Adivasis Video Adivasis

Ongeveer 24% van de bevolking in Orissa behoort tot een tribale minderheid. De deelstaat telt 62 etnische groepen die onderling grote verschillen vertonen in religieuze gebruiken, economische ontwikkeling en sociale aanpassing aan de moderne maatschappij. De adivasis of tribalen stammen direct af van de oerbevolking van India en bewonen de heuvels in het binnenland. Een deel van de tribalen is door activiteiten van missionarissen in naam christen, maar de meesten zijn animist. De christelijke missie heeft toegang gekregen tot de stamlanden in een poging om stamgewoonten en religieuze overtuigingen omver te werpen, maar haar invloed is betrekkelijk. De tribalen laten zich bekeren in ruil voor voedsel en medicijnen, maar geven daarvoor hun geloof en gebruiken niet op. Nog steeds aanbidden ze de zon en de aarde als de brengers van het leven. Deze minderheden kennen een rijke culturele traditie van muziek en dans. Ze voorzien in hun eigen levensonderhoud en vervaardigen van natuurproducten hun eigen gebruiksvoorwerpen. De vrouwen hebben veel gevoel voor schoonheid, getuige het kwistige gebruik van armbanden, halskettingen, oorringen en neusringen. De tribalen wonen hoofdzakelijk in de gebieden rond de heuvels van de Oost Ghats die in noord zuidelijke richting lopen. Meer dan de helft woont in de drie zuidelijke districten Koraput, Rayagada en Phulabani. Zij wonen verspreid in kleine dorpjes in de omgeving van marktplaatsen met kleurrijke namen als Barakhoma en Tumudibandh in de provincie Phulabani, Radang en Bissamcuttack in de provincie Rayagada, Onkudelli en Gupteshwar in de provincie Koraput. 

De adivasis zijn de oorspronkelijke bewoners van Orissa. De term adivasi is ontleend aan het sanskriet en betekent zoiets als "eerste bewoner". Deze vroegste bewoners zijn herkenbaar aan hun donkere huidskleur. Hun taal behoort tot de zogenaamde Dravidische taalgroep. Pas later kwamen de Austroaziatische volkeren terecht in het Indiase subcontinent waartoe Orissa behoort. Bij een derde grote volksverhuizing omstreeks 1800 voor Christus trokken tenslotte de lichtgekleurde Ari‰rs het land en de deelstaat binnen. Zij introduceerden een nieuwe taal. Bovendien brachten zij een nieuwe samenlevingsvorm op basis van vier grote standen of klassen. Bovenaan de maatschappelijke rangorde stonden de brahmanen of priesters. Daaronder kwamen de ksatriya's of krijgers die de adel vormden. De derde stand werd gevormd door de vaisya's en bestond uit handelaren alsmede landbouwers.  Tenslotte waren er de sudra's die diensten verleenden aan de hoger geplaatste leden in de samenleving.  De inheemse volken werden opgenomen in de laagste stand. Uit deze standenmaatschappij  is later de kastensamenleving gegroeid die de verschillende hindoe bevolkingsgroepen verder onderverdeelde op basis van hun (on)reine afkomst, beroep en leefwijze. 

Veel inheemsen behoorden als haast vanzelfsprekend tot de laagste kasten omdat zij onreine activiteiten verrichten zoals het doden van dieren tijdens de jacht en de visserij. Ook het prepareren van dierenhuiden en het fermenteren van alcoholhoudende dranken werden als onrein beschouwd. De adivasis hielden vast aan de consumptie van vlees en alcohol ondanks het taboe dat daarop rustte voor de hindoes. De adivasis wisten echter hun eigen identiteit te bewaren en zijn niet opgegaan in de hindoe samenleving. Wel onderhouden zij van oudsher nauwe banden met hindoe gemeenschappen die doorgaans tot de laagste kasten behoren. Zo betrekken zij veel gebruiksvoorwerpen van wevers, pottenbakkers en smeden die vanwege hun beroep tot de onderste lagen van de hindoe samenleving behoren. De adivasis kennen zelf nauwelijks enige ambachtelijke vaardigheden. Alleen bij de Bhonda en de Gadaba weven de vrouwen op eenvoudige weefgetouwen textiel voor eigen gebruik.  

De vaardigheden van de adivasis beperken zich tot de verwerking van plantaardige materialen zoals bamboe,gras en bladeren. Daarvan maken ze uiteenlopende gebruiksvoorwerpen zoals manden, bezems, wannen, drinkbekers, pijpen, tabakskokers en sieraden. De tabakskokers van de Kutia Kondh zijn versierd met geometrische motieven als concentrische cirkels, ruiten en vierkanten. Zeer bijzonder zijn de van palmbladeren vervaardigde banden die de Bondha vrouwen om hun hoofd dragen. Voor andere ambachtelijke produkten zijn de adivasis afhankelijk van naburige hindoe bewoners uit de laagste kasten die worden beschouwd als onaanraakbaar. Deze zogeheten dalits vervaardigen in opdracht terracottadierfiguren voor dankoffers en kleine bronzen beeldjes als offers voor de goden of voorouders in tijden van rampspoed of ziekte in de familie. De adivasis beelden hun goden overigens niet uit. Hun goden openbaren zich in een steenklomp, een grillige boomstronk, een paal of soms gewoon in een kluit aarde.

De eerste versierselen waarmee de tribalen zich tooiden ontleenden zij aan hun natuurlijke omgeving. Ze werden gemaakt van bloemen, bladeren, grasvezels, vruchtjes, zaden en schelpen. Later hebben de tribalen allerlei sieraden overgenomen van de hindoes: oorringen, halskettingen, armbanden, enkelringen, en hoofdsieraden. Ze worden onder andere geruild of gekocht van hindoe handelaren op de weekmarkt. Net als veel andere gebruiksvoorwerpen laten de adivasis hun sieraden door hindoe ambachtslieden vervaardigen. Deze ambachtslieden behoren tot de laagste kaste in de hindoe maatschappij. Het komt voor dat ook de mannen graag sieraden dragen.  De meeste Kondh mannen dragen net als de vrouwen een aantal halskettingen van glaskralen. Zij ruilen deze bij de jonge meisjes tegen fraai versierde tabakskokertjes van bamboe. Aan de onderarm dragen de Kondh mannen meestal meerdere gladde metalen banden. Aan de bovenarm dragen zij een metalen armband met een versiering gedeeltelijk in reli‰f en gedeeltelijk gegraveerd. Zo nu en dan dragen de Kondh mannen ook oorringen, in het oorlelletje alsook in de rand van de oorschelp, net als de Kondh vrouwen.

De tribalen voorzien in hun eigen onderhoud. Ze verzamelen voedsel, jagen en vissen. Daarom houden ze zich hoofdzakelijk op in de beboste binnenlanden. Zelfs grote stammen als de Kondh, die zich hebben gevestigd als landbouwers, vullen hun voeding aan met opbrengsten van de jacht en pluk. Als landbouwers maken zij gebruik van zeer eenvoudige technieken en een eenvoudige werkverdeling die beperkt blijft tot het gezinsverband. Het grondbezit is kleinschalig en levert weinig productie op. Bovendien ontbreekt het aan irrigatiemogelijkheden, aangezien het terrein heuvelachtig en ondoordringbaar is. Tenslotte ontbreekt het hen aan financi‰le middelen om verbeterde technieken aan te kopen of in te huren. Sommige tribalen, zoals de Bondha en de Dharua,  leven van de zwerflandbouw en zijn semi-nomaden. Zij branden een stuk grond plat en zaaien rijst in de warme as. Deze methode van landbouw put de grond uit en leidt tot ontbossing. Als de grond is uitgeput trekken zij weg.

Ofschoon de grond hen geen rijkdom brengt trekken de adivasis niet weg uit hun stamland. In het land wortelt hun bestaan en het is de geboortegrond van hun voorouders. Deze geestelijke band met het land is sterker dan de economische. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de mythe over de oorsprong van het Kondh volk. Volgens deze mythe kwam de godin van de aarde uit de grond tevoorschijn als de eerste Kondh vrouw. Volgens diezelfde mythe werd ze op eigen verzoek aan de aarde geofferd. Alleen zo kon ze de vruchtbaarheid van het land en het welzijn van het Kondh volk garanderen. Voor de Kondh hoort de noeste arbeid op de velden bij het dagelijks bestaan. Het brengt hen dichter bij elkaar en bij hun goden. In tijden van rampspoed trachten zij hun goden te verzoenen door een offer van bloed.  

Ofschoon de tribale economie wankel is, bloeit daarentegen de tribale cultuur nog in zijn oorspronkelijke vorm. De adivasis hebben een rijke eigen cultuur en zij doen er veel aan om deze te behouden. Een dorp bestuurt zijn eigen zaken dankzij twee instellingen - de dorpsraad van ouderen en de slaapzaal voor de jongeren. De slaapzaal voor de jongeren is de kern van de tribale cultuur. De slaapzaal is het grootste verblijf in het dorp. De muren van het gebouw zijn uitgebreid versierd met symbolen die dieren voorstellen. 's Nachts is de slaapzaal het verblijf van de jongeren in het dorp. Maar overdag verzamelen de mensen zich hier na gedane arbeid om te babbelen en te ontspannen. Ook de dorpsraad komt hier bijeen om zaken te bespreken die te maken hebben met het welzijn in het dorp. De open ruimte voor de slaapzaal gebruiken de jongens en de meisjes om iedere avond te dansen. De onderlinge omgang tussen de verschillende geslachten is in de tribale cultuur toegestaan. 

Muziek en dans vervullen een essenti‰le rol in de tribale samenleving. Niet alleen voor de jongeren zijn dans en muziek het vertier bij uitstek. Muziek en dans begeleiden ook de religieuze en seizoensfeesten. Verder zijn zij belangrijk bij de huwelijksfeesten en bij de trektochten van de dorpsjongeren. De jongeren bezoeken elkaar dan, ze trekken van dorp tot dorp en wisselen liederen uit. De adivasis kennen een grote verscheidenheid aan instrumenten waaronder gestreken snaarinstrumenten zoals de sarengi van de Kutia Kondh , blaasinstrumenten zoals de fluit en slaginstrumenten zoals de veltrommel die de Kutia Kondh gebruiken als zij een haan offeren aan hun oppergod. 

De tribalen of minderheden in Orissa kennen een reeks van festivals. Sommige feesten, die te maken hebben met geboorte of dood in het gezin of met het bereiken van de puberteit door een dochter, worden alleen in eigen kring gevierd. Andere feesten hebben te maken met de zaaitijd of de oogsttijd. Bij deze feesten is de gehele gemeenschap betrokken. Meestal is een feest een goede gelegenheid voor het gebruik van een flinke hoeveelheid drank en wildgebraad en een doorwaakte nacht  van zang en dans. De festivals eindigen doorgaans met een dierenoffer om de goden en geesten gunstig te stemmen, vooral de boosaardigen onder hen, opdat zij geen droogte of ziekte ontketenen over het land. De tribalen zijn erg bijgelovig en de medicijnman bekleedt een voorname positie in hun midden, aangezien hij niet alleen de zieken geneest maar ook de kwade geesten verdrijft.

In hun rituelen spelen metalen cultusbeelden een bescheiden rol. De adivasis bewerken zelf geen metaal. Zij betrekken hun cultusbeelden van  metaalbewerkers die voor hen werken. De tribalen schatten hun status laag in. Van de Kondh is het bekend dat zij bronzen cultusbeelden gebruiken. Hun bruidsgeschenken bevatten een hoeveelheid kleine bronzen beeldjes van diverse dieren en mensen zoals muzikanten. Sommige bronzen dierfiguren dienen als cultusobject zoals de gevreesde maar tevens vereerde tijger. Andere dieren, bijvoorbeeld de pauw, fungeren als totem voor een clan. Veel tribale  bronzen zien er karakteristiek uit. 

De meeste beelden zijn van brons - een mengsel van koper en tin of lood - veelal met bijmenging van andere metalen. De beelden worden gegoten volgens de zogenaamde "verloren vorm" of "verloren was" methode. Het beeld wordt in klei gemodelleerd. Om deze kleikern drapeert men dunne draden van was, een soort spaghettislierten, totdat de gewenste vorm is bereikt. Het geheel wordt bedekt met een kleimantel. Het gegoten resultaat heeft een rastervorm vanwege de elkaar kruisende wasdraden. Alleen de hoofden of koppen, handen, voeten, benen of poten zijn op de bekende gladde wijze gevormd. Het gegoten eindproduct is veelal broos, brokkelig en ruw vanwege de mengsels van goedkoop metaal.  Dergelijk werk noemt men dhokra werk naar de groep rondtrekkende metaalgieters van lage afkomst. De gieters maken voor de tribale klanten hoofdzakelijk voorwerpen voor huishoudelijk gebruik, zoals lepels en maatkommen. Daarnaast produceren ze olielampen, wierookbranders en kleine dierfiguren. 

Iets meer dan een kwart van de tribale minderheden kan lezen en schrijven. Van de vrouwen is meer dan driekwart ongeletterd. Mede als gevolg van het lage onderwijsniveau leeft een groot aantal onder de armoedegrens. De overheid in Orissa heeft zich verplicht om de educatieve en economische belangen van de minderheden te bevorderen. Een apart overheidsbureau geeft steun aan bijzondere projecten voor minderheden gericht op de ontwikkeling van de gehele regio, van de lokale dorpsgemeenschap of van de specifieke minderheidsgroep. Er  zijn fondsen beschikbaar voor speciale meisjesinternaten, jongensinternaten, dorpsscholen, beroepsopleidingen, vrouwencursussen en co”peratieve (landbouw) bedrijfjes. Speciale banken verstrekken leningen tegen gunstige voorwaarden en speciale organisaties leggen graanvoorraden aan als een slechte oogst en hongersnood dreigt. Voorts is er financi‰le steun voor speciale doktersposten, bibliotheken, scholen, internaten en tal van vrijwilligersorganisaties. Speciale winkels kopen en verkopen producten van minderheden tegen een eerlijke prijs. 

Naast de ontwikkelingshulp die zij ontvangen hebben de minderheden ook een eigen vertegenwoordiging in het parlement van de deelstaat. Daar vormen zij een adviesraad voor een speciale gouverneur die jaarlijks rapport opmaakt van de situatie in de gebieden waar de minderheden wonen. De gouverneur ziet toe op de naleving van de bijzondere rechten die de minderheden volgens de grondwet hebben. Die zijn niet alleen gericht op bevordering van hun educatieve en economische belangen, maar ook op hun bescherming tegen sociaal onrecht en uitbuiting. De minderheden mogen niet beschouwd worden als onaanraakbaren en allerlei beperkingen of verboden opgelegd krijgen in verband met de toegang tot waterbronnen, badplaatsen, openbare wegen of gebouwen. Zij moeten zich vrij kunnen bewegen, vestigen en eigendom verwerven. Zij hebben toegang tot openbare scholen en voorrang bij het verwerven van overheidsfuncties. Er geldt een verbod op slavernij of gedwongen arbeid.  

Hoewel de overheid moeite doet om de positie van de tribale minderheden te verbeteren zijn deze inspanningen niet altijd geslaagd. De ontwikkelingsprojecten zitten vol tegenstrijdigheden en onverenigbare belangen. Enerzijds streven ze naar integratie, anderzijds zijn ze gericht op behoud van een eigen leefwijze en cultuur. Aan de ene kant beloven ze de bescherming van het bosgebied, aan de andere kant verkondigen ze de verspreiding van het boerengrondbezit.  Het sociale gedrag ten opzichte van de adivasis is paternalistisch, neerbuigend of zelfs minachtend. Mede daarom slaan de ontwikkelingsprojecten niet aan bij de tribale bevolking.

Het gebrek aan succes heeft ten dele ook te maken met de hardnekkige vooroordelen van de hindoe bevolking jegens de tribale minderheden.  Maar in veel gevallen belemmert ook de eigen trots van de adivasis hen om deel te nemen in de hindoe samenleving. Veel minderheden vrezen dat zij daarvoor hun traditionele gebruiken en gewoonten moeten opgeven. De tribalen hebben geen belangstelling voor van boven af opgelegde programma's. Ze zijn in hun samenleving gewend eigen beslissingen te nemen en als het om verstrekkende kwesties gaat, besluiten ze na overleg en consensus in de eigen gemeenschap. Daarom leven de meesten van hen in afzondering van de hindoe gemeenschap en verkiezen zij als hun woonomgeving de heuvels in het binnenland van Orissa. Daar moeten zij de bemoeienis dulden van overheidsambtenaren die bij tijd en wijle een volkstelling komen houden. Zij aanvaarden alleen de hulp van de overheid als die het stamverband niet ontwricht. Dat geldt ook voor bijzondere ontwikkelingsprojecten zoals de installatie van zonnecollectoren die ogenschijnlijk geen doel dienen in een dorpsgemeenschap waar men geen elektriciteit gebruikt.

Terug naar inhoudsopgave