrekkingen hebben. De ouders van de man betalen voor het huwelijk een bruidsschat aan de ouders van de vrouw. Het komt desalniettemin voor dat een jonge vrouw zich laat ontvoeren door een geliefde die niet is uitgekozen door haar ouders. Men aanvaardt dit op voorwaarde dat het liefdespaar alsnog in het huwelijk treedt en de ouders schadeloos stelt. De vrouw komt in de hao of het ouderlijk huis van haar man te wonen. Zolang de ouders leven blijven de getrouwde zonen er wonen met hun gezin en de rest van de familie.  Echtscheidingen waarbij de vrouw terugkeert naar het huis van haar ouders komen nauwelijks voor. In de rijkere families komt het een enkele keer voor dat de man een bijvrouw neemt als het huwelijk niet slaagt en nageslacht uitblijft. Sommige rijken hebben een dienstmeisje dat afkomstig is uit een arme boerenfamilie.

Bij de Bai bevolking is van oudsher de familie de hoeksteen van de samenleving. Maar ook de dorpsgemeenschap is van groot belang. Dorpsgenoten vereren doorgaans een gemeenschappelijke voorouder of ber dser die bekend staat als de stichter van de nederzetting. Hij wordt doorgaans vereerd door verschillende families in hetzelfde dorp. De Bai trouwen alleen met hun eigen dorpsgenoten. Het komt zelfs voor dat mensen met dezelfde achternaam met elkaar trouwen. Ook daarin onderscheiden zij zich van de bevolking elders in China. De overheid heeft in het verleden hard ingegrepen in deze plaatselijke gewoonten en gebruiken. Tegenwoordig stelt men zich daarin veel terughoudender op. Maar veel tradities dreigen te verdwijnen door de groei van de toeristen industrie en door de opkomst van een nieuwe stedelijke middenklasse die afkomstig is van buiten de regio. Daardoor maakt men kennis met nieuwe kledingstijlen en samenlevingsverbanden. Ook in de spreektaal dreigen traditionele termen en uitdrukkingen te verdwijnen. In de spreektaal dringen steeds meer Chinese begrippen door hoewel ze een karakteristieke plaatselijke klankkleur krijgen. Het moderne onderwijs levert een niet geringe bijdrage aan deze teloorgang van oude tradities. 

Tegenwoordig is de godsdienst van de Bai een mengeling van Chinese invloeden met lokale geesten- en godenverering. Net als veel anderen voeren zij rituelen uit ter ere van hun voorouders bij een huisaltaar. Zij vereren daarentegen slechts enkele boeddhistische heiligen. Die beschouwen ze als goden die bescherming bieden tegen kwade invloeden.  Zij zien Kuan Yin als de belangrijkste godin van de genade waaraan alle andere goden ondergeschikt zijn. Ook aanbidden zij Tung Yueh een taoïstische god van de onderwereld. Die bevrijdt de overledenen van hun aardse kwellingen, en bevordert tevens de vruchtbaarheid van kinderloze vrouwen. Deze godheden hebben hun eigen festivals waar men wierookstokjes brandt en geestengeld verbrandt. Daarnaast zijn er festivals voor lokale godheden zoals Lur Wa de drakenkoning van het meer en Sai Sur de berggod waarbij men dezelfde rituelen hanteert. Daarnaast zijn er verscheidene ser of geesten die minder in aanzien staan en die men alleen vereert in kleine tempeltjes of bij zelfgemaakte altaartjes. Men vindt ze langs verkeerswegen, bij waterbronnen, rotsformaties en in bosstroken. In de dorpen maakt men nog gebruik van sai dser of sjamanen die in geval van ziekte de kwade geesten verdrijven door dansen en bezweringen. 

 

Terug naar inhoudsopgave

   

Lijiang Video Lijiang Baisha

Lijiang ligt honderdzestig kilometer ten noorden van Dali. Het stadje bevindt zich in een vallei op een hoogte van ruim tweeënhalf duizend meter. De bevolking bestaat grotendeels uit leden van de Naxi minderheid. Die was in de vierde eeuw vanuit de bergen van Noordwest China verdreven door binnenvallende nomaden. Op hun tocht naar het zuiden kwamen zij terecht in het gebied rondom Lijiang. Daar stichtten zij een vorstendom dat later door het Nanzhao koninkrijk werd veroverd. Lange tijd was Lijiang het eindpunt van de karavaanroute van Tibet naar China en traden de Naxi op als bemiddelaars. In de dertiende eeuw hebben de Mongoolse keizers het gebied ingelijfd bij de rest van hun rijk. Door de geïsoleerde ligging heeft Lijiang in de geschiedenis verder geen rol van betekenis gespeeld. Het stadje is eeuwenlang ongemoeid gelaten en heeft veel van zijn oude stratenpatroon behouden. De straatjes rondom het oude marktplein zijn met keistenen geplaveid. De houten huizen bestaan uit twee verdiepingen en zijn gebouwd rond een centrale binnenplaats van keistenen in geometrische motieven met daarnaast bomen en plantenVroeger was de bovenverdieping een opslagruimte en woonde men op de begane grond. Tegenwoordig vindt men overal in het stadje op de begane grond winkeltjes, restaurantjes of herbergjes. In de gehele stad zijn waterkanalen aangelegd en waterbronnen in drie lagen. Uit de bovenste laag dronk men vroeger water. In de middelste laag waste men voedsel. In de onderste laag waste men kleding. Een recente aardbeving heeft helaas veel gebouwen verwoest. Ze worden echter gerestaureerd in de oorspronkelijke stijl.

De Naxi vormen een samenleving waarin de vrouwen van oudsher een belangrijke plaats hebben. De vrouwen hadden tot voor kort  binnen de yidu of familie de leiding in het werk en het huishouden. De dabu of familiehoofd was een vrouw die het vermogen van de familie beheerde en de werkzaamheden verdeelde. De familie bestond uit drie of vier generaties bewoners die een gezamenlijk huishouden voerden met de oudste vrouw doorgaans aan het hoofd van het huishouden.  Bij het overlijden van de dabu ging haar taak over op de meest bekwame dochter. Die erfde ook het gehele familiebezit. In het geval van een meningsverschil velden de vrouwen een oordeel. De mannen woonden en werkten hun leven lang in het familiehuis van hun moeder. De nacht brachten zij door in de woning van hun partner. Kinderen uit deze tisese relatie behoorden toe aan de familie van de vrouw. De vrouwen droegen er gezamenlijk zorg voor hun opvoeding als emi of pleegmoeder. Soms wist het kind niet eens wie zijn biologische moeder was. De mannen zorgden voor de kinderen van hun zusters en de overige vrouwen in de familie. Tegenwoordig zijn veel van deze tradities in onbruik geraakt. Slechts bij een kleine subgroep zijn ze nog in zwang. 

In vroeger tijden leidden de Naxi vrouwen het familiebedrijf en onderhandelden zij op het marktplein met de kooplieden van de handelskaravaan uit India en Birma. Daar waren zij te vinden in de talrijke herbergjes, restaurantjes en winkeltjes waar de kooplieden hun handelwaar in- en verkochten. Daarnaast leidden de Naxi vrouwen uiteenlopende bedrijfjes die zich toelegden op verschillende vormen van plattelandsnijverheid zoals meubelmakerijen, schoenmakerijen, koperslagerijen en weverijen. Tegenwoordig beheersen de Naxi vrouwen nog steeds het economische en sociale leven in en rondom het centrum van Lijiang. Zij zijn vooral te vinden op het marktplein waar zij onder meer een levendige handel hebben in  traditioneel gemaakte bakkersproductenOok vindt men er winkeltjes waar traditionele Naxi kleding te koop is.

De kleding van de Naxi vrouwen is in honderden jaren niet veranderd. Zij dragen een blauw hemd en broek met een blauw of zwart schort. Daarboven dragen zij een cape in T-vorm. De cape biedt bescherming tegen de zware manden die de vrouwen moeten dragen. Het bovenste gedeelte aan de achterkant is een donkerblauwe band en stelt de donkere nacht voor. De onderste helft is gemaakt van roomkleurige zijde of schapenhuid en staat voor het daglicht. De twee helften zijn gescheiden door een zevental rondjes die de sterren en de maan symboliseren. Vroeger werden op iedere schouder van de cape ook twee grotere cirkels aangebracht. Die moesten de ogen voorstellen van een kikker. Dat was tot de vijftiende eeuw een belangrijke godheid van de Naxi. Het geloof in een natuurgodsdienst is echter minder geworden in de gemeenschap. Met het verdwijnen van hun animistische geloof raakten ook de kikker ogen uit de mode. Maar de naam van het kledingstuk herinnert nog steeds aan het oude geloof. Tegenwoordig is de godsdienst van de Naxi een bonte mengeling van Tibetaans boeddhisme, islam en taoïsme.  

Van oudsher waren de lokale heersers van het mannelijk geslacht. De Naxi mannen waren ook de hoeders van de tradities in de gemeenschap. De dongba's of sjamanen waren bemiddelaars tussen de mensen en de geestenwereld. Zij waren verantwoordelijk voor het overbrengen van de leer van de stam in een eigen beeldschrift. Zij waren ook de enigen die het unieke pictogrammenschrift konden lezen en schrijven. Dat was overigens geen echte schriftelijke weergave van de gesproken taal, maar veeleer een ondersteuning van hun sjamaanse praktijken door middel van symbolen. Die dienden als geheugensteun voor hun smeekbeden en bezweringen aan de geestenwereld. De Dongba rituelen gaan gepaard met zang en dans om de aandacht van de geesten te trekken. Men kan ze in drie groepen verdelen: zoenoffers aan geesten en voorouders, bevrijding van hun zonden begaan door overledenen en verdrijving van kwade geesten in het algemeen. In het sociale en economische leven hebben de meeste Naxi mannen van oudsher een ondergeschikte rol. Velen van hen verrichten werkzaamheden als tuinman of kinderverzorger. Anderen leggen zich toe op het maken van muziek. De muziek was van oorsprong afkomstig uit taoïstische plechtigheden die door de Mongolen in de dertiende eeuw naar Lijiang werd gebracht. Daar is de muziek bewaard gebleven en vermengd met inheemse elementen. De laatste jaren herleven de traditionele muziek orkesten weer na een ban tijdens de Culturele Revolutie. Naast deze taken hebben de mannen altijd de tijd gehad om hun passie voor paarden uit te leven. De Naxi mannen gaan doorgaans gekleed in het zwart of donkerblauw. 

Terug naar inhoudsopgave

 

Zhongdien Video Zhongdien

Het plaatsje Zhongdien ligt bijna tweehonderd kilometer ten noordwesten van Lijiang. Het dorp ligt op ruim drieduizend meter hoogte aan de grens met Tibet. In de omgeving zijn uitgestrekte ganjia of graslanden. Er wonen voornamelijk Tibetanen: (1) de boeren die op één plaats blijven, het land bebouwen en handel drijven; (2) de nomaden of  drokpa's die met hun families en kuddes vee rondtrekken. De boeren leven vooral in de vruchtbare dorpsvallei, maar ook op de hooggelegen bergweiden. In het dorp bestaat een boerenwoning meestal uit twee verdiepingen met een plat dak. De woning is gemaakt van hout of gedroogde kleiblokken. Op de begane grond is de ingang, een hal met keuken en een bijkamer of opslagruimte. In de keuken staat een kang of bed van baksteen waaronder een houtvuur wordt geplaatst voor warmte tijdens de koude wintermaanden. Op de bovenste verdieping liggen de woonvertrekken. De boeren op de bergweiden wonen in kleine berghutten. Regelmatig gaan ze naar het dorp om voorraden in te slaan. De nomaden of drokpa's daarentegen leven met hun families en kuddes vee op de hoogvlakten en verblijven in tenten met vijf tot zes personen. In de zomer wonen zij in lichte katoenen tenten met een kleurige opdruk. In de winter leven zij in donkere tenten van jak haar. Het vuur van gedroogde mest dient als kookplaats en verwarmt dan de tent. De rook gaat door een pijpje via het dak naar buiten. 

In het algemeen dragen de Tibetanen nog traditionele kleding. Mannen dragen een chuba of zware mantel van wol of schapenvacht. Die wordt vanaf één schouder en rond het middel bijeengehouden door een brede leren of geweven riem. Daaronder dragen zij persoonlijke dingen zoals een mes. Bij de mannen reikt de chuba gewoonlijk tot op de knie. Bij de vrouwen reikt die tot op de enkels. Bovendien zijn de mouwen korter. Onder de chuba draagt men vaak gekleurde of vilten laarzen met leren zolen. De mannen dragen verschillende soorten hoofddeksels. De vrouwen dragen over hun jurk een felgekleurd schortje, bestaande uit drie geweven banen stof met horizontale strepen. De vrouwen dragen sieraden die hun rijkdom toont zoals koralen halskettingen en zilveren haarspelden, armbanden of ringen. Ook dragen zij vaak om de hals fraai bewerkte talismannen en gawu of gouden dan wel zilveren doosjes met daarin relikwieën en mantra's. De talismannen zijn afbeeldingen van beschermheiligen tegen ongeluk en kwade invloeden.  Mannen én vrouwen dragen aan de ceintuur een tasje waarin zij vroeger vuursteentjes bewaarden. De vrouwen dragen het haar in twee vlechten, die over het hoofd heen worden gebonden met een felgekleurd lint erdoorheen. Als hoofddeksel hebben zij vaak een kleurige vierkant gevouwen sjaal. 

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Yangshuo

In het afgelegen zuidoosten van China  ligt het plaatsje Yangshuo omsloten door bergketens. In de derde eeuw voor Christus wisten legers van de eerste keizer het gebied te veroveren op de oorspronkelijke bevolking. De omgeving is vooral bekend om zijn unieke landschap van met groen bedekte kalksteenformaties temidden van rijstvelden. Ooit was het gebied een zeebedding van kalksteen. Door aardverschuivingen ontstonden plateaus en valleien en werden honderden karst of kalksteenformaties gevormd. Eeuwenlange erosie door een combinatie van wind, zeewater en regen zorgde voor de grillige vormen van de kalksteenformaties. Ze hebben er verschillende bijnamen aan overgehouden zoals de Maanheuvel. Deze heuvel in de omgeving van Yangshuo heeft een gat in de vorm van een maan. In de omgeving van Yangshuo vist men nog op een traditionele manier, waarbij de visser gebruik maakt van aalscholvers. Deze vogels staan op smalle bootjes van bamboerietstengels en halen visjes uit de rivier voor de visser. De vogels hebben een ring om hun nek en kunnen om die reden de vis niet doorslikken. Als ze een vis hebben gevangen, dan haalt de visser ze met een haak uit het water. Vervolgens laat hij ze de vis in een mand uitspugen. 

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Ping An Video Ping'an

Op honderd kilometer ten noordwesten van Yangshuo ligt het dorpje Ping An. Het dorpje ligt op een hoogte van duizend meter en is geheel omsloten door bergketens. Het dorpje heeft uitsluitend bergpaadjes met stenen trappen waarop geen verkeer mogelijk is. gebouwen in het dorp zijn gemaakt van hout. Ze zijn gebouwd tegen de berghelling en steunen op houten pilaren. Sommige zijn enkele honderden jaren oud. Het onderste deel van een gebouw gebruikt men om voorraden op te slaan en het vee onder te brengen. Dit gedeelte is doorgaans afgesloten met stenen en rotsblokken. Daarbovenop telt het gebouw een tweede verdieping met een veranda. Dat is het eigenlijke woongedeelte. Aan de voorkant van het gebouw bevindt zich doorgaans een grote kamer waar men verblijf houdt en handenarbeid verricht. Aan de achterkant bevindt zich de keuken waar men het voedsel bereidt. Daar bevinden zich tevens de slaapvertrekken. 

Ping An is van oudsher een dorp van rijstboeren. Ze verbouwen daarnaast ook graan en zoete aardappelen. In hun groentetuinen telen zij vooral pepers, knoflook, radijzen en bamboespruiten naast komkommers en tomaten. In en rondom het dorp treft men mensen aan van de Yao minderheid. Die zijn van oorsprong afkomstig uit een gebied langs de Yangtze rivier in het centrale zuiden van China. Ze trokken zich zeshonderd jaar geleden terug in de regio rond Ping An toen steeds meer Han Chinezen zich in hun oorspronkelijke woongebied vestigden. Ze ontdekten dat er in de bergen rondom Ping An natuurlijke bronnen zitten die het water omhoogstuwen naar de top. Vele generaties hebben sedertdien de berghellingen getransformeerd in terrassen. Het water wordt in bamboe pijpen langs de terrassen geleid en de natte rijstbouw is sindsdien de bron van hun bestaan. De terrassen hebben de berghellingen doen kartelen en daarom wordt het hele gebied ook aangeduid als Longsheng of Drakenrug. Omdat de rijstterrassen tegen een steile berghelling op liggen, is het niet mogelijk om de velden te ploegen met behulp van een brede ossenkar. In plaats daarvan trekken de vrouwen zelf een smalle ploeg voort door de rijstvelden. 

De kleurrijk geklede Yao vrouwen zijn bekend om hun lange haar. Dat laten ze groeien totdat ze geslachtsrijp zijn. Dan wordt het haar afgeknipt en als haarstuk ingevlochten in het haar dat ze weer laten groeien. Ze binden het haar op in een zwarte glimmende spiraalvorm en daaromheen wikkelen ze een zwarte tulband van wol of katoen. De tulband knopen zij in verschillende vormen met doorgaans een knot aan de voorzijde. Ook in de rest van hun kleding onderscheiden zij zich van andere bevolkingsgroepen. Ze dragen een roze vestje waarvan de mouwen met de hand zijn geweven in geometrische motieven. De kraag is met de hand geborduurd. Om hun middel dragen zij een geborduurde band waaraan zilverkleurige trossen hangen. Daaronder dragen zij een geplooide rok tot aan de knieën met een zwarte legging. De vrouwen hebben een voorkeur voor zilveren sieraden. Ze dragen zilveren oorringen die hun oorlellen uitrekken en zilveren armbanden met motieven van vogels en bloemen erop. Ook de mannen dragen soms zilveren sieraden. Maar voor het overige onderscheiden zij zich in hun kleding niet van de rest van de bevolking. Net als menig ander geven zij de voorkeur aan een hemd en daaronder een broek. 

De Yao hebben een eigen spreektaal. Omdat ze over een groot gebied verspreid wonen zijn er plaatselijke dialecten ontstaan met aanzienlijke verschillen. De meesten van hen beheersen daarnaast ook het Chinees. Dat is ook hun schrijftaal omdat ze geen eigen schrift hebben ontwikkeld. Ze zijn trots op hun mondelinge overlevering in de vorm van liederen die ze van generatie op generatie doorgeven. Daarin bezingen ze onder meer hun eigen geschiedenis. Maar ook zingen ze over de schepping van hemel en aarde. Ze zijn soms ernstig over de zin van het bestaan. Maar soms ook vertellen ze een vrolijk verhaal. Van oudsher betuigen jonge stellen hun liefde voor elkaar in een lied. Liederen zijn op die manier een wezenlijk onderdeel geworden van hun levenswijze. Als begeleiding gebruiken ze een lange trommel waarmee ze tevens een goede oogst vieren en hun voorouders vereren. Sommige van deze trommels zijn versierd met vogels, bloemen, draken en feniksen. Andere hebben bellen in het midden en aan de uiteinden. Daarnaast hebben ze houten blaasinstrumenten. Uit hun liederen blijkt vaak ook hun godsdienstige overtuiging.  Die is een mengeling van Chinese invloeden met verering van lokale goden. Daarnaast vereren ze hun voorouders. 

Het traditionele Ping An ondergaat de laatste jaren geleidelijke verandering onder invloed van het ontluikende toerisme. Vooralsnog geeft de plaatselijke bevolking haar gebruiken en gewoonten hiervoor niet op. Integendeel, die vormen juist de aantrekkingskracht voor het kleinschalige toerisme. Zo maken de Yao vrouwen voor toeristen hun haar los tegen betaling van een kleine vergoeding om het vervolgens te kammen en weer op te binden. Ook laten zij zich graag tegen betaling in traditionele kleding fotograferen op een pittoreske plaats vaak boven op een berghelling met uitzicht op het dorp en de rijstterrassen. Maar de toeristen industrie groeit snel. Nagenoeg ieder gebouw in het dorp heeft tegenwoordig een gastenverblijf waar lokale families voor een bescheiden prijs voedsel en onderdak bieden aan bezoekers. Veel van deze gastenverblijven zijn de afgelopen jaren nieuw gebouwd en en ze groeien snel in aantal. Weliswaar zijn er in het dorp nog geen souvenirwinkels, maar in stalletjes vlak bij het dorp verkoopt men lokale producten zoals rijstwijn en geborduurde handwerk. Enkele jaren geleden is een autoweg aangelegd tot aan de voet van de berg en voor het gemak van de toeristen heeft men elektriciteit aangelegd en de bergpaden verlicht. Men heeft er zelfs al toegang tot het internet.

Terug naar inhoudsopgave

 

 

Literatuur

Fitzgerald, C.P.                                  -     "The Tower of Five Glories", uitgave van Caravan Press.

Flower, Kathy                                   -    "Cultuur Bewust! China", uitgave in de reeks Cultuur Bewust van CultureShock! Consulting

Harper, Damian e.a.                          -    "China", uitgave in de reeks reisgidsen van Lonely Planet

Jansen, Inge en Karin Schaedtler  -    "China", uitgave in de reeks reisgidsen van Dominicus

Mitchell, Sam                                    -    "Ethnic Minority Issues in Yunnan", uitgave van Yunnan Fine Arts Publishing House

Namjiyal, Gonbo                               -   "Journey through Labrang Culture", uitgave van Lanzhou University Press

Terug naar inhoudsopgave

 

Nederlandse versie Engelse versie