|
Informatie
China
China is een land met een heel oud verleden.
Veel inwoners beschouwen hun land als de bakermat van alle beschaving. Zij zijn
terughoudend tegenover buitenstaanders, omdat ze niet bekend zijn met hun eeuwenoude gebruiken en
gewoonten. Die gaan terug tot in
het derde millennium vóór het begin van onze jaartelling. Toen ontstonden in
het centrale laagland de
eerste koninkrijken die heersten over de landbouwnederzettingen langs de vruchtbare oevers van
de Gele Rivier. De koningen hadden in deze periode
een verheven status en gaven zelf leiding aan de boerenbevolking die
arbeid moest leveren voor de bouw van stadsmuren en andere openbare werken. De vroegst bekende
dynastie was die van de Xia. Die heerste van de eenentwintigste tot de zestiende eeuw
voor Christus. Aan de vorsten van deze dynastie worden
belangrijke ontdekkingen toegeschreven zoals de uitvinding van het schrift. Maar dit
is nooit door wetenschappelijk onderzoek bevestigd. Bekend
is dat het schrift al wel bestond tijdens de Shang dynastie die bloeide van de
zestiende tot de elfde eeuw.
Tijdens de Zhou dynastie van de elfde tot de derde eeuw voor
Christus breidden verschillende vorsten het rijk verder uit naar het noorden
richting Beijing en naar het zuiden tot aan de Yangtze rivier.
Om hun heerschappij over zo'n groot gebied te consolideren vestigden zij een
feodaal systeem met leenheren die in hun naam over afzonderlijke vorstendommen
regeerden. Volgens de leer van het confucianisme bezaten zij een "mandaat van de hemel".
De
koning gaf hen als hemelse vorst het mandaat om te heersen, maar hij kon hen dit mandaat
ook afnemen als zij slechte en corrupte heersers waren. Het omvatte later
ook de taoïstische opvatting dat de hemel natuurrampen zoals aardbevingen op de
mensheid afstuurt om zijn afkeer te laten zien van slechte heersers. De leenheren bouwden
in deze periode een eigen verdedigingsmuur om de vanuit het noorden
binnenvallende nomadenstammen tegen te houden. Voor de boerenbevolking veranderde
echter weinig.
Zij was volledig afhankelijk
van de willekeur van de leenheren. Zij hadden geen eigen grond en werden
gedwongen een groot deel van de oogst af te staan aan de leenheren. Als er
oorlog was moesten zij bovendien als soldaten naar het front.
In de derde eeuw voor Christus kwam de Qin dynastie
aan de macht. De stichter van deze dynastie verenigde de elkaar bestrijdende feodale staten in één
rijk onder zijn leiding als de
eerste keizer van China. Hij legde een wegennet aan dat de hoofdstad Xian verbond met de verafgelegen
buitengewesten van het rijk tot aan Korea en Vietnam. Voorts zette hij honderdduizenden slaven in voor de
bouw van de Grote Muur die de vreemde volkeren buiten de
grenzen moest houden. Delen van reeds
bestaande stadsmuren langs de grenzen liet hij uitbreiden en samenvoegen tot één Grote
Muur. Na zijn dood kwam de Han dynastie die ruim
vierhonderd jaar lang aan de macht was. Tot dan toe was de keizer
enig en absoluut heerser geweest, maar nu delegeerde hij de macht aan een
hoogontwikkeld ambtenaren apparaat. Om deze ambtenaren te selecteren maakte men
gebruik van een ingewikkeld examensysteem. Dat was gebaseerd op de kennis die
de kandidaten hadden over de leer van het confucianisme. In deze periode breidde het keizerrijk zich uit in Centraal
Azië met de onderwerping van vazalstaten. Dankzij de handelskaravanen via de
zijderoute kende het land een lange periode van
welvaart.
Ruim voor het begin van onze jaartelling
kwam via de zijderoute het boeddhisme vanuit India naar China. Daar verwierf het
mettertijd veel aanhangers dankzij het uitgebreide netwerk van handelswegen dat de keizers
hadden laten aanleggen. Maar vooralsnog bleef de invloed van het
boeddhisme vooral beperkt tot de zuidelijke gebieden van het keizerrijk. Er bestond namelijk na de ondergang van de Han dynastie een sterke scheiding tussen het noorden en het
zuiden. Het noorden had te maken met invallen van rondzwervende nomadenvolken
en werd verscheurd door oorlogen. Veel Chinezen waren daarom naar het zuiden
gevlucht. Dat kende een periode van welvaart en forse economische groei.
Daar maakten zij kennis met het boeddhisme dat een passende aanvulling
bleek van het reeds bekende confucianisme en het taoïsme. Aan het einde van de zesde eeuw keerde de
rust terug tijdens de regering van de Sui dynastie. De keizers verstevigden in deze
periode de Grote Muur om de
invallen van de noordelijke nomadenvolken tegen te houden. Voorts begon men de bouw van het Grote kanaal tussen de
Gele Rivier en de Yangtze rivier om het noorden met het zuiden te verbinden.
In het begin van de zevende eeuw begon onder
de Tang dynastie een nieuw hoogtepunt in de Chinese beschaving. Het land beleefde
een gouden periode in de kunsten die duurde tot het begin van de tiende
eeuw. Het keizerlijke hof verving in deze periode steeds meer ambtenaren van adel door
confucianistische geleerden via het
staatsexamen. De Tang gingen door met de aanleg van kanalen die de verschillende delen van het
keizerrijk met elkaar moesten verbinden. In deze periode breidde het boeddhisme zich
steeds verder uit in het gehele rijk dankzij rondreizende kooplieden en pelgrims. Sommige keizers steunden
het boeddhisme en vervreemdden zich
daarmee van hun ambtenaren.
Mede dankzij de uitvinding van het buskruit veroverden de legers van de Tang
dynastie verscheidene gebieden in het verre westen. Na een korte periode van oorlog en
economisch verval brak rond het midden van de tiende eeuw onder de Song dynastie
een periode
aan van rust en creativiteit die tot laat in de dertiende eeuw duurde. Er
ontstond een stedelijke klasse van handelaren die hoog sociaal aanzien genoot en
veel succesvolle bestuurskandidaten leverde via
de staatsexamens voor ambtenaren. Deze Mandarijnen of hoge staatsambtenaren
bepaalden het openbare
leven.
Begin dertiende eeuw kreeg men te maken met invallen door
Mongolen die zich niet lieten afschrikken door de Grote Muur. Ze maakten Beijing tot hun hoofdstad. Daar vestigden
zij korte tijd de Yuan dynastie die een enorm rijk bestuurde van ongekende
omvang. De grenzen liepen van de Oekraïne in het noorden en Perzië in het westen tot aan Korea in het
oosten en Vietnam in het zuiden. De nieuwe keizers hadden echter weinig
steun van de Chinese bevolking omdat ze de hoogste ambtenarenposten aan hun
Mongoolse landgenoten gunden. Ze werden halverwege de
veertiende eeuw verdrongen door een nieuwe dynastie. Die was net als alle
voorgaande keizersgeslachten wederom van Chinese afkomst. Deze Ming keizers vonden dat China in alle opzichten superieur was en dat men niets kon leren
van andere culturen. Uit vrees voor binnenstormende volkeren lieten zij de
Grote Muur verbeteren. Ze ontvingen gezanten van vazalstaten alleen als ze
bereid waren om tijdens het onderhoud met de keizer tribuut of belasting
te betalen in de
vorm van kostbare geschenken.
Ook de gezantschappen van Europese mogendheden werden op deze manier aan het hof
ontvangen. Het tribuutstelsel sloot een gelijkwaardige verhouding uit en
getuigde van de hoogmoed van het keizerlijk hof.
In de zestiende eeuw landden de eerste
Europese schepen aan de zuidoost kust van China. De Portugezen
waren de eersten. Al snel daarna volgden de Spanjaarden, de Nederlanders en de Britten.
Zij kregen halverwege de zeventiende eeuw te maken met een nieuw keizersgeslacht
dat afkomstig was uit Mantsjoerije. Deze Qing dynastie regeerde tot in het begin van de twintigste eeuw. De Qing
hielden de buitenlanders zo ver
mogelijk uit de buurt en dwongen hen om in het zuidoosten te blijven. Ze konden
echter niet voorkomen dat de Britten een levendige handel in opium begonnen ondanks een keizerlijk verbod.
Dat leidde halverwege de
negentiende eeuw tot een reeks van opiumoorlogen. De zegevierende Britten dwongen
de keizer om het land verder open te stellen voor handel. Bovendien moest het
land grote bedragen betalen als schadeloosstelling voor
de oorlogen. Daardoor groeide de onvrede
onder de bevolking. De woede kwam tot uitdrukking
in de Bokseropstand. De Boksers richtten hun woede aanvankelijk vooral op de westerse
mogendheden. Door snelle interventie van buitenlandse troepen
verloren ze deze strijd. Maar geleidelijk groeide het aantal groeperingen die
zich verzetten tegen de buitenlandse onderdrukking. Deze nationalistische
beweging keerde zich daarbij steeds meer tegen de verzwakte Qing regering. Die
werd openlijk gehekeld vanwege de niet Chinese afkomst van de keizer.
In het begin van de twintigste eeuw brak een
nationale revolutie uit onder leiding van de Kwomintang. Die was erin geslaagd om verschillende
opstandige groeperingen te verenigen in een beweging. Uiteindelijk
erkende de Qing regering haar nederlaag. Op 10 oktober 1911 riep dokter Sun Yat Sen als
een van de leiders tijdens de revolutie de Republiek van China uit. Na de
troonsafstand van de laatste keizer werd het voormalig
hoofd van het keizerlijk leger de nieuwe
heerser. Bij zijn dood enkele jaren later brak een interne strijd om de macht uit. Daarmee bemoeiden zich ook enkele krijgsheren
met hun privé legers. Halverwege de twintiger jaren verbraken de nationalisten
de samenwerking met de pas gevormde communistische beweging. Daarop brak een burgeroorlog
uit die veel mensenlevens kostte. Tijdens de Tweede
Wereldoorlog sloten de strijdende partijen zich bij elkaar aan om
één front te vormen tegen de Japanse bezetters. Kort daarna brak opnieuw een
burgeroorlog uit. De Chinese boerenbevolking had echter kennis gemaakt met de
communisten die het land van de gehate
grootgrondbezitters verdeelden onder de landarbeiders. Massaal steunden de
boeren het Volksbevrijdingsleger dat hen van wapens voorzag en guerilla
gevechtstechnieken leerde. Uiteindelijk versloegen de communisten onder leiding van Mao Zedong
hun tegenstanders.
Op 1oktober 1949 riep Mao Zedong de Volksrepubliek China
uit in een land dat nagenoeg bankroet was. Men stond voor een zware taak om de
economie van het land weer op te bouwen. Na een aarzelend begin startte aan
het einde van de vijftiger jaren de "Grote Sprong
Voorwaarts" met de oprichting van volkscommunes in de steden en op het platteland.
Die moesten in een buitengewoon vergaand vijfjarenplan
het
groeitempo van de economie opvoeren met de aanleg van staalovens, waterkeringen en irrigatiewerken. Het werd een
mislukking. De boeren op het platteland kwamen
niet meer aan hun werk op het land toe en de economie stortte in. Daardoor raakte Mao uit de gratie. Maar
zijn politieke rol was nog niet uitgespeeld. Hij
sloeg halverwege de zestiger jaren terug met een "Culturele Revolutie". Er mocht geen maatschappelijk onderscheid
meer zijn en iedere herinnering aan het feodale en kapitalistische verleden
moest worden vernietigd. Het gevolg was dat eeuwenoude tempels en kloosters werden
gesloten, geplunderd of vernield. Vele intellectuele tegenstanders werden vervolgd of vermoord.
Door deze gebeurtenissen kwam het land opnieuw economisch aan de rand van de
afgrond.
Na de dood van Mao halverwege de zeventiger jaren kwam Deng Xiao Ping
aan de macht. Hij introduceerde een geleide markteconomie en stond toe dat de
boeren in het binnenland hun
landbouwoverschotten konden verkopen op de vrije markt. Daarnaast stimuleerde
hij de handel met het buitenland in speciale economische zones langs de oostkust. Daardoor groeide de
economie in een snel tempo. Tegenwoordig is het land een belangrijke speler op
de wereldmarkt. Daarvan hebben vooral de moderne ondernemers
in de grote steden geprofiteerd. Hun rijkdom steekt schril af tegen
de armoede van de werkloze fabrieksarbeiders. Maar nog schrijnender
is de armoede van de boeren en landarbeiders op het traditionele platteland. Die trekken
in groten getale naar de stad op zoek naar werk in de hoop daar een beter
bestaan te vinden. De overheid heeft niet alleen te maken met een groeiende
kloof tussen arm en rijk. De toegenomen welvaart brengt ook veel corruptie met
zich mee. Leden van de communistische partij op belangrijke posities
verrijken zich door tegen betaling privileges te gunnen aan welgestelde
ondernemers. De partijleiding treedt hard op tegen deze mensen als blijkt dat
zij zich schuldig hebben gemaakt aan corruptie.
Terug naar inhoudsopgave
Bevolking
Veruit de overgrote meerderheid van de
bevolking bestaat uit Han Chinezen. Die zien zich als de erfgenamen van
een eeuwenoude beschaving. Die beschaving is gebaseerd op drie peilers uit het begin van de
keizertijd : het confucianisme,
het taoïsme en het boeddhisme. De Culturele revolutie halverwege de zestiger jaren van de
vorige eeuw heeft daarin weinig verandering gebracht. Volgens het confucianisme is
de mens beschaafd als hij zich weet te gedragen naar zijn natuurlijke plaats in de
samenleving. Hij moet gemeenschapszin, gehoorzaamheid en
eerbied tonen voor zijn naasten zowel als zijn meerderen. Door deze deugden
te cultiveren kan de mens zich opwerken op de maatschappelijke ladder. Volgens het taoïsme daarentegen
is het menselijk handelen niet van invloed op de natuurlijke ordening. Iedere mens
moet juist zijn eigen tao
of natuurlijke weg volgen. Die bestaat in beginsel uit twee tegenpolen yin en yang
die samen een eenheid
vormen. Van hun wisselwerking is alles in het leven afhankelijk. Het is aan
iedere mens om zelf feng shui of natuurlijk evenwicht te vinden. De grondgedachte van
het boeddhisme is dat de mens zich moet bevrijden van alle aardse zaken en
begeerten om door bezinning uiteindelijk een toestand te bereiken van eeuwige
rust.
In de dunbevolkte en moeilijk doordringbare
grensgebieden in het
uiterste noordwesten en het uiterste zuidwesten van het land wonen andere
etnische en culturele groepen met een geheel eigen wereldbeeld. Deze shaoshu
minzu of nationale minderheden
hebben van oudsher weinig op met de beschaving die de vroegere keizers
cultiveerden vanuit hun verafgelegen machtscentrum. Zij integreren al vele
eeuwen lang niet met de Han Chinezen. Die kijken op hen neer vanwege
hun afkomst en hun afwijkende godsdienst. In het
noordwesten wonen veel Hui die ten dele afstammelingen zijn van Arabische
kooplieden en het
islamitische geloof aanhangen. In de westelijke hooglanden wonen veel Tibetanen
die aanhangers zijn van het lamaïsme. Dat is een vorm van boeddhisme
vermengd met mystieke praktijken uit inheemse natuurgodsdiensten. In de
zuidwestelijke hooglanden wonen andere minderheden zoals de Bai en de Naxi. Die
kennen een bonte mengeling van godsdiensten vermengd met animistische gebruiken.
In de bergen
in het zuidoosten tenslotte wonen de Yao waarvan een aanzienlijk deel inmiddels is bekeerd
tot het christendom, maar waar animistische gebruiken nog steeds voorkomen.
Deze minderheden onderscheiden zich niet
alleen vanwege hun afkomst en hun godsdienst. Ze onderscheiden zich ook door hun
kleding. Die geeft uitdrukking aan hun etnische afkomst en sociale
status. Aan de kleding ziet men of een
vrouw getrouwd is, of ze rijk is en of ze bekwaam is in handwerk. Veel
vrouwen van etnische minderheden weven en borduren nog steeds hun eigen kleding.
Die kleuren ze met een kleurstof die ze op de plaatselijke markt hebben gekocht. Borduurwerk is een wezenlijk onderdeel
van de klederdracht en traditionele symbolen worden van moeder op dochter
doorgegeven. Ze verwijzen naar plaatselijke mythen en legenden. Jonge vrouwen borduren
nog steeds draagtuigjes voor hun kleine kinderen. Oude vrouwen borduren hun
eigen doodskleed. Maar ook de traditionele klederdracht gaat met zijn tijd mee.
Tegenwoordig kiest men voor fabriekskleding met kunstmatige verfstoffen. Ook in
de spreektaal onderscheiden de minderheden zich. Dat geldt overigens niet voor
de Hui. De taal van de Naxi behoort daarentegen wel tot een andere taalgroep en
is verwant met het Tibetaans. De Yao taal behoort tot een geheel andere
taalgroep. De taal van de Bai neemt een wel heel bijzondere plaats in. Het is
van oorsprong oud Chinees vermengd met plaatselijke invloeden.
De houding van de communistische overheid
tegenover de minderheden is ambivalent. Aanvankelijk steunden de communisten de
minderheden in hun streven naar onafhankelijkheid en vrijheid van onderdrukking.
Maar na de machtsovername stelden zij zich terughoudender op uit vrees voor het
uiteenvallen van de volksrepubliek China. Tijdens de Grote Sprong Voorwaarts
ontmantelden zij de traditionele etnische samenlevingsverbanden die plaats moesten
maken voor nieuwe economische samenwerkingsverbanden. Later moesten de
minderheden tijdens de Culturele Revolutie hun eigen identiteit prijsgeven onder
druk van het communistische streven naar gelijkheid. Hun traditionele gewoonten en gebruiken
golden als overblijfselen van een feodaal
verleden dat in de weg stond van de vooruitgang. Daarentegen kunnen de
minderheden tegenwoordig rekenen op meer steun en begrip van de communistische overheid.
De gezinnen mogen bijvoorbeeld meer dan één kind hebben
om weer op traditionele wijze landbouw te kunnen bedrijven en in het eigen
levensonderhoud te
voorzien. Maar de minderheden leggen zich steeds meer toe op de verbouw van marktgewassen. Door de
introductie
van moderne landbouwmethoden en andere economische vernieuwingen vallen de traditionele dorpsgemeenschappen als
vanzelf uit
elkaar. Daarnaast dreigt door moderne scholingsprogramma's de
belangstelling voor de eigen taal en cultuur te verdwijnen.
Steeds meer minderheden werken in de toeristen industrie die
hun bijzondere gewoonten en
gebruiken heeft ontdekt. Het toerisme leidt onherroepelijk tot
veranderingen in de traditionele levenswijze en omgangsvormen. Een goed
voorbeeld hiervan is de Naxi gemeenschap in het zuidwesten van China. Het
schilderachtige oude stadje Lijiang met zijn monumentale straten en huizen en
zijn kleurrijke bewoners wordt
tegenwoordig druk bezocht door talrijke toeristen. Die zoeken er de plaatselijke
romantiek van
het eenvoudige leven uit vroeger tijden. De werkelijkheid is echter dat veel
vroegere bewoners de tegenwoordige drukte zijn ontvlucht. Moderne ondernemers
hebben in veel oude panden bars en
restaurants ondergebracht evenals pensions en hotels alsmede bedrijfjes en
winkeltjes die souvenirs verkopen. In het stadje en de naaste omgeving treft men
nog nauwelijks oorspronkelijke Naxi bewoners aan. Daarnaast ontstaan er
verschillen tussen de moderne
handelaars en ondernemers in de toeristen industrie en de traditionele
landbouwers. Desalniettemin heeft het toerisme een hernieuwde
belangstelling gewekt voor de eigen culturele tradities. Daarvan getuigen
bijvoorbeeld de theaters die voorstellingen opvoeren van traditionele Naxi
muziek orkesten. Diezelfde theaters vertonen ook voorstellingen waarin
sjamaanse Dongba priesters oude rituelen uitvoeren en het eigen beeldschrift
demonstreren.
Terug naar inhoudsopgave
Beijing
Op de plaats van het tegenwoordige Beijing
lag ver voor het begin van onze jaartelling een kleine vestiging aan de moerassige
oevers van een rivier. Tijdens het bewind van de eerste keizer van
China werd deze vestiging echter geheel vernield. Rond het begin van onze
jaartelling werd de stad opnieuw opgebouwd. Veel
later bloeide de stad als centrum van handel en
nijverheid. Halverwege de dertiende eeuw vielen de Mongolen de stad vanuit
het noorden binnen en namen haar na herhaalde aanvallen in. De nieuwe keizer liet hier een
hoofdstad bouwen. Het was toen voor het eerst het
politieke centrum van China en is dat sindsdien gebleven met enkele korte
onderbrekingen. In het
begin van de vijftiende eeuw kreeg de stad zijn uiteindelijke naam
Beijing of Noordelijke Hoofdstad. De nieuwe keizers vernietigden toen elke
herinnering aan de voorgaande keizers en bouwden in de stad een nieuw
paleis met bijbehorende gebouwen en tempels. Voorts herstelden ze de oude stadmuren volgens een nieuw ontwerp. De keizers
van de laatste dynastie restaureerden de tempels
en paleizen en verfraaiden de stad met parken, paviljoens en vijvers. In het begin van de twintigste eeuw kozen de
nationalisten een andere hoofdstad voor de Republiek China. Maar de communisten
riepen halverwege de vorige eeuw Beijing opnieuw uit als hoofdstad van de
Volksrepubliek China.
Sedert de vijftiende eeuw is de stad verdeeld
in drie gebieden. Het hart wordt gevormd door de Verboden Stad waar vroeger de
keizer en zijn gevolg woonden. Deze stad was geheel ommuurd en het leven dat
zich er afspeelde was geheel onzichtbaar voor de gewone bevolking. Rondom
de Verboden Stad ligt de zogeheten Binnenstad waar vroeger de woonvertrekken
lagen van de ambtenaren.
Daarvan is niets meer bewaard gebleven. In dit gebied bevinden zich
tegenwoordig weids aangelegde pleinen en uitgestrekte parken met cultuurmonumenten.
Van de vroegere muur rondom de Binnenstad is weinig bewaard gebleven. Vroeger woonde de
bevolking in de Buitenstad aan de rand van het oude centrum. Van deze buitenstad
is niets bewaard gebleven. Die heeft plaats moeten maken voor ruim aangelegde
pleinen en parken evenals brede wegen en dajie of lanen. Slechts enkele wijkjes met een wirwar van
straatjes en steegjes of hutongs staan nog overeind. Daar staan oude huizen met slechts een verdieping rond vierkante binnenplaatsen. De behuizing is
er krap en vaak moeten verschillende families keuken en toilet delen. De laatste
jaren worden veel van deze vaak eeuwenoude wijkjes afgebroken om plaats te maken
voor hoge flats.
Het Tiananmen Chang of Plein van de Hemelse
Vrede ligt op de plaats van de vroegere Binnenstad en werd aangelegd halverwege de zeventiende
eeuw. In die tijd was
het plein een stuk kleiner dan tegenwoordig. De communistische leiders hebben
later opdracht gegeven om het plein vier keer zo groot te maken voor
parades en andere ceremoniële doeleinden. Op het plein bevinden zich
verschillende grote communistische gebouwen zoals het mausoleum van Mao en de
grote Hal van het Volk die dienst doet als parlementsgebouw. Aan de
zuidkant van het plein ligt nog een oude stadspoort uit het begin van de
vijftiende eeuw. Die was vroeger een onderdeel van de muur van de Binnenstad. Aan de noordzijde
van het plein bevindt zich de muur van de Verboden Stad met de Poort van de
Hemelse Vrede uit het begin van de vijftiende eeuw. Deze hoge, rode stenen poort
heeft een dubbel dak van goudgele dakpannen en telt vijf ingangen met daarvoor zeven
bruggen over een gracht. De ingangen waren vroeger alleen
op feestdagen geopend. Alleen de keizer mocht van de middelste brug en ingang gebruik maken. Tegenwoordig hangt boven de middelste ingang een portret
van Mao.
De Verboden Stad telt ongeveer vijfhonderd gebouwen. Niemand mocht zonder speciale toestemming het
paleiscomplex betreden. Om te verhinderen dat men een tunnel zou graven is het
geheel op meerdere lagen stenen gebouwd. Bovendien werden alle bomen in het
paleis omgehakt, zodat niemand zich daarachter kon verschuilen. De keizers
verlieten het paleis alleen voor speciale gelegenheden. Zij regeerden het land
vanuit het paleis en regelden daar alle staatszaken. De houten gebouwen van het keizerlijk
paleis hebben rode muren en pilaren. In de balken van de plafonds zijn de
kleuren blauw en groen verwerkt en vergulde draken. In de bekleding is vaak de
kleur geel opgenomen. Alleen de keizer mocht deze kleur dragen. Ook de
dakpannen van de gebouwen zijn goudgeel. Op de uitstekende hoeken staan
figuurtjes van draken en andere dieren om boze geesten af te
weren. Bij de gebouwen staan grote bronzen vaten met water om in het geval van
een brand snel het vuur te kunnen doven. Voor de ingang staan heilige dieren in brons als symbool van een
lang leven en onsterfelijkheid.
Na de Poort van de Hemelse Vrede en de Rechtopstaande Poort
ligt de Meridiaanpoort uit het begin van de vijftiende eeuw. Deze poort
met weer vijf ingangen is de hoofdingang van het keizerlijk paleis of de
Verboden Stad. Vanaf de poort inspecteerde de keizer zijn legers als deze na
een geslaagde veldtocht terugkeerden. Ambtenaren werden hier
ceremonieel met zweepslagen gestraft als de keizer ontevreden was over hun
functioneren. Achter de Meridiaan Poort ligt een gracht en vervolgens de Poort van de Opperste Harmonie. Die geeft
toegang tot een enorm binnenplein met drie grote openbare hallen op een marmeren
terras. Die hallen vormen het hart van de Verboden Stad.
Daarachter ligt een poort naar drie hoofdpaleizen die zijn omgeven door enkele kleinere paleizen.
Dit waren de privé vertrekken van de keizer en zijn familie. De meeste van deze gebouwen zijn niet
meer dan twee verdiepingen hoog en hebben een binnenhof. De grootte
daarvan was afhankelijk van de positie van de hovelingen. Aan beide zijden van de hoofdhallen en daarachter
de hoofdpaleizen liggen kleinere gebouwen. Dat waren de opslagruimten en de verblijven
van de overige leden van het keizerlijk hof waaronder bedienden en bewakers.
Van de openbare hallen in de Verboden Stad is de Hal van de Opperste Harmonie
het hoogste en belangrijkste
gebouw. Als symbool van het keizerlijk gezag mocht in het verleden geen enkel
gebouw hoger zijn . Het is gebouwd in de vijftiende eeuw voor
ceremoniële aangelegenheden zoals de kroning van een nieuwe keizer, het
huwelijk van de keizer, de verjaardag van de keizer en de benoeming van
militaire leiders. Als de
keizer de ruimte betrad, dan was dit
een hele plechtigheid met
geluiden van vuurwerk, tromslagen en feestmuziek.
In de hal staat een rijk
versierde drakentroon. Vanaf deze troon leidde de keizer bijeenkomsten met zijn hoogste ambtenaren
zonder tegenspraak te dulden.
Zijn ambtenaren knielden dan
voor hem om hun eerbied te tonen. Achter de Hal van de Opperste Harmonie
staat de Hal van de Volmaakte Harmonie die als wachtruimte
diende voor de keizer. Hier trof hij zijn laatste voorbereidingen, oefende hij
zijn toespraken en ontving hij zijn vertrouwelingen. De derde hal is de Hal van
Duurzame Harmonie die werd gebruikt voor staatsbanketten en
later voor keizerlijke examens.
De Poort van de Hemelse Zuiverheid scheidt de openbare
hallen van de privé-vertrekken van de keizers en de keizerinnen. Via de
poort met aan weerskanten van de trappen vergulde leeuwen, betreedt men de
binnenhof met het eerste van drie paleizen. De leeuw met een grote bal (de
bal van de macht) onder zijn poot is de mannelijke leeuw, die met een klein
leeuwtje onder de poot is de leeuwin. In het Paleis van de Hemelse Zuiverheid
woonden de keizers vanaf de Ming dynastie tot aan het begin van de Qing
dynastie. Hierna werd het paleis gebruikt als troonzaal om overheidszaken af te
handelen en als ontvangstzaal voor buitenlandse gezanten en hoge
ambtenaren. In het midden staat op een
verhoging een troon, met erachter een drakenscherm. Verder staan er voorwerpen
van symbolische betekenis. Rondom is een balustrade. Het plafond is heel fijn
bewerkt en beschilderd. Daarachter bevinden zich het Paleis van Hemel en Aarde
en vervolgens het Paleis van Aardse Rust . Vandaar betreedt
men de keizerlijke tuinen met rotspartijen, paden en paviljoens.
Het Zomerpaleis bevindt zich ruim twaalf kilometer ten
noordwesten van de Verboden Stad en ligt in een groot park. Het paleiscomplex
telt verscheidene hallen evenals tempels, pagoden en paviljoens. Het ligt
ingesloten tussen een heuvel aan de noordkant en een groot
meer aan de zuidkant dat driekwart van de oppervlakte beslaat. Aan het einde van de negentiende eeuw
wees de keizer het park aan voor de bouw van een nieuw buitenpaleis. Sedertdien
kwam de keizerlijke familie in de zomer
hierheen om te ontspannen en de hitte te ontvluchten. Men stopte veel overheidsgeld in de verfijning
van het park. Aan de oever van het meer ligt bijvoorbeeld een marmeren praalboot
die is betaald
met gelden die eigenlijk bestemd waren voor de modernisering van de zeevloot. Een andere bezienswaardigheid in
het park is de Hal van Geluk en Lang Leven waar zich nog de oorspronkelijke
meubelen bevinden van de keizerlijke familie en talrijke kostbare
kunstvoorwerpen. Midden in het meer ligt een eiland dat met
de oever is verbonden door een brug met zeventien bogen. Op het eiland ligt een
tempel waar de keizerlijke familie om regen bad.
Bij het plaatsje Mutianyu ten noorden van Beijing slingert de
Grote Muur
zich door het
landschap op een hoogte van ruim duizend meter. De Muur volgt daarbij de kammen van
het omringende gebergte. Oorspronkelijk stamt dit gedeelte uit de
vijfde eeuw
na het begin van onze jaartelling. Toen bestond de muur slechts uit vele tonnen gestampte aarde.
In de loop der eeuwen was hij niet voldoende bestand tegen binnendringende vijanden. Daarom raakte hij in verval. De
Ming keizers
restaureerden de muur en versterkten hem met cement en stenen. De muur
kreeg toen op regelmatige afstanden van elkaar dilou of vestingtorens en
-poorten. Hij werd gemiddeld zeven tot acht meter hoog. Sedertdien bestond
hij uit een
soort dijk van aarde, klei en stenen die aan beide kanten was bekleed met keien.
Erbovenop was een borstwering van ongeveer anderhalve meter hoogte. Deze muur
deed uitstekend dienst
als een soort hooggelegen snelweg om mensen en goederen door bergachtig terrein
te vervoeren. Dankzij de torens kon men met
rooksignalen snel berichten over vijandelijke troepenbewegingen over grote
afstanden verzenden naar de hoofdstad. Na de Ming periode was er
weinig aandacht meer en raakte de muur opnieuw in verval. Onlangs heeft men dit
gedeelte in oude staat hersteld als herinnering aan het keizerlijke verleden.
Terug naar inhoudsopgave
Xian
Xian ligt in het hart van China aan de benedenloop van de Gele Rivier. De stad was al vanaf
de elfde eeuw voor het begin van onze
jaartelling hoofdstad van China. In de achtste eeuw voor Christus verplaatste
men de
hoofdstad naar het oosten, maar de eerste keizer van China koos Xian opnieuw tot hoofdstad van zijn rijk. Daarna bleef Xian vele eeuwen
lang met slechts enkele korte onderbrekingen de hoofdstad van het Chinese rijk. In de zevende eeuw verfraaiden de
Tang keizers de
stad met paleizen, tempels en kloosters binnen een nieuwe stadsmuur. De
stad ontwikkelde zich in deze periode tot een wereldstad met meer dan een
miljoen inwoners dankzij de zijderoute. Kooplieden uit Arabische gebieden
brachten de islam naar Xian. Reizigers uit India brachten het boeddhisme naar
de stad. Het keizerlijk hof stond open voor deze ontwikkelingen. In de omgeving vindt men talrijke
keizerlijke graven die getuigen van de grote welvaart en culturele bloei in deze
periode. In de tiende eeuw verplaatste de keizer de
hoofdstad van zijn rijk echter naar het oosten. Daarop raakte de stad in verval. In
de
vijftiende eeuw herbouwden de nieuwe keizers het centrum van de stad met
een grote stadsmuur en stadspoorten. De stad werd echter nooit meer de hoofdstad
van het Chinese rijk.
In de omgeving van Xian ligt het graf van de eerste
keizer in China uit de derde eeuw voor Christus. Hij was de stichter van de Qin
dynastie die maar korte tijd aan de macht was. Het graf van de keizer is tot op
heden niet geopend. Men vermoedt dat het talloze kostbaarheden
bevat. In de buurt heeft men een
terracotta leger opgegraven dat de overledene tegen vijanden moest beschermen. Het leger omvat duizenden beelden
van soldaten, paarden en koetsen in gevechtsformatie. Ze zijn gemaakt van zware klei uit de
nabije omgeving. Ze hebben
levensgrote afmetingen en zijn van binnen hol. Over het algemeen zijn de gezichten
uitdrukkingsloos en is de blik veelal in de verte gericht.
Alle soldaten hebben een breed voorhoofd en
een grote
mond met dikke lippen. Desalniettemin hebben ze individuele gelaatskenmerken. Sommigen hebben snorren, enkele
anderen hebben
baarden. Het haar is gevlochten in
knotjes en de hoofdtooi is steeds verschillend. Alleen officieren dragen helmen.
Een klein gedeelte van de soldaten is uitgebeeld in knielende houding. Dat zijn
waarschijnlijk de boogschutters die pijl en boog in de hand hielden. Verfresten op de
beelden tonen aan dat de beelden ooit gekleurd zijn geweest.
De opgravingen van het terracotta leger zijn verspreid over
drie kuilen. Men verwacht in de komende jaren nog meer delen van het leger te
ontdekken. De eerste kuil heeft elf evenwijdige gangen met een grijze
bakstenen vloer. In iedere gang staan de soldaten
vier aan vier opgesteld in gevechtsformatie. Drie rijen van lichtbewapende
boogschutters vormen de voorhoede. Zij worden gevolgd door colonnes van zwaarbewapende
infanteristen en strijdwagens. De muren van iedere gang zijn gemaakt van gestampte aarde
en waren oorspronkelijk voorzien van een houten dak . De steunbalken daarvoor zijn
nog te zien. Ook van de houten pilaren zijn nog stukjes over. Bij latere
plunderingen is het dak echter in brand gestoken. Tijdens instortingen heeft het
dak een gedeelte van de zesduizend terracotta beelden verwoest. In een tweede kuil
werden eveneens terracotta soldaten aangetroffen waaronder voetsoldaten,
cavaleristen en strijdwagens. In deze kuil is de
omtrek van de aarden vestingmuur nog zichtbaar evenals de restanten van een
houten overkapping. Een derde kuil vormde vermoedelijk het
hoofdkwartier van het leger en bevat een strijdwagen met een aantal wachten. Eén beeld is groter
dan de andere, men veronderstelt dat dit een generaal was.
Op enkele kilometers ten zuidoosten van het centrum in Xian staat de
Grote Wilde Gans pagode. Deze pagode werd gebouwd halverwege
de zevende eeuw op verzoek van een monnik toen deze van een pelgrimstocht door
India terugkeerde. Hij stelde de keizer voor een grote stenen pagode te bouwen
om de door hem meegebrachte boeddhistische geschriften te bewaren. De monnik
werd abt van het klooster en wijdde zijn verdere leven aan het vertalen van
boeddhistische geschriften in het Chinees. De pagode is genoemd naar de Grote Wilde Gans pagode in
India waar ooit een
gans uit de hemel viel als antwoord op de gebeden van een groep uitgehongerde monniken.
Ooit was de pagode onderdeel van een groot kloostercomplex dat gold als het centrum
van boeddhistische kunst en wetenschap
in Oost Azië. Sommige keizers veroordeelden echter deze uitheemse godsdienst en probeerden de macht en
rijkdom van het klooster te beperken. Halverwege de negende eeuw
werden de monniken vervolgd en bijna alle gebouwen
vernietigd. De Grote Wilde Gans pagode is het enige bouwwerk dat nog is
overgebleven van het vroegere klooster. Het gebouw is nadien verscheidene malen
vernieuwd en hersteld.
In het centrum van Xian ligt de Grote Moskee. De moskee ligt in een moslimwijk waar veel
Hui of moslims wonen en werken. Deze moslims zijn afstammelingen van de Arabische kooplieden die via de zijderoute China binnenkwamen en er
zich vestigden. De moskee is gesticht in de achtste eeuw. De meeste gebouwen
zijn echter van later tijd. Er zijn enkele keren restauraties uitgevoerd,
waarbij de moskee tegelijkertijd werd uitgebreid. Het terrein van de moskee is omringd door een muur en telt vier
binnenhoven met tuinen, bijgebouwen en paviljoens in Chinese stijl. De eerste
binnenhof heeft een houten boog. De tweede binnenhof heeft
een stenen boog. Bij de ingang naar de derde binnenhof staat een hal met eeuwenoude
tafelen die zijn gegraveerd in het Chinees en Arabisch. In het midden
van deze hof staat een achthoekige pagode met een drievoudig
dak met typisch Chinese dakpannen. De pagode doet dienst als een minaret voor de
moskee. In de vierde en voornaamste binnenhof bevindt
zich de gebedshal die dateert van de Ming dynastie. Het verzonken plafond
bestaat uit panelen met elk verschillende inscripties in het Arabisch. De mihrab
of gebedsnis heeft fraai houtsnijwerk.
Terug naar inhoudsopgave
Xiahe
Xiahe is een dorpje van dertienduizend inwoners op
drieduizend meter hoogte in het
noordwesten van China.
Het dorpje was vroeger een belangrijke grensplaats aan de
zijderoute vanwege zijn verbinding met de Tibetaanse hooglanden. In het begin van de achttiende eeuw heeft een plaatselijke geestelijke
er een klooster gesticht. Van daaruit zijn overal in het land verwante deelkloosters
opgericht. Dit Labrang klooster is één van de meest invloedrijke kloosters van het
lamaïsme of Tibetaanse boeddhisme. Deze godsdienst is een
mengeling van het boeddhisme met mystieke praktijken uit
inheemse natuurgodsdiensten. Het hecht grote betekenis aan geheimzinnige symbolen en
rituelen. Vóór de stichting van de
communistische volksrepubliek China woonden drieduizend monniken in het klooster. Vooral tijdens de Culturele Revolutie werden de
gebouwen en de kunstschatten op grote schaal verwoest en werden de monniken
gedwongen een andere levensvervulling te zoeken. Tegenwoordig zijn de gebouwen
grotendeels hersteld en wonen er weer zo'n tweeduizend monniken uit alle delen van
het land. Het klooster is een omvangrijk centrum van kunst en
wetenschap met
een grote hoeveelheid kostbare heilige geschriften.
Het
Labrang klooster telt
zes
gebedsruimten, vierentachtig tempels met afbeeldingen van Boeddha en meer dan
vijfhonderd woon- en slaapvertrekken voor de monniken. Het herbergt bovendien
zes academische opleidingen op het gebied van filosofie, almanak, astronomie, kunsten,
medicijnen en logica. De gebouwen op het kloosterterrein zijn alle gemaakt
van steen en klei met houten balken. De gebedsruimten zijn herkenbaar aan de
lichtgroene daken van kwartskristal. De muur heeft onder het dak een
donkerbruine kleur om de verheven status van het gebouw te benadrukken. De
tempels met afbeeldingen van Boeddha zijn verschillend van omvang. Er is één
tempel met maar liefst zeven verdiepingen en daarnaast zijn er verscheidene
andere tempels die eveneens meerdere verdiepingen hebben. Het grootste beeld
van Boeddha in het klooster is tien meter hoog en het kleinste beeld is slechts
enkele centimeters hoog. In de tempels zijn naast de vele beeldhouwwerken
ook godsdienstige muurschilderingen te bewonderen. De monniken hebben sommige
kunstwerken zelf geboetseerd met behulp van vette jak boter en vervolgens
kleurrijk beschilderd. Op het kloosterterrein is voorts een drukkerij
gevestigd die uitgaven verzorgt op het gebied van boeddhistische kunst en
wetenschap.
In het Labrang klooster zijn de symbolen herkenbaar van het
Tibetaanse boeddhisme duidelijk herkenbaar. Op het dak staan vergulde
metalen cilinders gevuld met mantra's of heilige teksten. Daarnaast staat
ook het dharma wiel
dat het traditionele symbool is van de boeddhistische prediking geflankeerd door
twee herten. In het klooster hangen thangka's
of rolschilderingen van de monniken. Ze zijn gemaakt op katoen , zijde
of papier en beelden
godsdienstige voorstellingen af. Ze hebben onderaan een zware houten stok om de schildering op te kunnen rollen voor opslag of
vervoer. Sommige van deze schilderingen beelden een mandala uit of een geometrische voorstelling
die symbool is van geest en lichaam van Boeddha. Het ontwerp is gebaseerd op cirkels en vierkanten met één centraal
punt om de meditatie te
ondersteunen. Op het kloosterterrein
staan ook verscheidene stoepa's die de geest van Boeddha symboliseren. De vierkante basis
stelt de aarde voor, de ronde vorm het
water, de toren het vuur en het bovenste gedeelte lucht en ruimte. De ringen
rond de toren zijn de stadia die men moet doorlopen om in de hemel te komen.
De monniken in het Labrang klooster behoren tot de orde van de
gelugpa. Zij leven celibata ir
en zijn herkenbaar aan hun gele hoofdbedekking. Van jongs af aan
krijgen ze er een
opvoeding en verwerven zodoende een groot
aanzien voor het
gezin waaruit ze afkomstig zijn. Ze worden gewoonlijk al op hun zevende jaar
monnik. Alleen de intelligente jongens kunnen deelnemen aan een studieleven
binnen de kloosterscholen. Na een lange studie kunnen zij lama of abt van
het klooster worden. Velen worden echter schrijver,
dichter of kunstenaar en beschrijven godsdienstige voorstellingen of beelden die
uit. Anderen worden dokter, onderwijzer of administrateur en beheren de goederen van het klooster. De hoogste leiding in het
klooster is in handen van de lama die vaak op jonge leeftijd is ontdekt
als incarnatie van een vroegere heilige. Helemaal bovenaan staat de Dalai
Lama of Oceaan van Wijsheid en de Panchen Lama of Grote Leraar. De
status van de monniken is herkenbaar aan hun kleding. De rapjung of prenovicen
hebben een bruinachtig
rode pij, de getsul of novicen hebben een donkerrode pij en de gelong
hebben eveneens een donkerrode pij.
Niet alleen het klooster en zijn bewoners trekken de aandacht,
maar vooral ook de honderden pelgrims
die dagelijks van heinde en verre
toestromen in hun beste kleding. De vrouwen hebben donkere gewaden afgezet met een band van felle
kleuren. Daaronder dragen zij felgekleurde
kleding. Hun lange zwarte haren dragen zij in vlechten, die aan de uiteinden aan
elkaar zijn gebonden. Alle pelgrims volgen de drie kilometer lange korlam
of pelgrimsroute die om het klooster heenloopt. Zij lopen deze ronde in de
richting van de wijzers van de klok zoals de planeten zich rond de
zon bewegen. Langs de route staan in lange, laag
gebouwde galerijen vele honderden manikhorkor of gebedswielen. De galerijen worden af en toe
onderbroken door een grote hal met daarin
Boeddha beelden rondom een enorm
gebedswiel. Het is de
bedoeling dat de pelgrim alle gebedswielen een keer aan het draaien brengt. Door
het draaien van het wiel worden de soetra's of gebeden gelezen waarmee
men zijn geloof betuigt. Tijdens hun tocht murmelen de
pelgrims de naam van Boeddha in series van honderd maal. Om de tel niet kwijt te
raken hebben ze een rozenkrans in de hand. Als de
rozenkrans niet in gebruik is, houden ze hem als een ketting rond de pols
gedraaid of dragen ze hem om de hals.
Terug naar inhoudsopgave
Dali
Dali ligt in het zuidwesten van China op een hoogte van
tweeduizend meter. Hier woonden reeds vóór het begin van onze jaartelling
mensen van de Bai minderheid. In de derde eeuw voor Christus vonden zij hier
een doorgang naar Birma en India. De eerste keizer
van China bracht het gebied onder zijn gezag.
Sedertdien waren de reeds bestaande handelsroutes onderdeel van een groter handelsnetwerk.
In het midden van
de zevende eeuw vestigden de bewoners in de regio
een eigen koninkrijk Nanzhao of
Zuidelijke Stam ten zuiden van Dali. Aanvankelijk vormde dit
koninkrijk een verbond met de Chinese keizers. Maar geleidelijk
breidde het zijn macht uit om halverwege de achtste eeuw de legers van de keizer te verslaan.
Sedertdien vormden de
bewoners een welvarend en volledig onafhankelijk koninkrijk dat de handelsroutes
controleerde van China naar India en Birma.
In de tiende eeuw wierp een plaatselijke hoofdman het Nanzhao koninkrijk omver.
Hij stichtte een eigen
koninkrijk rond de hoofdstad Dali.
Halverwege de dertiende eeuw onderwierpen de Mongoolse
keizers
het
nieuwe rijk. De latere keizers zagen het zuidwesten als een
weinig aantrekkelijk buitengewest en gebruikten het gebied om er
ongewenste personen te laten verdwijnen.
Dali stamt uit het midden van de
achtste eeuw en is gebouwd door de toenmalige koning van Nanzhao. Het stadje
ligt op een smal bergplateau ingesloten door een meer en een bergketen. De stad
heeft een rechthoekige stadsmuur. De vroegere zuidelijke poort is later door een
stadsuitbreiding in het centrum komen te liggen. In het zuiden is een nieuwe
stadsmuur opgetrokken. De hoofdstraat loopt van noord naar zuid. Het is een
brede laan met aan beide zijden een rij bomen.
Vanuit de nabijgelegen bergen leiden watertunnels onder de stadsmuur door naar
beide zijden van de laan. Langs de laan liggen de huizen die alle een eigen binnenhof met een
veranda hebben. De achtermuur van de
huizen is van graniet en de voorkant
met ramen en deuren is van hout. De deuren en ramen hebben houtsnijwerk. De huizen hebben twee
verdiepingen waarvan de bovenste in gebruik is als opslagruimte. Op het dak
van de huizen liggen dakpannen. Halverwege
de dertiger jaren van de vorige eeuw waren de muren gepleisterd en onder het dak
versierd met witte en zwarte arabesken als herinnering aan de aanwezigheid van
vroegere Mongoolse keizers.
Dali ligt van oudsher in het gebied van
de karavaanroutes die van oost naar west trekken en van noord naar zuid richting
Tibet, Birma en India. Plaatselijke vervoerders, voornamelijk moslims en
Chinezen, transporteren op hun muilezels in groepen van ongeveer vijftig dieren
de kostbare lading die bestaat uit thee, zijde en katoen over berg en dal langs
woeste rivieren en door diepe kloven en dichte wouden. Ongeveer tien mannen
begeleiden de muilezels. Ze zijn voortdurend onderweg met hun vracht over onverharde paden die
glibberig zijn als het heeft geregend. De muilezels zijn bekend met de paden in
het bergachtige terrein die ze reeds vele malen hebben gelopen. Zo zijn ze
ongeveer twee weken op pad en ze stoppen onderweg alleen in karavaan serails met
stallen en schamele slaapvertrekken waar men goedkope maaltijden serveert.
Ze mijden angstvallig de drukke stadskernen die een vlotte doorgang van het
handelsvervoer hinderen. Eenmaal op de plaats van
bestemming laadt men de vracht over voor het volgende deel van de reis. Die is
in handen van andere vervoerders die beter bekend zijn met de plaatselijke
omstandigheden van het terrein. Ter plaatse neem men voor de terugweg een nieuwe
vracht aan handelswaar in ontvangst.
Dali en omgeving zijn van oudsher de woonplaats
van de Bai bevolking. De Bai zijn in hoofdzaak boeren die zich al eeuwenlang
toeleggen op de verbouw van rijst. Daarnaast verbouwden zij opium als een
marktgewas dat veel inkomsten opleverde totdat het verboden werd. Sindsdien is
de bevolking uitsluitend aangewezen op de verbouw van rijst als hoofdgewas en
tarwe als tweede gewas voor de winterperiode. Zowel mannen als vrouwen werken op
het veld. De verkoop op de markt is voor de vrouwen die hun vracht in manden
naar de stad vervoeren. Als extra steun dragen zij een band om het hoofd die de
zware mand in evenwicht moet houden. De
vrouwen hebben voorts nog huishoudelijke taken als zij terugkomen van het werk
op het veld of in de stad. De dorpjes langs het meer leggen zich toe op de landbouw
en visserij. Opvallend is dat men de mogelijkheden van de omringende bergen niet
benut. Er is geen veeteelt op de alpenweiden. Evenmin is er jacht of
verzameling van vruchten in de bossen op de berghellingen. Slechts op bescheiden schaal
vindt er houtkap plaats voor de versiering van de voorgevels in de stad. Ook
delft men er graniet om de achtergevels in de stad te versieren.
In de stad woont van oudsher familie van de
boeren in de omgeving. Ze hebben op de benedenverdieping
van hun woning kleine bedrijfjes ingericht zoals naai- en borduur ateliers,
steenhouwerijen, hoeden- en schoenmakerijen. Ze vervaardigen er hun
ambachtelijke producten volgens plaatselijke traditie. Zij verkopen
deze producten doorgaans in hun eigen werkplaats. Daar hebben ze in een apart
gedeelte een winkeltje ingericht. Daarnaast zijn er
slagerijen, bakkerijen en theehuizen. Ook rijke landheren hebben een woning in de stad waar zij
elkaars gezelschap
zoeken met talrijke uitnodigingen voor een avondmaaltijd aan huis. Ook bezoeken zij graag de markten waar plaatselijke handelaren hun koopwaar
aanbieden of brengen ze een bezoek aan een van de vele bedrijfjes en
winkeltjes. Periodiek zijn er grotere markten waar handelaren uit de hele
regio op af komen zoals paardenhandelaren uit Tibet en koper- en
aardewerkhandelaren uit Lijiang. Verder wonen in de stad zelfstandige
ondernemers en kooplieden van buiten de regio die in de geldhandel
zitten of (import) goederen verkopen. Deze mensen zijn afkomstig uit
andere delen van het land en hebben doorgaans geen familie onder de
boerenbevolking.
Dali is in de loop van de twintigste eeuw flink veranderd. Buiten de
stadspoorten en de gerestaureerde stadsmuur is er weinig bewaard gebleven van de
oorspronkelijke architectuur. Het plaveisel van de keistenen in de straten en enkele stenen
gebouwen zijn eveneens herinneringen aan het verleden van de stad. Datzelfde
geldt voor drie pagoden uit de negende eeuw in de nabijheid van de stad die zijn gebouwd door
bouwkundigen uit Xian. Veel oude woningen zijn echter in verval geraakt en
hebben plaats gemaakt voor nieuwbouw. De vroegere bewoners zijn vertrokken en
moderne ondernemers hebben hun plaats ingenomen. Velen zijn afkomstig van buiten
de regio en hebben verder geen familie in de omgeving. In de stad zijn nog nauwelijks traditionele bedrijfjes te vinden en de
kleurrijke markten van vroeger zijn nagenoeg verdwenen. In plaats daarvan
beheersen tegenwoordig talloze souvenirwinkels het straatbeeld. De souvenirs
worden vervaardigd in moderne fabrieken buiten de regio en aangevoerd langs
moderne autowegen. De vroegere handelskaravanen trekken niet meer door het
gebied. De toeristenindustrie heeft de stad veroverd die wordt bezocht
door drommen toeristen uit het gehele land. In de drukte vallen de Bai bewoners nauwelijks
op.
Ruim twintig kilometer ten noorden van Dali ligt het oude plaatsje
Xizhou waar dagelijks een kleurrijke markt is.
Op de markt wordt vooral
plaatselijke handelswaar verkocht zoals vis, vlees, groenten, graan en
traditionele nijverheid producten als batik kleding en borduurwerk. De stof voor de batik hemden wordt volgens voorschrift in speciale
bedrijfjes vervaardigd.
Nadat het patroon op de stof is aangebracht, wordt dat gedeelte van de stof dat
wit moet blijven, dichtgenaaid met kralen erop. Daarna wordt de stof in een ronde
houten tobbe met een donkerblauwe verfstof gedoopt. Tenslotte wordt de stof gedroogd. In
Xizhou is de oorspronkelijke Bai architectuur nog goed bewaard gebleven en
hebben sommige theehuizen hun karakteristieke uiterlijk behouden. Voor een van deze theehuizen verzamelen zich Bai
vrouwen in
plaatselijke klederdracht bij hun terugkeer van de markt. De
traditionele Bai klederdracht vindt men ook in Wase
een dorp aan de oevers van het nabijgelegen meer met een plaatselijke
markt. Daar verkoopt men fruit afkomstig van de talrijke boomgaarden op de
droge oostelijke oevers. Men verkoopt er ook brandhout, marmer en graniet afkomstig van de
bergen langs de westoever. Deze producten voert men aan per boot en zowel handel
als transport zijn in handen van de Bai.
De Bai
onderscheiden zich niet alleen in hun kleding van de bevolking elders in China. Ook in hun
spreektaal onderscheiden zij zich, hoewel de meesten van hen inmiddels tweetalig
zijn. Daarnaast onderscheiden zij zich in hun sociale relaties. Bij de Bai
bevolking regelen de ouders door tussenkomst van een bevriend
huwelijksbemiddelaar de bruiloft van hun kinderen. Het is niet
toegestaan dat zij vóór het huwelijk intieme betrekkingen hebben. De ouders
van de man betalen voor het huwelijk een bruidsschat aan de ouders van de vrouw.
Het komt
desalniettemin voor dat een jonge vrouw zich laat ontvoeren door een geliefde
die niet is uitgekozen door haar ouders.
Men aanvaardt dit op voorwaarde dat het liefdespaar alsnog in het huwelijk
treedt en de ouders schadeloos stelt. De vrouw komt in de hao of het
ouderlijk huis van haar man te wonen. Zolang de ouders leven blijven de
getrouwde zonen er wonen met hun gezin en de rest van de familie. Echtscheidingen
waarbij de vrouw terugkeert naar het huis van haar ouders komen nauwelijks voor.
In de rijkere families komt het een enkele keer voor dat de man een bijvrouw
neemt als het huwelijk niet slaagt en nageslacht uitblijft. Sommige rijken
hebben een dienstmeisje dat afkomstig is uit een arme boerenfamilie.
Bij de Bai
bevolking is van oudsher de familie de hoeksteen van de samenleving. Maar ook de
dorpsgemeenschap is van groot belang. Dorpsgenoten vereren
doorgaans een gemeenschappelijke voorouder of ber dser die bekend staat
als de stichter van de nederzetting. Hij wordt doorgaans vereerd door
verschillende families in hetzelfde dorp. De Bai trouwen alleen met hun eigen
dorpsgenoten. Het komt zelfs voor dat mensen met dezelfde achternaam met elkaar
trouwen. Ook daarin onderscheiden zij zich van de bevolking elders in China. De overheid
heeft in het verleden hard ingegrepen in deze
plaatselijke gewoonten en gebruiken. Tegenwoordig stelt men zich daarin veel
terughoudender op. Maar veel tradities dreigen te verdwijnen door de groei van
de toeristen industrie en door de opkomst van een nieuwe stedelijke middenklasse
die afkomstig is van buiten de regio. Daardoor maakt men kennis met nieuwe
kledingstijlen en samenlevingsverbanden. Ook in de spreektaal dreigen
traditionele termen en uitdrukkingen te verdwijnen. In de spreektaal dringen
steeds meer Chinese begrippen door hoewel ze een karakteristieke plaatselijke klankkleur
krijgen. Het moderne
onderwijs levert een niet geringe bijdrage aan deze teloorgang van oude
tradities.
Tegenwoordig is de godsdienst
van de Bai een mengeling van Chinese invloeden met lokale geesten- en godenverering.
Net als veel anderen voeren zij rituelen uit ter ere van hun voorouders bij een
huisaltaar. Zij vereren daarentegen slechts enkele boeddhistische heiligen. Die
beschouwen ze als goden
die bescherming bieden tegen kwade invloeden. Zij zien Kuan
Yin als de belangrijkste godin van de genade waaraan alle andere goden ondergeschikt zijn.
Ook aanbidden zij Tung Yueh een taoïstische god van de onderwereld. Die
bevrijdt de overledenen van hun aardse kwellingen, en bevordert tevens de
vruchtbaarheid van kinderloze vrouwen. Deze godheden hebben hun eigen festivals
waar men wierookstokjes brandt en geestengeld verbrandt. Daarnaast zijn er
festivals voor lokale godheden zoals Lur Wa de drakenkoning van het meer
en Sai Sur de berggod waarbij men dezelfde rituelen hanteert. Daarnaast
zijn er verscheidene ser of geesten die minder in aanzien staan en die
men alleen vereert in kleine tempeltjes of bij zelfgemaakte altaartjes. Men
vindt ze langs verkeerswegen, bij waterbronnen, rotsformaties en in bosstroken.
In de dorpen maakt men nog gebruik van sai dser of sjamanen die in geval
van ziekte de kwade geesten verdrijven door dansen en bezweringen.
Terug naar inhoudsopgave
Lijiang
Lijiang ligt honderdzestig kilometer ten noorden van Dali. Het
stadje bevindt zich in een vallei op een hoogte van
ruim tweeënhalf duizend meter. De bevolking
bestaat grotendeels uit leden van de Naxi minderheid. Die was in de vierde eeuw vanuit de bergen van Noordwest China
verdreven door binnenvallende nomaden. Op hun tocht naar het zuiden kwamen
zij terecht in het gebied rondom Lijiang. Daar stichtten zij een
vorstendom dat later door
het Nanzhao koninkrijk werd veroverd. Lange tijd was Lijiang het
eindpunt van de karavaanroute van Tibet naar China en traden de Naxi op als
bemiddelaars. In de dertiende
eeuw hebben de Mongoolse keizers het gebied ingelijfd bij de rest van hun rijk. Door de geïsoleerde ligging heeft Lijiang in de geschiedenis
verder geen rol van betekenis gespeeld. Het stadje is eeuwenlang ongemoeid
gelaten en heeft veel van zijn oude stratenpatroon behouden. De straatjes rondom het oude marktplein zijn met
keistenen geplaveid. De houten huizen bestaan uit twee
verdiepingen en zijn gebouwd rond een centrale binnenplaats van
keistenen in geometrische motieven met daarnaast bomen en planten. Vroeger
was de bovenverdieping een opslagruimte en woonde men op de begane grond.
Tegenwoordig vindt men overal in het stadje op de begane grond winkeltjes,
restaurantjes of herbergjes. In
de gehele stad zijn waterkanalen aangelegd
en waterbronnen in drie lagen. Uit de bovenste
laag dronk men
vroeger water. In de middelste laag waste men voedsel. In de
onderste laag waste men kleding. Een recente aardbeving heeft helaas veel
gebouwen verwoest. Ze worden echter gerestaureerd in de oorspronkelijke stijl.
De Naxi vormen een samenleving waarin de vrouwen van oudsher
een belangrijke plaats hebben. De vrouwen h adden
tot voor kort binnen
de yidu of familie de leiding in het werk en het
huishouden. De dabu
of familiehoofd was een vrouw die het vermogen van de familie beheerde en de
werkzaamheden verdeelde. De familie bestond uit drie of vier generaties bewoners
die een gezamenlijk huishouden voerden met de oudste vrouw doorgaans aan het
hoofd van het huishouden. Bij het overlijden van de dabu
ging haar taak over
op de meest bekwame dochter. Die
erfde ook het gehele familiebezit. In het
geval van een meningsverschil velden
de vrouwen
een oordeel. De mannen woonden en werkten
hun leven lang in het familiehuis van hun moeder. De nacht brachten zij door in de woning van hun partner.
Kinderen
uit deze tisese relatie behoorden toe aan
de familie van de vrouw.
De vrouwen droegen er gezamenlijk zorg voor hun opvoeding als emi of
pleegmoeder. Soms wist het kind niet eens wie zijn biologische moeder was. De
mannen zorgden voor de kinderen van hun zusters en de overige vrouwen in de
familie. Tegenwoordig zijn veel van deze tradities in
onbruik geraakt. Slechts bij een
kleine subgroep zijn ze nog in zwang.
In vroeger tijden leidden de
Naxi vrouwen het familiebedrijf en onderhandelden zij op het marktplein met de
kooplieden van de handelskaravaan uit India en Birma. Daar waren zij te vinden
in de talrijke herbergjes, restaurantjes en winkeltjes waar de kooplieden hun
handelwaar in- en verkochten. Daarnaast leidden de Naxi vrouwen uiteenlopende
bedrijfjes die zich toelegden op verschillende vormen van plattelandsnijverheid
zoals meubelmakerijen, schoenmakerijen, koperslagerijen en weverijen.
Tegenwoordig beheersen de
Naxi vrouwen
nog steeds het
economische en sociale leven in en rondom het centrum van Lijiang. Zij zijn
vooral te vinden op het marktplein waar zij onder meer een levendige handel
hebben in
traditioneel gemaakte
bakkersproducten. Ook
vindt men er winkeltjes waar traditionele Naxi kleding te koop is.
De kleding van de Naxi vrouwen is in honderden
jaren niet veranderd. Zij dragen een blauw hemd en broek met een blauw of zwart
schort. Daarboven dragen zij een cape in T-vorm. De cape biedt bescherming tegen de zware manden die de vrouwen
moeten dragen. Het bovenste gedeelte aan de achterkant is een donkerblauwe band
en stelt de donkere nacht voor. De onderste helft is
gemaakt van roomkleurige zijde of schapenhuid en staat voor het daglicht. De twee
helften zijn gescheiden door een zevental rondjes die de sterren en de maan
symboliseren. Vroeger werden op iedere schouder van de cape ook twee grotere cirkels aangebracht.
Die moesten de ogen voorstellen van een kikker.
Dat was tot de vijftiende eeuw een belangrijke godheid van de Naxi. Het geloof in een natuurgodsdienst is
echter minder geworden in de gemeenschap. Met het verdwijnen van hun
animistische geloof raakten ook de kikker ogen uit de mode. Maar de naam van het
kledingstuk herinnert nog steeds aan het oude geloof. Tegenwoordig is de godsdienst
van de Naxi een bonte mengeling van Tibetaans boeddhisme, islam en
taoïsme.
Van oudsher waren de lokale heersers van het mannelijk
geslacht. De Naxi mannen waren ook de hoeders van de tradities in de
gemeenschap. De dongba's of sjamanen waren bemiddelaars tussen de mensen
en de geestenwereld. Zij waren verantwoordelijk voor het overbrengen van de leer van de stam in
een
eigen
beeldschrift. Zij waren ook de enigen die het unieke pictogrammenschrift konden lezen en schrijven.
Dat was overigens geen echte schriftelijke weergave van de
gesproken taal, maar veeleer een ondersteuning van hun sjamaanse praktijken door
middel van symbolen. Die dienden als geheugensteun voor hun smeekbeden en
bezweringen aan de geestenwereld. De Dongba rituelen gaan gepaard met zang en
dans om de aandacht van de geesten te trekken. Men kan ze in drie groepen
verdelen: zoenoffers aan geesten en voorouders, bevrijding van hun zonden begaan
door overledenen en verdrijving van kwade geesten in het algemeen. In
het sociale en economische leven hebben de meeste Naxi mannen van oudsher een ondergeschikte rol. Velen van hen verrichten werkzaamheden als tuinman of
kinderverzorger. Anderen leggen zich toe op het maken van muziek.
De muziek was van oorsprong afkomstig uit taoïstische
plechtigheden die door de Mongolen in de dertiende eeuw naar Lijiang werd
gebracht. Daar is de muziek bewaard gebleven en vermengd met inheemse elementen.
De laatste
jaren herleven de traditionele
muziek orkesten
weer na een ban tijdens de Culturele Revolutie. Naast deze taken hebben de
mannen altijd de tijd gehad om hun passie voor paarden uit te leven. De Naxi
mannen gaan doorgaans gekleed in het zwart of donkerblauw.
Terug naar inhoudsopgave
Zhongdien
Het plaatsje Zhongdien ligt bijna
tweehonderd kilometer ten noordwesten van Lijiang. Het dorp ligt op ruim
drieduizend meter hoogte aan de grens met Tibet. In de omgeving
zijn uitgestrekte ganjia of graslanden. Er wonen voornamelijk Tibetanen:
(1) de boeren die op één plaats blijven, het land bebouwen en handel drijven;
(2) de nomaden of drokpa's die met hun families en kuddes vee
rondtrekken. De boeren leven vooral
in de vruchtbare dorpsvallei, maar ook op de hooggelegen bergweiden. In het dorp
bestaat een boerenwoning meestal uit twee
verdiepingen met een plat dak. De woning is gemaakt
van hout
of gedroogde
kleiblokken. Op de begane grond
is de ingang, een hal met keuken en
een bijkamer of opslagruimte. In
de keuken staat een kang of bed van baksteen waaronder een houtvuur wordt
geplaatst voor warmte tijdens de koude wintermaanden. Op de bovenste verdieping
liggen de woonvertrekken. De boeren op de
bergweiden wonen in kleine berghutten. Regelmatig gaan ze naar het dorp om voorraden in te slaan.
De
nomaden of drokpa's daarentegen leven met hun families en kuddes vee op de
hoogvlakten en verblijven in tenten met vijf tot zes personen.
In de zomer wonen zij in
lichte katoenen tenten met een kleurige opdruk. In de winter leven zij in
donkere tenten van jak haar. Het vuur
van gedroogde mest dient als kookplaats en verwarmt
dan de tent. De rook gaat
door een pijpje via het dak naar buiten.
In het algemeen dragen de Tibetanen nog traditionele kleding.
Mannen dragen een chuba of zware mantel van wol of schapenvacht. Die
wordt vanaf
één schouder en rond het middel bijeengehouden door een brede leren of geweven
riem. Daaronder dragen zij persoonlijke dingen zoals een mes. Bij de mannen reikt
de chuba gewoonlijk tot op de knie. Bij de vrouwen reikt die tot op de
enkels.
Bovendien zijn de mouwen korter. Onder de chuba draagt men vaak gekleurde of vilten laarzen met
leren zolen. De mannen dragen verschillende soorten hoofddeksels. De vrouwen
dragen over hun jurk een felgekleurd schortje, bestaande uit drie geweven banen
stof met horizontale strepen. De vrouwen dragen sieraden die hun rijkdom toont
zoals koralen halskettingen en zilveren
haarspelden, armbanden of ringen. Ook
dragen zij vaak om de hals fraai bewerkte talismannen en
gawu of gouden dan wel zilveren
doosjes met daarin relikwieën en mantra's. De talismannen zijn afbeeldingen van
beschermheiligen tegen ongeluk en kwade invloeden. Mannen én vrouwen dragen aan de ceintuur een
tasje waarin zij vroeger vuursteentjes bewaarden. De vrouwen dragen het haar in twee
vlechten, die over het hoofd heen worden gebonden met een felgekleurd
lint erdoorheen. Als hoofddeksel hebben zij vaak een kleurige vierkant gevouwen
sjaal.
Terug naar inhoudsopgave
Yangshuo
In het afgelegen zuidoosten van China ligt het plaatsje Yangshuo
omsloten door
bergketens. In de derde eeuw voor Christus wisten legers van de eerste keizer het gebied
te veroveren op de oorspronkelijke bevolking. De
omgeving is vooral bekend om zijn unieke landschap van met groen bedekte kalksteenformaties
temidden van rijstvelden. Ooit was het gebied een zeebedding van kalksteen. Door aardverschuivingen
ontstonden plateaus en valleien en werden honderden karst of kalksteenformaties gevormd. Eeuwenlange erosie door een combinatie van wind,
zeewater en regen zorgde voor de grillige vormen van de kalksteenformaties. Ze
hebben er verschillende bijnamen aan overgehouden zoals de Maanheuvel. Deze
heuvel in de omgeving van Yangshuo heeft een gat in de vorm van een maan. In de omgeving van Yangshuo
vist men nog op een traditionele manier, waarbij de visser gebruik maakt van
aalscholvers. Deze vogels staan op smalle bootjes van bamboerietstengels en
halen visjes uit de rivier voor de visser. De
vogels hebben een ring om hun nek en kunnen om die reden de vis niet doorslikken.
Als ze een vis hebben gevangen, dan haalt de visser ze met een haak uit het water.
Vervolgens laat hij ze de vis in een mand uitspugen.
Terug naar inhoudsopgave
Ping An
Op honderd kilometer ten noordwesten van Yangshuo ligt het
dorpje Ping An. Het dorpje ligt op een hoogte van duizend meter en is geheel
omsloten door bergketens. Het dorpje heeft uitsluitend bergpaadjes met stenen trappen
waarop geen verkeer mogelijk is.
gebouwen in het dorp zijn gemaakt van hout. Ze zijn gebouwd
tegen de berghelling en steunen op houten pilaren. Sommige zijn enkele honderden
jaren oud. Het onderste deel van een gebouw gebruikt men om voorraden op te
slaan en het vee onder te brengen. Dit gedeelte is doorgaans afgesloten met
stenen en rotsblokken. Daarbovenop telt het gebouw een tweede verdieping met een
veranda. Dat is het eigenlijke woongedeelte. Aan de voorkant van het gebouw
bevindt zich doorgaans een grote kamer waar men verblijf houdt en handenarbeid
verricht. Aan de achterkant bevindt zich de keuken waar men het voedsel bereidt.
Daar bevinden zich tevens de slaapvertrekken. Ping An is van oudsher een dorp van
rijstboeren. Ze verbouwen daarnaast ook graan en zoete aardappelen. In hun
groentetuinen telen zij vooral pepers, knoflook,
radijzen en bamboespruiten naast komkommers
en tomaten. In en rondom het dorp
treft men mensen aan van de Yao
minderheid. Die zijn van oorsprong afkomstig uit een gebied langs de Yangtze rivier in het centrale zuiden van China. Ze
trokken zich zeshonderd jaar geleden terug in
de regio rond Ping An toen steeds meer Han Chinezen
zich in hun oorspronkelijke
woongebied vestigden. Ze ontdekten dat er in de bergen rondom
Ping
An natuurlijke
bronnen zitten die het water omhoogstuwen naar de top. Vele generaties
hebben sedertdien de berghellingen getransformeerd in terrassen. Het water wordt
in bamboe pijpen langs de
terrassen geleid en de natte rijstbouw is sindsdien de bron van hun bestaan. De terrassen hebben de berghellingen doen kartelen en daarom
wordt het hele gebied ook aangeduid als Longsheng of Drakenrug. Omdat de rijstterrassen
tegen een steile berghelling op liggen, is het niet mogelijk om de velden te
ploegen met behulp van een brede ossenkar. In plaats daarvan trekken
de vrouwen zelf een smalle ploeg voort door de rijstvelden.
De kleurrijk geklede
Yao vrouwen zijn bekend om hun lange haar. Dat laten ze groeien totdat ze geslachtsrijp zijn. Dan wordt het haar afgeknipt
en als haarstuk ingevlochten in het haar dat ze weer laten groeien. Ze binden
het haar op in een zwarte glimmende spiraalvorm en daaromheen wikkelen ze een
zwarte tulband van wol of katoen. De tulband knopen zij in verschillende vormen
met doorgaans een knot aan de voorzijde. Ook in de rest van hun kleding
onderscheiden zij zich van andere bevolkingsgroepen. Ze dragen een roze vestje
waarvan de mouwen met de hand zijn geweven in geometrische motieven. De kraag is
met de hand geborduurd. Om hun middel dragen zij een geborduurde band waaraan
zilverkleurige trossen hangen. Daaronder dragen zij een geplooide rok tot aan de
knieën met een zwarte legging. De vrouwen hebben een voorkeur voor zilveren
sieraden. Ze dragen zilveren oorringen die hun oorlellen uitrekken en zilveren
armbanden met motieven van vogels en bloemen erop. Ook de mannen dragen soms
zilveren sieraden. Maar voor het overige onderscheiden zij zich in hun kleding
niet van de rest van de bevolking. Net als menig ander geven zij de voorkeur aan
een hemd en daaronder een broek.
De Yao hebben een eigen spreektaal. Omdat ze
over een groot gebied verspreid wonen zijn er plaatselijke dialecten ontstaan
met aanzienlijke verschillen. De meesten van hen beheersen daarnaast ook het
Chinees. Dat is ook hun schrijftaal omdat ze geen eigen schrift hebben
ontwikkeld. Ze zijn trots op hun mondelinge overlevering in de vorm van liederen
die ze van generatie op generatie doorgeven. Daarin bezingen ze onder meer hun
eigen geschiedenis. Maar ook zingen ze over de schepping van hemel en aarde. Ze
zijn soms ernstig over de zin van het bestaan. Maar soms ook vertellen ze een
vrolijk verhaal. Van oudsher betuigen jonge stellen hun liefde voor elkaar in
een lied. Liederen zijn op die manier een wezenlijk onderdeel geworden van hun
levenswijze. Als begeleiding gebruiken ze een lange trommel waarmee ze tevens
een goede oogst vieren en hun voorouders vereren. Sommige van deze trommels zijn
versierd met vogels, bloemen, draken en feniksen. Andere hebben bellen in het
midden en aan de uiteinden. Daarnaast hebben ze houten blaasinstrumenten. Uit
hun liederen blijkt vaak ook hun godsdienstige overtuiging. Die is een
mengeling van Chinese invloeden met verering van lokale goden. Daarnaast vereren
ze hun voorouders.
Het traditionele Ping An ondergaat de laatste
jaren geleidelijke verandering onder invloed van het ontluikende toerisme.
Vooralsnog geeft de plaatselijke bevolking haar gebruiken en gewoonten hiervoor
niet op. Integendeel, die vormen juist de aantrekkingskracht voor het
kleinschalige toerisme. Zo maken de Yao vrouwen voor toeristen hun haar los
tegen betaling van een kleine vergoeding om het vervolgens te kammen en weer op
te binden. Ook laten zij zich graag tegen betaling in traditionele kleding
fotograferen op een pittoreske plaats vaak boven op een berghelling met uitzicht
op het dorp en de rijstterrassen. Maar de toeristen industrie groeit snel.
Nagenoeg ieder gebouw in het dorp heeft tegenwoordig een gastenverblijf waar
lokale families voor een bescheiden prijs voedsel en onderdak bieden aan
bezoekers. Veel van deze gastenverblijven zijn de afgelopen jaren nieuw gebouwd
en en ze groeien snel in aantal. Weliswaar zijn er in het dorp nog geen
souvenirwinkels, maar in stalletjes vlak bij het dorp verkoopt men lokale
producten zoals rijstwijn en geborduurde handwerk. Enkele jaren geleden is een
autoweg aangelegd tot aan de voet van de berg en voor het gemak van de toeristen
heeft men elektriciteit aangelegd en de bergpaden verlicht. Men heeft er zelfs
al toegang tot het internet.
Terug naar inhoudsopgave
Literatuur
Fitzgerald, C.P.
 - "The Tower of Five Glories", uitgave van Caravan
Press.
Flower, Kathy
- "Cultuur Bewust! China", uitgave in de reeks Cultuur Bewust van
CultureShock! Consulting
Harper, Damian e.a.
- "China", uitgave in de reeks reisgidsen van Lonely Planet
Jansen, Inge en Karin
Schaedtler - "China", uitgave in de reeks reisgidsen van Dominicus
Mitchell, Sam
- "Ethnic Minority Issues in Yunnan", uitgave van Yunnan Fine Arts Publishing House
Namjiyal, Gonbo
- "Journey through Labrang Culture",
uitgave van Lanzhou University Press
Terug naar inhoudsopgave
|