Henk Sebregts 

Home Sitemap Help Vragen Nieuw Zoeken Contact

 

India 

Het Verre Oosten in Woord en Beeld 

 
 

 

Informatie
 

 

Zoek op trefwoord:

 

 

Orissa

Orissa grenst in het noorden aan West-Bengalen en Bihar, in het oosten aan de Golf van Bengalen, in het zuiden aan Andhra Pradesh en in het westen aan Madhya Pradesh. Wie aan Orissa denkt, ziet rijst, rijst en nog eens rijst. En terecht, want dit is het belangrijkste gewas en de rijstbouw biedt werk aan 75 procent van de bevolking. Orissa is een echte plattelandsstaat, met slechts een paar grote steden en weinig industrie. De vruchtbare kuststrook is dichter bevolkt dan de gebieden in het binnenland. Orissa is een van de minst ontwikkelde deelstaten.  De meerderheid van de bevolking leeft onder het bestaansminimum en de helft van de inwoners is analfabeet. De deelstaat heeft 37 miljoen inwoners, waarvan een kwart tot de etnisch culturele minderheden (tribalen) behoort. De meest gesproken taal is Oriya.

Het landschap bestaat uit een smalle, heel vruchtbare kustvlakte die overgaat in de heuvels van de Oost Ghats en verder in de centrale hoogvlakte. Het gebied in het noorden en noordwesten is heuvelachtig. Een fors aantal kleine en grote rivieren stroomt door de deelstaat naar de Golf van Bengalen. Omdat deze rivieren tijdens de moessonregens buiten hun oevers treden brengen zij veel schade toe aan  het landschap. Hun onregelmatige loop maakt de aanleg van (spoor)wegen extra kostbaar vanwege de noodzaak van bruggenbouw. Door de aanleg van een waterkrachtcentrale heeft de betrekkelijk smalle Machhakund rivier grote bekendheid gekregen. Vlakbij ligt de Duduma-waterval waar het water 165 meter naar beneden stort. Daarnaast geniet ook het Chilika meer faam als het grootste zoutmeer van India. Het meer was oorspronkelijk een deel van de Golf van Bengalen, maar door duinvorming is het een zelfstandig meer geworden. Het klimaat wordt beïnvloed door de zuidwest moesson en de terugtrekkende noordoost moesson die veel regen brengen. In de maanden oktober en november als de moesson zich terugtrekt treedt er van tijd tot tijd een cycloon storm op die veel schade veroorzaakt aan het kustgebied.

Orissa maakte ooit deel uit van het koninkrijk Kalinga. Op het toppunt van hun macht kwamen de vorsten van Kalinga in conflict met keizer Ashoka. In 260 v. Chr. versloeg Ashoka de Kalinga’s op vernietigende wijze. Maar de keizer was geschokt door het zinloze bloedvergieten. Hij zwoer daarom het oorlogvoeren af en bekeerde zich tot het geweldloze boeddhisme. De bloeitijd van de regio begon met de komst van het hindoeïsme. Vanaf de 9de eeuw verrezen hier duizenden tempels. Daarvan zijn er veel bewaard gebleven, ondanks de verwoestingen door binnenvallende islamitische legers. Tussen de 16de en 19de eeuw was de streek achtereenvolgens in handen van mogols, Afghanen en Marathen. In deze periode arriveerden ook de eerste Europeanen in Orissa.  De Portugezen kwamen reeds in 1514 aan in Orissa. Na hen volgden de Nederlanders in 1625. In 1803 namen de Britten de macht over nadat zij een halve eeuw eerder al na de slag bij Plassey in het noordelijker gelegen Bengalen de Europese rivaliteit in hun voordeel hadden beslecht. De Britten verdeelden het gebied in drie districten die ieder vanuit een ander centrum werden bestuurd. Verschillende keren kwam de bevolking in opstand tegen het Britse bestuur. De Britse gebiedsindeling hield geen rekening met de natuurlijke grenzen en bovendien raakte het taalgebied versnipperd. Na langdurig aandringen van de Oriya werd op 1 april 1936 de provincie Orissa opgericht. De huidige deelstaat Orissa kwam in 1949 tot stand na samenvoeging met een groot aantal inheemse gebieden die van oudsher binnen de natuurlijke grenzen van het gebied lagen.

Door de eeuwen heen is Orissa een trefpunt geweest van verschillende culturen en volksverhuizingen vanuit andere delen van het land.  Dat komt tot uitdrukking in de tempels en de tempelcultus, de muziek en dans, de schilderkunst en de volkskunst van de Oriya die worden gekenmerkt door een eigen stijl. De architectuur in Orissa vindt zijn hoogtepunt in de tempels. Hun stijl van architectuur staat bekend als de Kalinga stijl. Een tempel die in deze stijl is gebouwd bestaat uit een twee-eenheid, te weten de hoofdtempel en het voorportaal. De hoofdtempel, de deul, is het heiligdom en herbergt de godheid. Het voorportaal, de jagamohan, is de vergaderruimte waar de gelovigen bijeenkomen. De hoofdtempel heeft een vierkante basis waarboven zich een kromlijnige  toren (sikhar) verheft. Het voorportaal heeft een rechthoekige basis en bestaat uit een reeks aflopende, horizontale terrassen (pidhas) die een piramidestructuur vormen. Beide tempelgedeelten zijn onderling aan elkaar verbonden. Sommige tempels die in deze stijl zijn gebouwd behoren tot de mooiste van de wereld zoals de Lingaraj Mandir in Bhubaneswar, de Jagannath tempel in Puri en de Tempel van de Zon in Konark.

In de aanbidding van Jagannath komt de mengeling van verschillende culturen samen. Hij werd in vroeger tijden al vereerd door de oorspronkelijke bewoners of adivasis in het binnenland van Orissa. Zijn cultus is later in verschillende sanskriet geschriften beschreven. Geleidelijk omarmden naast de hindoes ook andere religieuze stromingen zoals de jainisten en de boeddhisten deze godheid. Dientengevolge wordt de cultus van  Jagannath beschouwd als de godsdienst van het gehele volk. Net als in andere staten bestaat er in Orissa een kastenstelsel dat de bevolking verdeelt in verschillende gemeenschappen op basis van afkomst en leefwijze. Ondanks een strikte scheiding tussen de verschillende kasten staan alle tempels gewijd aan  Jagannath open voor iedereen. In het binnenste van de tempel bevinden zich de beelden van Jagannath en van zijn broer Balabhadra en zijn zus Subhadra. Hun ruwe vorm herinnert aan de tribale oorsprong van de cultus. Deze oorsprong wordt nog eens benadrukt door de aanwezigheid van een groep priesters of daita's die de verwanten van Jagannath worden genoemd. Men neemt aan dat zij afstammelingen zijn van de adivasis. Alleen de daita's mogen handelingen verrichten die nauw contact inhouden met de godheid, zoals het kleden en verplaatsen van zijn beeld.

De Odissi dans en muziek is van een klassieke schoonheid. De sculptuur en architectuur van de tempels in Orissa hebben de andere kunstvormen in de deelstaat rijkelijk beïnvloed – waaronder de klassieke dans, Odissi, die vaak wordt beschreven als een gebeeldhouwde beweging met houdingen die de tempelafbeeldingen in Orissa weerspiegelen. Eén van de meest bekende danseressen van dit moment is Madhumita Mishra. Door  middel van dansvoorstellingen binnen en buiten Orissa draagt zij het culturele erfgoed van Orissa uit. Publieksfolders omschrijven haar voorstellingen als het resultaat van de dansen door de danseressen (devadasis) die zijn afgebeeld op de tempel van Heer Jagannath. Naast een opleiding in klassieke dans en muziek heeft zij een moderne academische opleiding voltooid in computertoepassingen.

Alle drie hoofdcategorieën van de Orissa schilderkunst, de Bitt chitra of de muurschilderingen, de Pata chitra of de textielschilderingen en de Talapatra chitra of de palmbladgravures, hebben min of meer dezelfde stijl en hetzelfde onderwerp. Ook de schilderkunst is sterk beïnvloed door de tempelcultuur. De belangrijkste muurschilderingen vindt men in de tempels. Daarnaast is er een rijke tribale cultuur van muurschilderingen zoals bij de Kondh. Zij beschilderen hun muren in het algemeen met meetkundige ontwerpen. Het onderwerp van veel textielschilderingen beperkt zich tot religieuze thema’s zoals het verhaal van Rama en Krishna. De palmbladgravures beelden traditioneel tempels, goden en triomfwagens uit.

De volkskunst van Orissa hangt nauw samen met de sociale en religieuze activiteiten. In het oogstseizoen, als het graan wordt gedorst en opgeslagen, versieren vooral de vrouwen de lemen muren en vloeren van hun huisjes met muurschilderingen door middel van een witte rijstpasta. Deze jhoti hebben niet allen ten doel om het huis te versieren, maar ook om een band te vestigen tussen het geestelijke en het stoffelijke. Voor iedere gelegenheid schildert men een apart motief op de vloer of op de muur, zoals een piramidevormige stapel rijst met daarboven witte en rode stippen. De vrouwen schilderen de afbeeldingen met hun vingers gedoopt  in de rijstpasta.  Soms gebruiken ze een zelfgemaakte kwast van een takje met daaromheen een stukje stof gewikkeld. Op de vloeren tekent men muruja door middel van poeder met verschillende kleuren. Wit poeder verkrijgt men door het vermalen van steen, groen poeder door het stuk wrijven van droge bladeren, zwart poeder haalt men uit de as van verbrande kokosschillen, geel poeder wordt vervaardigd uit de bloembladeren van goudsbloemen en rood poeder uit klei of baksteen.

Orissa met als hoofdstad Bhubaneswar begint langzaam op te komen als een toeristische bestemming. De voornaamste bezienswaardigheden liggen in de zogeheten Gouden Driehoek: de tempels van Bhubaneswar, de tempel van Heer Jagannath in Puri en de Zonnetempel van Konark. Deze tempels vormen hoogtepunten in de geschiedenis van het hindoeïsme en genieten nationale zowel als internationale bekendheid. Daarnaast vindt men er de badplaats Gopalpur-on-Sea en het Chilika meer. Wie het ongerepte binnenland wil verkennen, kan een Adivasi rondreis langs de dorpen van de etnische minderheden maken. De minderheden of tribalen stammen direct af van de oerbevolking van India. Een deel van hen is door activiteiten van missionarissen (in naam) christen, maar de meesten zijn animist. Het merendeel leeft afgezonderd in districten als Phulabani, Rayagada en Koraput in het zuidwesten van Orissa. Op weg daarheen kan men in de aangrenzende districten rustieke hindoe dorpjes bezoeken zoals Itamati en Gopinathpur in de provincie Nayagarh.  In het dorp Chandaragiri in het district Gajapati vindt men een boeddhistische minderheid: een Tibetaanse vluchtelingengemeenschap van mensen die in de twintigste eeuw op de vlucht zijn geslagen voor de bezetting van hun land door de Chinezen.

Terug naar inhoudsopgave

 

Bhubaneswar Video Bhubaneswar

Bhubaneswar heeft 650.000 inwoners en ligt in de buurt van de plaats waar meer dan 2000 jaar geleden de hoofdstad van het koninkrijk Kalinga lag. Deze stad stond bekend als Ekamrakshetra en was een vooraanstaand religieus centrum. Volgens de bewoners was de stad de favoriete verblijfplaats van de god Shiva. In 1950 werd Bhubaneswar hoofdstad van Orissa in plaats van het overvolle Cuttack. Bhubaneswar is een unieke mengeling van oud en nieuw. De nieuwe stad is een snelgroeiende plaats met moderne gebouwen, die aan de vooravond van een grootschalige industrialisatie staat. Het straatbeeld verraadt overigens nog veel invloeden van het omringende platteland.  In de plantsoenen langs de wegen ziet men de schamele woningen van voormalige plattelandsbewoners die met de verkoop van groenten, fruit en nijverheidsproducten in hun levensonderhoud trachten te voorzien. De oude stad in het zuiden verleent Bhubaneswar de naam van tempelstad. Ooit stonden er 7000 tempels, waarvan er na de verwoestingen ten tijde van de Mogol overheersing nog 500 over zijn. De voornaamste attracties van Bhubaneswar zijn de tempels die tussen de 8ste en 13de eeuw zijn gebouwd, met als hoogtepunt de Lingaraj Mandir. 

De meeste tempels liggen rond het kunstmatige meer Bindu Sagar of Druppel van de Oceaan. Het meer bevat volgens de overlevering water uit elke heilige rivier in India en een bad in het meer staat garant voor het afwassen van alle zonden. De van zonde bevrijdende kracht wordt nog steeds aangevuld door water uit de Ganges. Dat water wordt meegebracht door terugkerende pelgrims in zoveel flessen als ze kunnen dragen. Volgens de geschiedenis is het meer eens omringd geweest door zevenduizend tempels. Het hindoeïsme was hier onder de invloed van een vruchtbaarheidscultus gekomen en dat bleek uit de fallische inspiratie van hun hoge torens en uit de erotische reliëfs op de wanden. Veel van deze tempels zijn in de zestiende eeuw vernietigd of beschadigd door de Mogols vanwege hun erotische voorstellingen. Aan de oever van het meer ligt onder andere de tempel van Ananta Vasudev. De tempel is in 1278 gebouwd. In deze tempel worden vooral Balabhadra en Subhadra – broer en zus van Jagannath- aanbeden. De tempel vertoont enige gelijkenis met de tempel van Heer Jagannath in Puri. In deze tempel verkoopt men op grote schaal het heilig voedsel (prasad) aan de bevolking.

De Mukteswar Mandir is een tempel uit de 10de eeuw en is kenmerkend voor de overgangsfase tussen de vroege en latere stijl van de Kalinga-architectuur. Ofschoon de jagamohan nog vele kenmerken heeft van de vroegere bouwstijl, is het ontworpen als een zelfstandig bouwwerk in plaats van alleen maar een voorportaal voor de eigenlijke tempel. Zowel de jagamohan als de hoofdtempel zijn gebouwd op een verhoging met gebeeldhouwde muren. Voor het bouwwerk staat een mooie toegangspoort of torana, een booggewelf versierd met boeddhabeelden en makara’s, mythologische krokodillen. De tempel is overdekt met fijn beeldhouwwerk. In het heiligdom bevindt zich een lingam met een cobra, het symbool van Shiva. Achter het gebouw ligt een heilige vijver die dienst doet als wasplaats voor de lokale bevolking. Op het tempelterrein ligt ook de Siddeswar Mandir. Dit bouwwerk is van later datum en mist het gedetailleerde beeldhouwwerk van de Mukteswar Mandir. De nissen in de buitenmuur van het terrein bevatten naast hindoeïstische ook boeddhistische en jainistische beelden, hetgeen duidt op een samensmelting van de verschillende godsdiensten in Orissa.

De beroemdste tempel van Bhubaneswar is de Lingaraj Mandir. De tempel is gewijd aan Lingaraj of  Shiva als “heer van het universum”. Dit 1000 jaar oude heiligdom is gebouwd door de dynastieën van Kesari’s en Ganga’s. Het bouwwerk steekt boven de stad uit en zijn hoge  toren is tot in de verre omgeving te zien. Alleen hindoes mogen de tempel betreden. Anderen kunnen het complex vanaf een platform aan de noordkant bekijken. Het ommuurde terrein bestaat uit tientallen gebouwen versierd met heel interessante reliëfs. Voornaamste bouwwerken zijn het allerheiligste met een 55 meter hoge toren, de vergaderzaal, de danshal en de offerzaal. De fijne sculpturen beelden koningen, koninginnen, hofdansers, jagers, muzikanten, enzovoorts uit.

De Raj Rani Mandir is een sierlijke tempel uit het begin van de 11de eeuw en ligt in een grote en goed onderhouden tuin. Het bouwwerk is opgetrokken uit stenen blokken die verschillende tinten hebben. Lokaal staan de kleuren bekend als raja (donkerbruin) en rani (geelgetint). Helaas is de tempel in de loop der tijden hersteld en als gevolg daarvan heeft de jagamohan nauwelijks versieringen. Daarentegen is de hoofdtempel voorzien van prachtig beeldhouwwerk. De bolvormige toren (sikhar) bestaat uit bolvormige minitorens waardoor een symmetrisch effect wordt bereikt: het lijkt alsof de hoofdtoren uitstijgt boven een reeks kleinere torens zoals een hoge bergtop  verrijst boven lagere toppen. Het beeldhouwwerk op de buitenkant is subliem, met beelden van ruiters en danseressen.

De tempel van Brahma – de Brahmeswar Mandir – ligt twee kilometer buiten de stad. Het bouwwerk dateert uit de 11de eeuw en lijkt qua architectuur en beeldhouwkunst op Mukteswar Mandir. Het heiligdom staat op een ommuurd platform, met op de vier hoeken kleine sikhara’s en is overdekt met (erotisch) beeldhouwwerk. Voor de constructie van deze tempel werden voor het eerst ijzeren balken gebruikt.

Ongeveer acht kilometer buiten Bhubaneswar liggen twee heuvels die bezaaid zijn met grotten. Ze zouden in de 2de en 1ste eeuw v. Chr. zijn uitgehakt om plaats te bieden aan de vorsten van Kalinga en hun familie, na de nederlaag tegen keizer Ashoka. In deze periode en ook later nog gebruikten jaina kluizenaars de grotten om er te mediteren. De grotten liggen op verschillende niveaus en bestaan uit een of meer kluizenaarscellen. Enkele zijn voorzien van een veranda met pilaren aan de voorzijde. In totaal zijn er achttien grotten op de Udaygiri heuvel. De Rani Nur Gumpha, de Grot van de Koningin aan de voet van de heuvel, is gebouwd door koning Kharavela in de 2de eeuw v. Chr. De grot telt twee verdiepingen met ieder vier cellen. Op de muren zijn afbeeldingen te zien van jaina legenden en portretten van Kalinga vorsten. Op de gebeeldhouwde friezen zijn bekende legendes en historische scènes afgebeeld naast religieuze voorstellingen. De Hathi Gumpa of Olifantsgrot bevat een inscriptie van koning Kharavela. Voor de Ganesh Gumpha staan twee stenen olifanten. De muren boven de ingangen naar de cellen hebben schitterend beeldhouwwerk, met jachtscènes en een afbeelding van boeddha onder de bodhiboom. In de rechtercel staat een beeld van Ganesh. De Khandagiri heuvel telt vijftien grotten. Daarvan is de Ananta grot de voornaamste bezienswaardigheid. 

Onder de heerschappij van de Kalinga vorsten bloeide het jainisme. Vooral onder koning Kharavela in de eerste eeuw v. Chr. werden de twee heuvels belangrijke centra van het jainistisch geloof. Na het uiteenvallen van het koninkrijk kwam het boeddhisme in opmars in de tweede eeuw n. Chr. om later plaats te maken voor de bloeitijd van het hindoeïsme die in de achtste eeuw n. Chr. een aanvang nam. Zoals reeds vermeld werden sindsdien in en rond Bhubaneswar verschillende tempels gebouwd die aan Shiva waren gewijd, zoals de reeds genoemde Lingaraj Mandir. Velen van deze tempels kwamen tot stand onder heerschappij van de Kesari dynastie die de verspreiding van het boeddhisme ontmoedigde en tegelijkertijd een lichte heropleving van het jainisme aanvaardde. Nog steeds zijn de twee heuvels in trek bij veel mensen. De heuvels en de wijde omtrek wemelen van gelovigen en heilige mannen van allerlei aard. De heuvels liggen op de route van saddhu's die bezig zijn met een soms jarenlange pelgrimstocht om hun karma te versterken. Daarnaast bezoeken gelovigen de heuvels om er met hun gezin in aanwezigheid van de goden te ontspannen.

Terug naar inhoudsopgave

 

Puri Video Puri

Puri heeft 150.000 inwoners en ligt aan de Golf van Bengalen op 60 kilometer afstand van Bhubaneswar. De stad geldt als woonplaats van Jagannath, een manifestatie van Vishnoe en is een van de heiligste bedevaartplaatsen van India. De voornaamste trekpleister is de Jagannath tempel die zich op een hoogte bevindt en hoog boven de omgeving uittorent. Van de tempel naar het busstation loopt Grand Road. Deze straat is zeer breed om de honderdduizenden bezoekers te kunnen verwerken die jaarlijks op het Festival van de Kar afkomen. Tijdens het festival trekken duizenden mensen feestkarren door de straat. De voorste kar, die van Heer Jagannath, is vijftien meter hoog en rijdt op zestien wielen. Als hij eenmaal rijdt kan hij door zijn grote gewicht van meer dan honderd ton nauwelijks meer worden gestopt. In het verleden garandeerde men onmiddellijke toelating tot het paradijs voor personen die zich onder de wielen wierpen. Zelfs nu nog worden de ledematen van pelgrims in vrome razernij verbrijzeld of verminkt onder de voorbijtrekkende karren. Dergelijke mensen beschouwt men als martelaren. Markt- en winkelkraampjes die allerlei pelgrimssouvenirs verkopen domineren het straatbeeld van de Grand Road en de kronkelige zijstraatjes rondom de tempel. Datzelfde geldt voor de loslopende koeien en de groepjes verminkte en mismaakte bedelaars.

De tempel van Heer Jagannath is gebouwd tijdens de regeerperiode van koning Chodaganga Deva in 1198 n. Chr.  Deze koning behoorde tot de Ganga dynastie die tot 1435 over Orissa zou heersen. Het heiligdom is alleen voor hindoes toegankelijk. In deze tempel zijn  tussen de hindoes geen kastenverschillen. Anderen kunnen het complex vanaf het dak van de tegenover gelegen bibliotheek bezichtigen. De vuurrode vlaggen aan de witte toppen die de hoge toren van de tempel sieren zijn al van ver te zien. Het tempelterrein is omringd door een zes meter hoge muur en heeft vier ingangen. Hoofdingang is de Leeuwenpoort, geflankeerd door twee stenen leeuwen. Op het voornaamste gedeelte van het terrein staan vier gebouwen: 1. de 65 meter hoge sikhar of hoofdtempel; 2. de jagamohan of vergaderhal; 3. de natamandap of danshal; 4. de bhogamandap of gaarkeuken. De immens grote keuken, waar voedsel wordt bereid voor meer dan 6000 mensen, trekt meteen de aandacht. In de tempel bevinden zich beelden van Jagannath en van zijn broer Balabhadra en zijn zus Subhadra. De sikhar was ooit bedekt met een dikke, wit gepleisterde laag die het beeldhouwwerk aan het oog onttrok. 

De tempel van Heer Jagannath is qua omvang de grootste in Puri en geheel Orissa. Verder beschikt Puri over een lang en breed zandstrand. Het is een echte Indiase badplaats zónder parasols, strandstoelen en terrasjes. Er zijn ook geen palmbomen en er is geen schaduw. Vooral het westen is in trek bij Indiase toeristen en pelgrims, die volledig gekleed in zee gaan.

Terug naar inhoudsopgave

 

Konark Video Konark

Konark ligt 35 kilometer van Puri en 65 kilometer van Bhubaneswar en is per bus vanuit beide plaatsen te bereiken. Konark heeft 13.500 inwoners en bezit de grootste bezienswaardigheid van Orissa, de magnifieke Tempel van de Zon. De tempel die vlak bij de zee staat vormt het hoogtepunt van de Kalinga architectuur en staat op de werelderfgoederenlijst van Unesco. De tempel is gebouwd in de vorm van een voertuig voor de zonnegod Surya. Het voertuig wordt op vierentwintig kolossale wielen voortgetrokken door zeven gebeeldhouwde paarden. Alle aspecten van het gebouw hebben een verborgen betekenis en symboliek. De wielen vertegenwoordigen bijvoorbeeld tijd en beweging. Naar verluidt kan de bezoeker aan zijn schaduw op de wielen het tijdstip van de dag aflezen. 

De vele duizenden erotische reliëfs op het bouwwerk zijn in het tijdperk van de puriteinse Mogols verborgen geweest onder het zand. Ooit waren ze een zuiver religieuze kunstvorm zonder opwindende betekenis. De meisjes in de armen van hun minnaars op de vele reliëfs die de muren en wielen van de zonnetempel sieren lijken in de verte allemaal op elkaar. Daaruit spreekt de verveling van de beeldhouwer die nimmer creatief mocht zijn en veroordeeld was tot massaproductie van vrijwel identieke gestalten. Van de tweeëndertig liefdesposities die de Kama Sutra opsomt zijn er slechts zes of zeven afgebeeld. De vele pelgrims in het verleden hebben de voorstellingen waarschijnlijk als vanzelfsprekend beschouwd en zijn daar zonder veel aandacht langs gelopen. Sommige mannen zullen op de godsdienstige impulsen hebben gereageerd door gemeenschap met een tempelprostituee, waarbij de lichamelijkheid werd verdund door devotie.

De dames die zijn afgebeeld op de muren van de zonnetempel staan bekend als devadasis of dienaressen van de goden. Ze werden in het verleden met de grootst mogelijke zorg geselecteerd door staatsambtenaren. De nobele maagden die de hoogste van de zeven rangen bekleedden werden uiterst eerbiedig behandeld. Zij bezetten goed betaalde posten aan het hof van de koning. Afgezien van seksuele dienstverlening aan hovelingen en gulle bijdragen voor de tempelschatkisten besteedden zij een groot deel van hun tijd aan het onderhoud van godenbeelden. In feite waren zij de stille hoeders van traditionele waarden. Ze moesten niet alleen beantwoorden aan de hoogste eisen op het punt van schoonheid, maar men verwachtte ook van hen dat ze ontwikkeld en geestig waren. Het devadasi systeem bestaat nog steeds in clandestiene en misdadige vorm als methode om de bordelen van de grote steden te voorzien van onschuldige slachtoffers uit afgelegen dorpjes. 

Volgens de traditie zou Samba, zoon van Krishna, de Tempel van de Zon hebben gebouwd uit dankbaarheid voor zijn genezing van lepra. In werkelijkheid is de tempel opgericht door Narasimhadeva I van de Ganga-dynastie (1238-1264). Uit angst voor oprukkende moslims evacueerde men in de zeventiende eeuw het beeld van de zonnegod uit het heiligdom. Daarna raakte de tempel in onbruik en verval. In het begin van de twintigste eeuw begonnen Britse archeologen met het verwijderen van zand en puin en kwam de schitterende tempel in zijn volle glorie te voorschijn. 

Kraampjes langs de weg naar de hoofdtoegang verkopen souvenirs en nabootsingen van tempelkunst. Achter de hoofdingang staan twee stenen leeuwen die een olifant vermorzelen. Trappen leiden naar de natamandap, een danshal zonder dak. Op de muren zijn prachtige sculpturen te zien, waaronder een vrouw die haar haar wast en een meisje met spiegel, evenals vrouwelijke muzikanten en danseressen. Achter de danshal ligt de eigenlijke tempel. Het bouwwerk bestaat uit de jagamohan en de deul. Omdat de deul met de toren daarbovenop  is ingestort kan men zich nauwelijks een voorstelling maken van de grootte, de hoogte en de omvang van het eigenlijke tempelcomplex.  Zeven stenen paarden lijken klaar te staan om de tempel op ieder moment te kunnen verplaatsen. Om de indruk van een voertuig te versterken, heeft de tempel 24 reusachtige wielen. Ze vertonen minuscuul erotisch beeldhouwwerk met een religieuze betekenis die in het teken staat van de vruchtbaarheid. Hoger op de muren bevinden zich sculpturen van paartjes in erg vrijmoedige seksuele houdingen. Men kan de ingestorte deul beklimmen om de beelden te bekijken van de god Surya. De drie beelden vangen het licht van de opkomende zon, de middagzon en de ondergaande zon. Links en rechts van de jagamohan zijn beeldengroepen te zien van paarden en olifanten die een mens vertrappen.

Terug naar inhoudsopgave

 

Adivasis Video Adivasis

Ongeveer 24% van de bevolking in Orissa behoort tot een tribale minderheid. De deelstaat telt 62 etnische groepen die onderling grote verschillen vertonen in religieuze gebruiken, economische ontwikkeling en sociale aanpassing aan de moderne maatschappij. De adivasis of tribalen stammen direct af van de oerbevolking van India en bewonen de heuvels in het binnenland. Een deel van de tribalen is door activiteiten van missionarissen in naam christen, maar de meesten zijn animist. De christelijke missie heeft toegang gekregen tot de stamlanden in een poging om stamgewoonten en religieuze overtuigingen omver te werpen, maar haar invloed is betrekkelijk. De tribalen laten zich bekeren in ruil voor voedsel en medicijnen, maar geven daarvoor hun geloof en gebruiken niet op. Nog steeds aanbidden ze de zon en de aarde als de brengers van het leven. Deze minderheden kennen een rijke culturele traditie van muziek en dans. Ze voorzien in hun eigen levensonderhoud en vervaardigen van natuurproducten hun eigen gebruiksvoorwerpen. De vrouwen hebben veel gevoel voor schoonheid, getuige het kwistige gebruik van armbanden, halskettingen, oorringen en neusringen. De tribalen wonen hoofdzakelijk in de gebieden rond de heuvels van de Oost Ghats die in noord zuidelijke richting lopen. Meer dan de helft woont in de drie zuidelijke districten Koraput, Rayagada en Phulabani. Zij wonen verspreid in kleine dorpjes in de omgeving van marktplaatsen met kleurrijke namen als Barakhoma en Tumudibandh in de provincie Phulabani, Radang en Bissamcuttack in de provincie Rayagada, Onkudelli en Gupteshwar in de provincie Koraput. 

De adivasis zijn de oorspronkelijke bewoners van Orissa. De term adivasi is ontleend aan het sanskriet en betekent zoiets als "eerste bewoner". Deze vroegste bewoners zijn herkenbaar aan hun donkere huidskleur. Hun taal behoort tot de zogenaamde Dravidische taalgroep. Pas later kwamen de Austroaziatische volkeren terecht in het Indiase subcontinent waartoe Orissa behoort. Bij een derde grote volksverhuizing omstreeks 1800 voor Christus trokken tenslotte de lichtgekleurde Ariërs het land en de deelstaat binnen. Zij introduceerden een nieuwe taal. Bovendien brachten zij een nieuwe samenlevingsvorm op basis van vier grote standen of klassen. Bovenaan de maatschappelijke rangorde stonden de brahmanen of priesters. Daaronder kwamen de ksatriya's of krijgers die de adel vormden. De derde stand werd gevormd door de vaisya's en bestond uit handelaren alsmede landbouwers.  Tenslotte waren er de sudra's die diensten verleenden aan de hoger geplaatste leden in de samenleving.  De inheemse volken werden opgenomen in de laagste stand. Uit deze standenmaatschappij  is later de kastensamenleving gegroeid die de verschillende hindoe bevolkingsgroepen verder onderverdeelde op basis van hun (on)reine afkomst, beroep en leefwijze. 

Veel inheemsen behoorden als haast vanzelfsprekend tot de laagste kasten omdat zij onreine activiteiten verrichten zoals het doden van dieren tijdens de jacht en de visserij. Ook het prepareren van dierenhuiden en het fermenteren van alcoholhoudende dranken werden als onrein beschouwd. De adivasis hielden vast aan de consumptie van vlees en alcohol ondanks het taboe dat daarop rustte voor de hindoes. De adivasis wisten echter hun eigen identiteit te bewaren en zijn niet opgegaan in de hindoe samenleving. Wel onderhouden zij van oudsher nauwe banden met hindoe gemeenschappen die doorgaans tot de laagste kasten behoren. Zo betrekken zij veel gebruiksvoorwerpen van wevers, pottenbakkers en smeden die vanwege hun beroep tot de onderste lagen van de hindoe samenleving behoren. De adivasis kennen zelf nauwelijks enige ambachtelijke vaardigheden. Alleen bij de Bhonda en de Gadaba weven de vrouwen op eenvoudige weefgetouwen textiel voor eigen gebruik.  

De vaardigheden van de adivasis beperken zich tot de verwerking van plantaardige materialen zoals bamboe,gras en bladeren. Daarvan maken ze uiteenlopende gebruiksvoorwerpen zoals manden, bezems, wannen, drinkbekers, pijpen, tabakskokers en sieraden. De tabakskokers van de Kutia Kondh zijn versierd met geometrische motieven als concentrische cirkels, ruiten en vierkanten. Zeer bijzonder zijn de van palmbladeren vervaardigde banden die de Bondha vrouwen om hun hoofd dragen. Voor andere ambachtelijke produkten zijn de adivasis afhankelijk van naburige hindoe bewoners uit de laagste kasten die worden beschouwd als onaanraakbaar. Deze zogeheten dalits vervaardigen in opdracht terracottadierfiguren voor dankoffers en kleine bronzen beeldjes als offers voor de goden of voorouders in tijden van rampspoed of ziekte in de familie. De adivasis beelden hun goden overigens niet uit. Hun goden openbaren zich in een steenklomp, een grillige boomstronk, een paal of soms gewoon in een kluit aarde.

De eerste versierselen waarmee de tribalen zich tooiden ontleenden zij aan hun natuurlijke omgeving. Ze werden gemaakt van bloemen, bladeren, grasvezels, vruchtjes, zaden en schelpen. Later hebben de tribalen allerlei sieraden overgenomen van de hindoes: oorringen, halskettingen, armbanden, enkelringen, en hoofdsieraden. Ze worden onder andere geruild of gekocht van hindoe handelaren op de weekmarkt. Net als veel andere gebruiksvoorwerpen laten de adivasis hun sieraden door hindoe ambachtslieden vervaardigen. Deze ambachtslieden behoren tot de laagste kaste in de hindoe maatschappij. Het komt voor dat ook de mannen graag sieraden dragen.  De meeste Kondh mannen dragen net als de vrouwen een aantal halskettingen van glaskralen. Zij ruilen deze bij de jonge meisjes tegen fraai versierde tabakskokertjes van bamboe. Aan de onderarm dragen de Kondh mannen meestal meerdere gladde metalen banden. Aan de bovenarm dragen zij een metalen armband met een versiering gedeeltelijk in reliëf en gedeeltelijk gegraveerd. Zo nu en dan dragen de Kondh mannen ook oorringen, in het oorlelletje alsook in de rand van de oorschelp, net als de Kondh vrouwen.

De tribalen voorzien in hun eigen onderhoud. Ze verzamelen voedsel, jagen en vissen. Daarom houden ze zich hoofdzakelijk op in de beboste binnenlanden. Zelfs grote stammen als de Kondh, die zich hebben gevestigd als landbouwers, vullen hun voeding aan met opbrengsten van de jacht en pluk. Als landbouwers maken zij gebruik van zeer eenvoudige technieken en een eenvoudige werkverdeling die beperkt blijft tot het gezinsverband. Het grondbezit is kleinschalig en levert weinig productie op. Bovendien ontbreekt het aan irrigatiemogelijkheden, aangezien het terrein heuvelachtig en ondoordringbaar is. Tenslotte ontbreekt het hen aan financiële middelen om verbeterde technieken aan te kopen of in te huren. Sommige tribalen, zoals de Bondha en de Dharua,  leven van de zwerflandbouw en zijn semi-nomaden. Zij branden een stuk grond plat en zaaien rijst in de warme as. Deze methode van landbouw put de grond uit en leidt tot ontbossing. Als de grond is uitgeput trekken zij weg.

Ofschoon de grond hen geen rijkdom brengt trekken de adivasis niet weg uit hun stamland. In het land wortelt hun bestaan en het is de geboortegrond van hun voorouders. Deze geestelijke band met het land is sterker dan de economische. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de mythe over de oorsprong van het Kondh volk. Volgens deze mythe kwam de godin van de aarde uit de grond tevoorschijn als de eerste Kondh vrouw. Volgens diezelfde mythe werd ze op eigen verzoek aan de aarde geofferd. Alleen zo kon ze de vruchtbaarheid van het land en het welzijn van het Kondh volk garanderen. Voor de Kondh hoort de noeste arbeid op de velden bij het dagelijks bestaan. Het brengt hen dichter bij elkaar en bij hun goden. In tijden van rampspoed trachten zij hun goden te verzoenen door een offer van bloed.  

Ofschoon de tribale economie wankel is, bloeit daarentegen de tribale cultuur nog in zijn oorspronkelijke vorm. De adivasis hebben een rijke eigen cultuur en zij doen er veel aan om deze te behouden. Een dorp bestuurt zijn eigen zaken dankzij twee instellingen – de dorpsraad van ouderen en de slaapzaal voor de jongeren. De slaapzaal voor de jongeren is de kern van de tribale cultuur. De slaapzaal is het grootste verblijf in het dorp. De muren van het gebouw zijn uitgebreid versierd met symbolen die dieren voorstellen. ’s Nachts is de slaapzaal het verblijf van de jongeren in het dorp. Maar overdag verzamelen de mensen zich hier na gedane arbeid om te babbelen en te ontspannen. Ook de dorpsraad komt hier bijeen om zaken te bespreken die te maken hebben met het welzijn in het dorp. De open ruimte voor de slaapzaal gebruiken de jongens en de meisjes om iedere avond te dansen. De onderlinge omgang tussen de verschillende geslachten is in de tribale cultuur toegestaan. 

Muziek en dans vervullen een essentiële rol in de tribale samenleving. Niet alleen voor de jongeren zijn dans en muziek het vertier bij uitstek. Muziek en dans begeleiden ook de religieuze en seizoensfeesten. Verder zijn zij belangrijk bij de huwelijksfeesten en bij de trektochten van de dorpsjongeren. De jongeren bezoeken elkaar dan, ze trekken van dorp tot dorp en wisselen liederen uit. De adivasis kennen een grote verscheidenheid aan instrumenten waaronder gestreken snaarinstrumenten zoals de sarengi van de Kutia Kondh , blaasinstrumenten zoals de fluit en slaginstrumenten zoals de veltrommel die de Kutia Kondh gebruiken als zij een haan offeren aan hun oppergod. 

De tribalen of minderheden in Orissa kennen een reeks van festivals. Sommige feesten, die te maken hebben met geboorte of dood in het gezin of met het bereiken van de puberteit door een dochter, worden alleen in eigen kring gevierd. Andere feesten hebben te maken met de zaaitijd of de oogsttijd. Bij deze feesten is de gehele gemeenschap betrokken. Meestal is een feest een goede gelegenheid voor het gebruik van een flinke hoeveelheid drank en wildgebraad en een doorwaakte nacht  van zang en dans. De festivals eindigen doorgaans met een dierenoffer om de goden en geesten gunstig te stemmen, vooral de boosaardigen onder hen, opdat zij geen droogte of ziekte ontketenen over het land. De tribalen zijn erg bijgelovig en de medicijnman bekleedt een voorname positie in hun midden, aangezien hij niet alleen de zieken geneest maar ook de kwade geesten verdrijft.

In hun rituelen spelen metalen cultusbeelden een bescheiden rol. De adivasis bewerken zelf geen metaal. Zij betrekken hun cultusbeelden van  metaalbewerkers die voor hen werken. De tribalen schatten hun status laag in. Van de Kondh is het bekend dat zij bronzen cultusbeelden gebruiken. Hun bruidsgeschenken bevatten een hoeveelheid kleine bronzen beeldjes van diverse dieren en mensen zoals muzikanten. Sommige bronzen dierfiguren dienen als cultusobject zoals de gevreesde maar tevens vereerde tijger. Andere dieren, bijvoorbeeld de pauw, fungeren als totem voor een clan. Veel tribale  bronzen zien er karakteristiek uit. 

De meeste beelden zijn van brons - een mengsel van koper en tin of lood - veelal met bijmenging van andere metalen. De beelden worden gegoten volgens de zogenaamde "verloren vorm" of "verloren was" methode. Het beeld wordt in klei gemodelleerd. Om deze kleikern drapeert men dunne draden van was, een soort spaghettislierten, totdat de gewenste vorm is bereikt. Het geheel wordt bedekt met een kleimantel. Het gegoten resultaat heeft een rastervorm vanwege de elkaar kruisende wasdraden. Alleen de hoofden of koppen, handen, voeten, benen of poten zijn op de bekende gladde wijze gevormd. Het gegoten eindproduct is veelal broos, brokkelig en ruw vanwege de mengsels van goedkoop metaal.  Dergelijk werk noemt men dhokra werk naar de groep rondtrekkende metaalgieters van lage afkomst. De gieters maken voor de tribale klanten hoofdzakelijk voorwerpen voor huishoudelijk gebruik, zoals lepels en maatkommen. Daarnaast produceren ze olielampen, wierookbranders en kleine dierfiguren. 

Iets meer dan een kwart van de tribale minderheden kan lezen en schrijven. Van de vrouwen is meer dan driekwart ongeletterd. Mede als gevolg van het lage onderwijsniveau leeft een groot aantal onder de armoedegrens. De overheid in Orissa heeft zich verplicht om de educatieve en economische belangen van de minderheden te bevorderen. Een apart overheidsbureau geeft steun aan bijzondere projecten voor minderheden gericht op de ontwikkeling van de gehele regio, van de lokale dorpsgemeenschap of van de specifieke minderheidsgroep. Er  zijn fondsen beschikbaar voor speciale meisjesinternaten, jongensinternaten, dorpsscholen, beroepsopleidingen, vrouwencursussen en coöperatieve (landbouw) bedrijfjes. Speciale banken verstrekken leningen tegen gunstige voorwaarden en speciale organisaties leggen graanvoorraden aan als een slechte oogst en hongersnood dreigt. Voorts is er financiële steun voor speciale doktersposten, bibliotheken, scholen, internaten en tal van vrijwilligersorganisaties. Speciale winkels kopen en verkopen producten van minderheden tegen een eerlijke prijs. 

Naast de ontwikkelingshulp die zij ontvangen hebben de minderheden ook een eigen vertegenwoordiging in het parlement van de deelstaat. Daar vormen zij een adviesraad voor een speciale gouverneur die jaarlijks rapport opmaakt van de situatie in de gebieden waar de minderheden wonen. De gouverneur ziet toe op de naleving van de bijzondere rechten die de minderheden volgens de grondwet hebben. Die zijn niet alleen gericht op bevordering van hun educatieve en economische belangen, maar ook op hun bescherming tegen sociaal onrecht en uitbuiting. De minderheden mogen niet beschouwd worden als onaanraakbaren en allerlei beperkingen of verboden opgelegd krijgen in verband met de toegang tot waterbronnen, badplaatsen, openbare wegen of gebouwen. Zij moeten zich vrij kunnen bewegen, vestigen en eigendom verwerven. Zij hebben toegang tot openbare scholen en voorrang bij het verwerven van overheidsfuncties. Er geldt een verbod op slavernij of gedwongen arbeid.  

Hoewel de overheid moeite doet om de positie van de tribale minderheden te verbeteren zijn deze inspanningen niet altijd geslaagd. De ontwikkelingsprojecten zitten vol tegenstrijdigheden en onverenigbare belangen. Enerzijds streven ze naar integratie, anderzijds zijn ze gericht op behoud van een eigen leefwijze en cultuur. Aan de ene kant beloven ze de bescherming van het bosgebied, aan de andere kant verkondigen ze de verspreiding van het boerengrondbezit.  Het sociale gedrag ten opzichte van de adivasis is paternalistisch, neerbuigend of zelfs minachtend. Mede daarom slaan de ontwikkelingsprojecten niet aan bij de tribale bevolking.

Het gebrek aan succes heeft ten dele ook te maken met de hardnekkige vooroordelen van de hindoe bevolking jegens de tribale minderheden.  Maar in veel gevallen belemmert ook de eigen trots van de adivasis hen om deel te nemen in de hindoe samenleving. Veel minderheden vrezen dat zij daarvoor hun traditionele gebruiken en gewoonten moeten opgeven. De tribalen hebben geen belangstelling voor van boven af opgelegde programma's. Ze zijn in hun samenleving gewend eigen beslissingen te nemen en als het om verstrekkende kwesties gaat, besluiten ze na overleg en consensus in de eigen gemeenschap. Daarom leven de meesten van hen in afzondering van de hindoe gemeenschap en verkiezen zij als hun woonomgeving de heuvels in het binnenland van Orissa. Daar moeten zij de bemoeienis dulden van overheidsambtenaren die bij tijd en wijle een volkstelling komen houden. Zij aanvaarden alleen de hulp van de overheid als die het stamverband niet ontwricht. Dat geldt ook voor bijzondere ontwikkelingsprojecten zoals de installatie van zonnecollectoren die ogenschijnlijk geen doel dienen in een dorpsgemeenschap waar men geen elektriciteit gebruikt...       

Terug naar inhoudsopgave

 

Kondh Video Kondh

De Kondh vormen met een miljoen mensen de grootste etnische groep van Orissa. Ze leven verspreid over heel Orissa. Hoewel zij in elk district leven, zijn ze voornamelijk te vinden in de provincies Phulabani en Koraput. Ook in andere staten van India leven groepen Kondh. De naam Kondh is afgeleid van het Telugu woord kondha of heuvel. Ze leven van de landbouw en de jacht. De Kondh zijn in drie groepen te verdelen. De Desia Kondh bewonen de vlakte en zijn grotendeels geïntegreerd in de Indiase maatschappij. De vrouwen dragen een kleurige sari en de mannen een dhoti. De Kutia Kondh wonen aan de voet van een heuvel of in de dalen. De vrouwen hebben tatoeages in het gezicht en alleen getrouwde vrouwen dragen oorringen.  De Dongaria Kondh leven in de hoge heuvels. Zij worden ook wel “mensen van de holen”genoemd, omdat de vloer van hun lemen huisjes een meter onder de grond ligt. Hun huizen zijn voorzien van bijzonder lage rietdaken die allemaal in elkaar overlopen. De daken zijn zo laag dat men bijna naar binnen moet kruipen om de veranda te bereiken. De vrouwen dragen een wit kleed afhangend over het lichaam. Zowel de mannen als de vrouwen dragen sieraden.  De vrouwen dragen een driedelige neusring en talrijke oorringen, armbanden en kettingen. Jonge mannen dragen hun haar in een knot, met een kam boven het oor.

De vrouwen zijn bij de Dongaria Kondh een opvallende verschijning.  Ze roken korte, dikke sigaren en drinken alcohol uit een kleurig beschilderde kalebas. Ze zijn zich sterk bewust van hun vrijgevochten positie in de tribale gemeenschap. Net als bij andere stamvolkeren beschouwen de Dongaria Kondh een vrouw over het algemeen als nuttiger, verantwoordelijker en vlijtiger dan een man. Haar waarde blijkt tijdens de besprekingen over een huwelijk als de man een bruidsprijs moet betalen. Zij voorziet haar woning van ornamenten zoals vogels, pauwen, olifanten en tijgers die ze verbindt door krullende winderanken. De Dongaria Kondh zijn de enige stam die vrouwelijke sjamanen of Bejuni opleiden en in dienst nemen. Deze Bejuni worden na jaren van voorbereiding mediums die in trance raken zodat de goden via hen hun orakels kunnen uitspreken. Ze praktizeren genezing en voorspelling, ze mogen geen seksuele contacten hebben, maar gaan een huwelijk voor het leven aan met hun beschermgeest. Het waren de Bejuni die vroeger de mensenoffers of meriahs leidden en die de pakketten met het vlees van de slachtoffers verdeelden over de velden om deze zo vruchtbaar mogelijk te maken. 

Een Kondh dorp bestaat meestal uit een aantal huizen op een rij. Tegenover iedere rij staan andere huizen, waar bijvoorbeeld jongens- en meisjesslaapzalen zijn. De slaapzalen voor jongens en meisjes blijven strikt gescheiden. Jongens en meisjes komen in zo’n slaapzaal te wonen als ze een jaar of acht zijn en ze gaan dan alleen nog maar naar het huis van de ouders om te eten. Een oudere vrouw van de stam waakt over de meisjesslaapzaal. Mannen en vrouwen die nog vrijgezel zijn slapen hier ook. Tussen 18 en 22 jaar is de leeftijd om te gaan trouwen. De Kondh kiezen alleen een huwelijkspartner buiten de eigen dorpsgemeenschap. Voordat dat echter zo ver is, moeten er eerst talloze onderhandelingen plaatsvinden tussen de respectievelijke ouders. Als het principebesluit om te gaan trouwen genomen is, gaan de ouders van de jongen naar de ouders van het meisje. Er wordt rijst gekookt; als die over kookt, wordt dat gezien als een slecht teken en worden de onderhandelingen over de bruidsschat uitgesteld. Als de ouders van de jongen op weg zijn naar de ouders van het meisje en ze komen een slang of een ander wild dier tegen, dan is dat ook een zeer slecht teken voor het aanstaande huwelijk. Huwelijksplechtigheden gaan gepaard met allerlei rituelen en een hoop drank…. Een eventuele scheiding is snel geregeld. De vrouw verklaart voor de dorpsraad dat ze niet langer met haar man wil samenwonen. Ze krijgt dan een nieuwe sari en één roepie. Daarmee is de scheiding uitgesproken en gaat ze terug naar het huis van haar vader.

Kenmerkend voor een Kondh dorp is de offerpaal. Deze van boven gevorkte paal is een belangrijk attribuut voor het meriah offer. De Kondh verkregen hun vroegere mensenoffers op drie manieren. Vrome ouders schonken hun kinderen voor wat zij zagen als een verheven religieus doel. Meriahs werden ook gefokt, met behulp van een groep vrouwen die door de gemeenschap werden betaald voor hun diensten. Om eventuele tekorten aan te vullen maakte men gebruik van beroepsontvoerders voor het vangen van volwassenen in de gebieden van andere stammen. De meriahs werden voorkomend behandeld en zelfs verwend terwijl ze hun uiteindelijke lot afwachtten. Een offer was een spectaculaire gebeurtenis die bezoekers aantrok die vaak grote afstanden hadden moeten afleggen. De sfeer was eerder feestelijk dan plechtig, want alle deelnemers waren al dagen tevoren op vrome wijze dronken gevoerd. Het slachtoffer was praktisch bewusteloos van de drank voordat het einde kwam in de vorm van dood door verstikking.

Tot 1850 werden aan de offerpaal menselijke slachtoffers gebonden als een jaarlijks offer aan de godin van de aarde. Dit gebruik werd verboden door de Britten. Sindsdien worden er jaarlijks buffels geofferd. Een andere gevorkte paal is gewijd aan de huisgod Illu Pinnu. De paal staat midden in het huis voor een eenvoudig altaar. Aan de paal hangen de beenderen van offerdieren en het touw waarmee de buffel voor het meriah offer werd vastgebonden. Dit is een duidelijk voorbeeld van het feit dat de adivasis hun goden niet afbeelden. De goden kunnen zich openbaren in bijvoorbeeld een houten paal of een steen. Dat blijkt ook uit een klein heiligdom halverwege de dorpsstraat met een steen die Jhankar of Moeder Aarde voorstelt. Nog duidelijker blijkt het uit bepaalde ceremonieën van de Kutia Kondh. Bij een ervan wordt een draagstoel bestaande uit vier rechthoekig verbonden palen met een gestileerde paardenhoofd, rondgedragen door twee of vier jonge mannen. Naarmate de dansers meer in trance geraken en wilder dansen daalt de godheid in de draagstoel neer en stuurt de dragers.

Het werk wordt bij de Kondh door zowel mannen als vrouwen gedaan, al is er wel een scheiding van taken. Vrouwen doen al het huishoudelijk werk, verzorgen de kinderen en helpen hun mannen in het veld. De mannen zijn verantwoordelijk voor al het andere werk. Rijst is het basismenu, maar meestal brengen de rijstvelden niet genoeg op voor het hele jaar. In het regenseizoen wordt mangopit vermengd met rijst en suiker gegeten om rijst te sparen. Curries worden zelden gegeten, wel vis, vogels en vlees. Rijstbier is de meest populaire drank.

Terug naar inhoudsopgave

 

Bondha Video Bondha

De Bondha zijn de meest primitieve en fascinerende stam van Orissa. De ca. 6000 Bondha leven in de heuvels van het district Koraput op de grens van Orissa en Andhra Pradesh. Dat is een afgelegen gebied waardoor hun cultuur nog niet zo beïnvloed is door de moderne wereld. De naam “Bondha” betekent naakte mensen en hun schaarse kleding is ook het opvallende aan hen. Ze zijn erg gesteld op hun onafhankelijkheid en erg koppig.  Jarenlange isolatie, armoede en angst voor hekserij maken dat zij, in onze ogen, soms agressief kunnen overkomen. Vooral de mannen staan bekend als buitengewoon agressief en hun interne ruzies leiden niet zelden tot doodslag. Ook overvallen ze regelmatig de dorpen van hun buren.

Een Bondha dorp strekt zich meestal uit over de hele oppervlakte van een heuvel. De meeste dorpen zijn omgeven met mango- en jackfruitbomen. Huizen staan kriskras door elkaar. De Sindibor, een megalieten verhoging, is het centrum van het dorp. Hier worden religieuze ceremonieën gehouden en komen mensen samen om de laatste roddels uit te wisselen. Een Bondha huis is gemaakt van bamboe, aarde met stro vermengd en houten pilaren om het dak te ondersteunen. Gras dient als dakbedekking. De meeste huizen hebben twee kamers, één om in te koken en één om granen in op te slaan.

Ook de Bondha kennen aparte slaapvertrekken voor ongetrouwde meisjes en jongens. Vroeger sliepen de meisjes zelfs buiten het dorp, maar dat komt niet meer voor. Hoewel seks voor het huwelijk streng verboden is, mogen de jongens wel de meisjes opzoeken, om ze zo te leren kennen. Als ze met een meisje willen trouwen, geven ze dat aan door een armband in de handen van dat meisje te stoppen. Huwelijken met mensen van het eigen dorp zijn trouwens verboden. Het is opvallend dat bij getrouwde stellen de vrouw bijna altijd ouder is dan de man. Een jonge man is voor hen een garantie voor een verzorgde oude dag. Tal van mannen plegen overspel met hun jongere schoonzus en dat leidt vaak tot spanningen in de familie.

De Bondha leven voornamelijk van het land. Van oorsprong zijn het ook jagers, maar door de intensieve landbouw en de dichte bevolking is er niet veel wild meer over. Nu wordt er alleen nog voor festivals gejaagd. Wel houden ze vee als geiten, kippen en varkens. De Bondha kunnen grotendeels in hun eigen onderhoud voorzien. Slechts een paar producten als bosvruchten en palmwijn (solap) worden op de lokale markten geruild. Ze kennen nog het zogenaamde ruilsysteem waarbij ze de opbrengst van hun land ruilen voor  dagelijkse gebruiksartikelen.

De Bondha vrouwen weven in tegenstelling tot andere adivasis wel hun eigen textiel. De weefsels bestaan uit schering- of kettingdraden, gesponnen van de vezels van de bast van sialli boom, en een inslag van gekleurde op de markt gekochte katoenen garens. De bast van de sialli boom wordt enige tijd geweekt en daarna met een houten blok geklopt tot een papperige substantie, net zolang tot de vezelstructuur duidelijk zichtbaar wordt. Daarna gaat men de vezels uitpluizen en vervolgens tot draden twijnen. De vrouwen weven op een zeer eenvoudig weefgetouw met een roller en ophaler. Het bestaat uit een rondgaande ketting. De doekboom en de kettingbalk zijn bevestigd aan vier palen die verticaal in de grond zijn geslagen. De weefster zit op de grond met de benen gestrekt onder het weefgetouw. 

De Bondha mannen dragen slechts een lendendoekje en zijn gewapend met pijl en boog. De Bondha vrouwen dragen een opvallend korte lendendoek die de linkerheup vrijlaat aan voorkant en achterkant. Een taboe verbiedt hen andere dan deze zelf geweven doeken te dragen. Volgens een van de vele verklaringen zag de stammoeder in een ver verleden hoe een vrouwelijke voorouder tijdens het baden door haar broer werd verrast en haar naaktheid niet kon verbergen. Daarop barstte de stammoeder in lachen uit. Sindsdien mogen haar nakomelingen alleen nog maar een lendendoekje dragen dat zo kort is dat van achter nog net de welving van de billen te zien is. 

Er is nog een andere legende die de naaktheid van de Bondha vrouwen tracht te verklaren. Deze zou het gevolg zijn van een vloek die over hen is uitgesproken in de tijd van de Mahabharata toen Rama en Sita reisden door de Bondha hooglanden tijdens hun veertienjarige ballingschap. Sita, die na haar menstruatie een reinigend bad in een rivier nam, was uitgelachen door Bondha die daar water kwamen halen. Daarop had zij hen vervloekt: ze moesten altijd naakt lopen en uitgelachen worden - een straf waarover ze nog steeds boos zijn. De grote, zware metalen halsringen van de Bondha vrouwen zijn bedoeld om de aandacht van de toeschouwer naar boven af te leiden, weg van de gedeelten van het lichaam die men door de strenge zeden niet kan verbergen. Datzelfde geldt voor de lange halskettingen die in een zware glinsterende massa van de nek afhangen om de schaamstreek te bedekken. Naar verluidt zijn ook de kortgeknipte hoofdharen bij wijze van straf door Sita voorgeschreven.

Terug naar inhoudsopgave

 

Gadaba Video Gadaba

De Gadaba vormen één van de meest primitieve en kleurrijke stammen van Orissa. In Orissa is de grootste groep te vinden in het district Koraput, op het centraal plateau tussen Madhya Pradesh en Andhra Pradesh. Ze hebben hun eigen taal, het Gutab of Gudaba, en slechts enkelen spreken Oriya. Gadaba zijn geen nomaden. Ze wonen permanent in vrij grote dorpen in moeilijk begaanbaar bergterrein. Een dorp bestaat uit twee rijen huizen in subtiele pastelkleuren met een breed pad ertussen, begroeid met banyan bomen. De hoofdman bezit het grootste huis, meestal in het midden van één van de rijen. Huizen zijn gemaakt van bamboe en hout, versterkt met aarde. Ieder huis heeft meerdere kamers om een binnenplaatsje. Ook de Gadaba hebben aparte slaapzalen voor jongens en meisjes. Ieder dorp heeft een ontmoetingsplaats, te herkennen aan cirkelvormig bij elkaar gezette stenen. Vaak zijn die stenen heilig en vertegenwoordigen ze een godheid waaronder de moedergodin Hundi. De Gadaba verwachten dat deze godin tijdens hun bijeenkomsten meeluistert naar hun gesprekken in de hoop dat ze de problemen die ter sprake komen ter plekke regelt, zonder dat de dorpelingen hun toevlucht moeten nemen tot formele offerandes en gebeden.  

De mannen van de Gadaba gaan over het algemeen “normaal” Indiaas gekleed, maar de vrouwen dragen zeer aparte kleren. Rond hun heupen dragen ze een kerang, een geweven kleurrijk kledingstuk, gemaakt van katoen en heestervezels geverfd met indigo. Ter versiering worden er rode, witte en blauwe strips op gemaakt. De bovenkleding wordt op een zelfde manier gemaakt. Meer en meer wordt deze traditionele kledij echter vervangen door katoenen, modernere kleding. Ze gaan gekleed in prachtig gekleurde doeken die hun rug onbedekt laten. Eén van de armen wordt volledig bedekt met koperen of zilveren armbanden en in hun oren dragen ze enorme spiraalvormige ringen. Hun voorhoofd wordt vaak bedekt met een krans van schelpmunten en om hun hals dragen ze kralen kettingen. Het haar wordt in twee spiraalvormige vlechten gedragen, waarvan de uiteinden aan elkaar worden verbonden met een stukje hout. Dat uiteinde ziet eruit als een hoefijzer. Zilveren of koperen ringen om vingers en benen worden als zeer modieus beschouwd. De vrouwen vallen op door de twee zware metalen ringen die ze om de nek dragen.

De Gadaba hebben een eigen sociaal en bestuurlijk systeem. Een belangrijk persoon in het dorp is de Neak, de hoofdman, die ervoor moet zorgen dat er orde in het dorp blijft. Tevens is hij, samen met andere vooraanstaande dorpsleden, de rechter bij conflicten. De Challan is feitelijk het hulpje van de hoofdman. Zijn voornaamste taak is het ontvangen van bezoekers in het dorp. Hij moet er dan voor zorgen dat de gasten niets te kort komen. De Disari is als priester verantwoordelijk voor alle ceremonieën. Dorpsleden gaan ook naar hem toe als ze ziek zijn of als er zich rampen over het dorp voltrekken.

Er bestaat een ingewikkelde manier om te trouwen. Feitelijk is er niet één vorm, maar is alles mogelijk, van polygamie en liefdeshuwelijken, tot door de ouders geregelde bruiloften. Er wordt wel altijd een bruidsschat betaald. Maar in wat voor vorm er ook wordt getrouwd, het hele dorp is er bij betrokken. Iedereen helpt mee bij de voorbereidingen en natuurlijk is het hele dorp bij de plechtigheid zelf aanwezig. Echtscheiding is snel geregeld. De man betaalt een paar roepies aan de vrouw en daarmee is de zaak geregeld.

De Gadaba leven van wat het land hen opbrengt, aangevuld met vlees en vis van de jacht. Uitzonderlijk is dat ze zowel varkensvlees als rundvlees eten. Vooral door dat laatste kijken andere stammen nogal eens neer op de Gadaba, want het eten van rundvlees wordt over het algemeen als zeer ongemanierd beschouwd.

Terug naar inhoudsopgave

 

Dharua Video Dharua

De Dharua wonen in een bosrijk gebied en vormen een van de oudste leefgemeenschappen van Orissa. Ze zijn van origine de laagste kaste binnen de Kondh. Hun naam komt van “dhur”, stof, wat wijst op inferioriteit. Ze hebben een negroïde uiterlijk. De mannen van deze stam zijn zeer ijdel en wat het meeste opvalt is hun bijzondere haardracht.

Terug naar inhoudsopgave

 

Literatuur

Diverse                          -    "De Adivasi Volkeren", informatie van de reisorganisatie Sawadee

Diverse auteurs            -    "Adivasi, het andere India", uitgave van het Koninlijk Instituut voor de Tropen

Diverse auteurs            -    "Te Gast in India", uitgave van Informatie Verre Reizen V.O.F.

Dhir, P.C. en Srikant    -      "Orissa, The Land of Tribes, Temples and Tigers", uitgave Travel Club

Georgina                        -    "A Road Guide to Orissa", uitgave van TTK Healthcare Limited

Lewis, Norman              -   "Een godin in steen", uitgave van De Arbeiderspers

Mishra, M.                     -     "Odissi Dance", uitgave in eigen beheer

Peterse, L. en J. Petri    -     "India", uitgave in de reeks reisgidsen van Dominicus

Sahoo, R.                        -     "A Journey To Odisha", uitgave van Sisukalam

Terug naar inhoudsopgave

 

 

 

Nederlandse versie Engelse versie