|
Informatie
Indonesië
Indonesië is een land met vele kleurrijke bevolkingsgroepen
en talloze uitingen van cultuur zoals dansopvoeringen, muziek- en offerfeesten,
religieuze plechtigheden of indrukwekkende dodenrituelen. Vele honderden jaren
voor de christelijke jaartelling trokken verschillende bevolkingsgroepen vanuit
China naar het zuiden. Deze groepen bereikten in vlerkprauwen de grote eilanden
van West- Indonesië. De hier aanwezige bevolking ging geleidelijk op in het
nieuwe volk zoals de Bataks op Sumatra en de Torajas van Sulawesi. Rond 500 voor
Christus kwam een tweede stroom op gang uit het Chinese stamland. Deze nieuwe
bewoners introduceerden het gebruik van metalen gebruiksvoorwerpen zoals de
gong, die onmisbaar was als muzikale begeleiding bij ceremoniële feesten. De
volksverhuizers uit China hadden vaste woonplaatsen en woonden in clan- en
stamverband samen in grote familiehuizen op palen. De overledenen werden
opgebaard in dodenhuisjes die de vorm van een schip hadden. Deze zielenschepen
voerden op symbolische wijze de zielen van de doden weer terug over zee naar het
oude stamland. Priesters brachten mensenoffers van gedode vijanden om de
natuurmachten te beheersen en gunstig te stemmen tot welzijn van de levenden.
Omstreeks de eerste eeuw kwam een nieuwe
migratiestroom naar Indonesië op gang. Het waren handelaren en zeelieden uit
Zuidoost-India die zich vestigden langs de kusten van de grote eilanden. Onder
hen waren mensen die het hindoeïsme aanhingen met het geloof in de drieëenheid
van de goden Brahma, de schepper, Vishnoe, de onderhouder, en Shiva, de
vernietiger. Anderen waren boeddhisten. Hun aantal en invloed waren uiteindelijk
zo groot dat de inheemse samenlevingen in hun omgeving veranderden en naar
Indiaas model werden omgevormd. De nieuwkomers uit Zuidoost-India brachten een
culturele omwenteling tot stand. Wezenlijke vernieuwingen waren de invoering van
nieuwe godsdienstige en filosofische stelsels, en het gebruik van een universele
geschreven taal in de vorm van het sanskriet. Daardoor kreeg de schat aan
klassieke Indiase literatuur zoals
de Ramayana algemene bekendheid. Behalve culturele vernieuwingen brachten de
nieuwkomers ook sociale veranderingen in de eeuwenoude samenlevingen van
Indonesië.
Door de instelling van het goddelijke
koningschap beschouwden de nieuwe vorsten zich als vertegenwoordigers van de
goddelijke macht op aarde. Hun onderdanen kenden een verschil in sociale status.
De toplaag bestond uit mensen van hoge kaste, die de adel vormden, tegenover de
massa van het gewone volk. Vorsten woonden in kratons of paleizen. Daar
bloeide het hofleven en werden nieuwe impulsen gegeven aan architectuur,
beeldhouwkunst, literatuur, muziek, danskunst en toneelvormen. In de loop der
eeuwen ontstonden er verschillende machtige koninkrijken die tot grote culturele
bloei kwamen. Zo bloeide in Midden-Java gedurende een eeuw de krachtige en
kunstzinnige dynastie van de boeddhistische Sailendra’s (Bergheren) die rond
825 de Borobudur lieten bouwen. Enkele decennia later verdreven hindoeïstische vorsten de
Sailendra’s van Midden-Java en bouwden zij het tempelcomplex Lara Jonggrang
bij Prembanan,
Tegen het einde van de 16de eeuw
kwamen de eerste Europeanen in Indonesië. Vooral de Hollanders hebben hun
stempel gedrukt op de Indonesische samenleving. Zij wilden met de oprichting van
een Vereenigde Oostindische Compagnie het monopolie van de handel in specerijen
veilig stellen door het sluiten van contracten met plaatselijke hoofden. Al gauw
verrezen er militaire versterkingen en forten om de Nederlandse handelsbelangen
te beschermen. Na het faillissement van de Compagnie nam de Nederlandse staat
haar Aziatische bezittingen over. Daarmee begon formeel de koloniale periode van
Nederlands Oost-Indië. Om het gezag te consolideren en om rust en orde te
handhaven was naast een uitgebreid bestuursapparaat ook een legermacht nodig en
dat kostte veel geld. Om dit te bekostigen werd de bevolking verplicht om
bepaalde gewassen te verbouwen die aan het Nederlands-Indische gouvernement als
belasting moesten worden afgestaan. De aanwezigheid van de Hollanders heeft
geleid tot sociale en culturele veranderingen in de Indonesische archipel.
Onder de Nederlandse heerschappij ontstond
een kleine elite van Nederlanders en Indo-Europeanen die zich over het algemeen
Indisch voelde en ambivalent stond tegenover alles wat uit Nederland kwam.
Daaronder was er een veel grotere groep Indo-Europeanen die ambivalent stond
tegenover de Nederlanders én de Indonesiërs. Vervolgens waren er de Chinezen
en andere oosterlingen die ook zeer uiteenliepen wat hun maatschappelijke
positie betrof. Tenslotte waren er de Indonesiërs zelf, die evenmin een
homogene groep vormden vanwege hun verschillende landaard. Niettemin kon
uiteindelijk een zelfbewuste Indonesische elite ontstaan van intellectuelen uit
de hogere en middenklasse, die zich los wilden maken van Holland en de
onafhankelijkheid nastreefden. Kort
na de Tweede Wereldoorlog op 17 augustus 1945 riep een kleine groep van
intellectuelen onder leiding van Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid uit.
Enkele jaren later werd Soekarno officieel benoemd als eerste president van de
Republiek Indonesië. Onder zijn bewind begon de opbouw van een moderne
eenheidsstaat met een sterk nationalistisch besef ondanks de grote etnische en
culturele verschillen.
Terug naar inhoudsopgave
Java
Java is het dichtstbevolkte eiland van
Indonesië. Het is van oudsher ook het belangrijkste eiland van de archipel.
Java is door de jaren heen het economische en bestuurlijke centrum van de
eilandengroep geweest. Het eiland telt verschillende grote steden. De bevolking
is er zeer verschillend van samenstelling. Het grootste deel van de mensen is
moslim. Tijdens de gebedsdiensten zijn de gelovigen meestal gekleed in een
geruite sarong (geen batik), een wit overhemd of jasje. Op het hoofd heeft men
een rechthoekig zwart fluwelen mutsje. De vrouwen dragen een witte sluier die
alleen het gezicht vrijlaat. In West Java wonen de Sundanezen, een volk met een
eigen taal en cultuur. Al vroeg bekeerden deze bewoners zich met hun vorsten tot
de islam.Ook nu is de invloed van de islam op de maatschappij zeer groot. Bijna
alle Sundanezen zijn zeer toegewijd en gelovig islamiet. In het Midden en Oost
Java wonen de eigenlijke Javanen die nog veel van hun traditionele omgangsvormen
hebben bewaard. Ook in hun taalgebruik hebben zij de verschillen in sociale
status bewaard. Zo zijn er eigenlijke drie talen die in woordgebruik van elkaar
verschillen: het laag Javaans (ngoko) dat een hogere spreekt tegen een lagere in
sociale status, het hoog Javaans (krama) dat een lagere tegen een hogere in
sociale status moet spreken, en het tussen Javaans (madiya).
In het westen van Java ligt Malabar, een
berggebied met uitgestrekte theeplantages die in de loop van de vorige eeuw zijn
opgezet door Nederlandse planters. Aanvankelijk moesten zij vooral koffie
verbouwen onder het regime van de gedwongen gouvernementscultures. Na de
afschaffing daarvan schakelden zij al snel over op de verbouw van thee die veel
geschikter was voor de grond en daarmee ook lucratiever. Een van die planters
was Johannes Bosscha, een vooruitstrevend persoon, die zich niet alleen toelegde
op de ontwikkeling van de onderneming maar ook op de ontwikkeling van de lokale
bevolking. Met zijn financiële steun werden woningen gebouwd voor de arbeiders
en een school voor hun kinderen. In de omgeving liet hij ook een sterrenwacht
bouwen die de wetenschap moest bevorderen. Het
landhuis waarin
Johannes Bosscha woonde is ontsnapt aan de verwoestingen die na de koloniale
periode zijn aangericht. Ook de arbeiderswoningen
zijn bewaard gebleven voor de tand des tijds. Zij vormen de stille getuigen van
een koloniaal tijdperk dat veel Indonesiërs uit het nationale geheugen trachten
te wissen.
Op midden Java ligt in de omgeving van
Yogyakarta het oude tempelcomplex van de Borobudur.
Het is gesticht in de 9de eeuw. Het is in principe een boeddhistische
stupa: vierkante basis, bolvormig lichaam en slanke top. Het heiligdom is om een
heuvel heen gebouwd, zodat men nergens naar binnen kan. De onderbouw bestaat uit
vijf terrasvormige verdiepingen, die van beneden naar boven ten opzichte van
elkaar inspringen. De meer dan manshoge muren van deze terrassen zijn volledig
bedekt met twee rijen van boven elkaar in steen uitgehouwen reliëfs.
Na het vijfde vierkante terras volgen drie cirkelvormige terrassen, die ten
opzichte van elkaar eveneens trapsgewijs verspringen. Op de randen van deze
terrassen staan in een cirkel opengewerkte stupa’s
opgesteld met een mediterende boeddha binnenin. De centrale
top van de Borobudur is een reusachtige klokvormige stupa met een afgeknotte
spits. Op de muren van de vierkante terrassen bevinden zich op regelmatige
afstand van elkaar diepe nissen,
waarin een mediterende boeddha is geplaatst. Alle boeddha’s die één zijde
van het bouwwerk versieren hebben dezelfde handhouding of mudra. De
bovenste reliëfs op de binnenzijden van de muren die de gaanderijen omgeven,
beelden verschillende verhalen uit. Die van de eerste gaanderij laten het leven
van de historische boeddha zien tot aan het ogenblik dat hij de verlichting
bereikt en vervolgens zijn leer gaat prediken. De onderste reliëfs van deze
gaanderij hebben jataka’s als onderwep, stichtelijke verhalen over de
daden van de boeddha in zijn vorige levens. Verder worden er awadana’s
afgebeeld: de goede daden die andere heiligen verricht hebben. De reliëfs op de
muren van de overige gaanderijen hebben betrekking op andere boeddhistische
verhalen.
De symboliek van de Borobudur als geheel is
dat men als gelovige pelgrim een tocht langs de reliëfs maakt in de richting
van de wijzers van de klok, dus steeds rechtsom. Deze ommegang vindt nog in de
materialistische wereld plaats, waar alles slechts schijn is. Gesticht door de
boeddhistische verhalen komt men aan op de ronde terrassen waar de aardse wereld
plaats maakt voor een vergeestelijkte wereld. Men is als het ware in de hemelse
sfeer beland, waar men inzicht krijgt in de absolute realiteit van het niets,
dat zich boven de schijn verheft. Deze ommegang kan men maken via de hoge,
steile trappen die vanuit het midden van elke zijde recht naar boven lopen en
bij de gaanderijen onder smalle poorten doorlopen, die versierd zijn met een
bekroning van een kala- of monsterkop.
Eveneens in de omgeving van Yogyakarta ligt
op midden Java nog een ander beroemd tempelcomplex. Dat is het hindoeïstische Lara
Jonggrang. Het bouwwerk is beter bekend als Prembanan
naar het gelijknamige dorp vlakbij. De restauratie van de Prembanan is al een
eind gevorderd en behalve de aan Shiva gewijde hoofdtempel staan de tempels aan
weerskanten daarvan, gewijd aan Vishnoe en Brahma, weer overeind. Aan de
binnenzijde van de balustrades rond de gaanderijen van de Shiva- en Brahmatempel
bevinden zich realistische reliëfs,
die episoden uit het beroemde hindoe-epos Ramayana afbeelden.
In het tempelcomplex aanbad men Shiva als Batara Guru (opperste
leermeester) vergezeld door zijn gemalin Durga met acht armen (door de Javanen
Lara Jonggrang genoemd) en hun zoon Ganesh
met de olifantskop. Naast Shiva en zijn gezin aanbad men er Brahma met drie
hoofden, Vishnoe en tenslotte de stier Nandi, het rijdier van Shiva.
Terug naar inhoudsopgave
Bali
Het hindoeïsme was in het verleden een
voorname godsdienst in verschillende van de vorstendommen op Java. De godsdienst
heeft er echter veel aan invloed verloren. Daarentegen is het hindoeïsme op
Bali nog alom tegenwoordig. Het gehele dagelijkse leven op Bali is doordrongen
van de godsdienst Agama Hindu Bali. Deze levensbeschouwing is gebaseerd op een
mengeling van hindoeïstische en boeddhistische elementen en Oudindonesische
elementen uit de vóór-hindoeïstische tijd. Bij het zien van de beelden in en
om de tempels en langs de weg krijgt men de indruk dat er veel goden worden
vereerd en aanbeden. In werkelijkheid zijn het verschillende verschijningsvormen
van de trimurti, de drie-eenheid: Brahma de schepper,Vishnoe de bewaarder
en Shiva de vernietiger. In de Agama Hindu Bali heeft zich een dualistisch
wereldbeeld ontwikkeld, dat zich in tegenstellingen openbaart zoals hemel en
aarde, goden en demonen, zon en maan, goed en kwaad. De tegenstellingen zijn
echter complementair: ze hebben elkaar nodig. Daarom is het belangrijk naar de
harmonie der dingen te streven. Door middel van offers en offergaven kan die
harmonie bewerkstelligd worden. De goden worden op Bali geassocieerd met de zon
en met de bergen. Ze zijn overal aanwezig, maar ze verblijven gewoonlijk op de
hoogste bergen van het eiland. Regelmatig dalen de goden neer om zich om het
welzijn van de mensen te bekommeren. Om zowel de goden als de op de loer
liggende demonen te vriend te houden, brengt men dagelijks offertjes. Niet
alleen in de tempels en op de erven ziet men offers, ook langs de openbare weg,
op gevaarlijke kruispunten, bij bruggen, op auto’s en overal waar de mens de
toorn van de goden of demonen vreest.
De Balinese tempel bestaat uit twee of drie
tempelpleinen waarop de balé’s (open paviljoens), schrijnen, sokkels en meru’s
staan. Meru’s zijn hoge smalle gebouwtjes met een dak dat uit opeengestapelde,
steeds kleiner wordende daken is samengesteld. Het aantal daken geeft aan welke
rang de godheid heeft waarvoor de meru bestemd is: elf daken zijn voor Shiva, de
hoogste god, die op de hellingen van de berg Gunung Agung woont. De meru’s
voor Brahma en Vishnoe tellen negen daken. Afbeeldingen van goden die vereerd
worden treft men op het tempelterrein niet aan. De goden zelf zijn onzichtbaar
en kunnen bij bepaalde ceremonies symbolisch weergegeven worden. Bij het
betreden van een tempelcomplex gaat men door een gespleten poort, de candi
bentar. Via de candi bentar komt men op het eerste tempelterrein, de jaban.
Daar stuit men al gauw op een tweede tempelpoort, de paduraksa. Deze
poort is gewoonlijk het rijkst versierde monument van het tempelterrein en wordt
aan weerszijden geflankeerd door stenen rakasa, demonische figuren die
het kwaad weren. Direct achter de poort bevindt zich een stenen muur, aling-aling,
die wanneer de tempelpoort geopend is, de kwade machten tegenhoudt die rechtdoor
de tempel binnenstormen. Het eerste
tempelterrein is voor de voorbereiding van de rite. Het tweede plein is het
heiligdom met de altaren en schrijnen waar de goden verblijven als ze van de
bergtoppen neerdalen.
In Mengwi
bevindt zich de staatstempel Pura Taman Ayun, het op een na grootste
tempelcomplex van Bali. De tempel werd in 1634 gebouwd en is gewijd aan de
voorouders van de vorsten die tot 1892 over Mengwi heersten. Het complex wordt
omgeven door een gracht die is verbonden met een vijver waarin lotusbloemen
groeien. Voor de tempel bevindt zich de wantilan, waar de hanengevechten
worden gehouden. Op het tempelplein staan talloze meru’s, hoge
gebouwtjes met boven elkaar geplaatste dakjes, bestemd voor de goden wanneer ze
op aarde neerdalen. In de richting van het oosten bevindt zich het altaar voor
de vorsten van Mengwi, die nog steeds vereerd worden.
Bij Tanah
Lot vindt men een tempel gebouwd op een rots in zee, die via een smalle
strook land met de kust verbonden is. Het heiligdom, dat alleen bij laag water
bereikbaar is, is vrij klein, maar zeer fotogeniek. Vlak bij de tempel ligt een
theater waar men kecak
zang- en dansvoorstellingen opvoert. Het verhaal van de voorstelling is uit de
Ramayana genomen. Het gaat over Rama, de kroonprins van Ayodia. Op verzoek van
zijn slechte stiefmoeder werd Rama door zijn vader naar het oerwoud verbannen,
waar hij als asceet veertien jaren moest leven. Uit grote liefde en trouw
volgden zijn vrouw Shinta, die door Rahwana ontvoerd werd, en zijn broer
Laksamana. Na veertien jaren vol avonturen, nadat Rama zijn vrouw Shinta gered
had, keerde hij met zijn broer Laksamana triomfantelijk naar Ayodia terug. De
kecak was oorspronkelijk een koor van mannen die, gezeten in concentrische
cirkels om een lamp met olie, in trance de zogenaamde apendans begeleidt. De
naam apendans heeft ze gekregen omdat de voorstelling eindigt met het gevecht
tussen het apenleger van Rama en het leger der demonen van Rahwana. De mannen
zingen dikwijls de woorden “tchak”of “kecak” die helemaal geen betekenis
hebben; vandaar de Balinese naam Tchak of Kecak. Om de voorstelling
interessanter te maken heeft men later een verhaal ingelast.
Het heiligste tempelcomplex van Bali bevindt
zich te Besakih op de
helling van de vulkaan Gunung Agung. Inscripties vermeldden al in 1007 het
bestaan van de tempel. Vanaf de 15de eeuw is de tempel de centrale
moedertempel geweest. Het complex bestaat uit drie grote tempels, gewijd aan Vishnoe,
Shiva en Brahma, die als terrassen boven elkaar liggen. Tijdens
belangrijke plechtigheden zijn de drie hoofdaltaren met gekleurde doeken
omkleed: links zwart voor Vishnoe, in het midden wit voor Shiva en rechts rood voor
Brahma. Rondom deze drie grote tempels staan nog achttien kleinere tempels, voor
de diverse kasten en voor de verschillende streken op Bali. Voor de Balinezen is
het bezoek aan de staatstempel een pelgrimstocht die men minstens eenmaal per
jaar maakt. Eén keer per honderd jaar wordt de Eka Dasa Rudra gehouden,
een ceremonie bedoeld om het evenwicht in de kosmos te herstellen. Het is een
zeer kostbare plechtigheid, die een lange voorbereidingstijd vraagt. Alle
priesters van Bali moeten hieraan meewerken, kostbare offergaven worden gemaakt
en talloze dieren worden als offergave geslacht. In totaal nemen de
plechtigheden drie maanden in beslag.
Terug naar inhoudsopgave
Sumatra
Sumatra is verdeeld in acht provincies met
verschillende etnische groepen, waarvan de eigen cultuur in de architectuur,
taal, kleding dans en muziek zichtbaar is. In de binnenlanden van Noord-Sumatra
wonen de Bataks, een bevolkingsgroep die tot het begin van deze eeuw geïsoleerd
heeft geleefd.Pogingen om de Bataks tot de islam te bekeren hebben in de loop
der eeuwen weinig succes gehad. Ook de pogingen van de zending de Bataks tot het
christendom te bekeren verliepen aanvankelijk zeer moeizaam, maar hadden op den
duur wel succes. Door de geïsoleerde ligging en de afwerende houding tegen
alles wat van buiten kwam is de oorspronkelijke cultuur lang behouden gebleven.
Een klein aantal Bataks houdt zich nog aan
de traditionele godsdienst. Die is gebaseerd op de verering van de voorouders en
het geloof in het bestaan van goden, geesten en bovennatuurlijke wezens. Die
wezens zijn in de natuur (water, lucht, bomen, stenen, rivieren, bergen, meren)
aanwezig. De Bataks kennen een hoogste wezen, Ompu Tuan Jadi na Bolon, ook wel
Debata genoemd. Deze god bestaat uit een drie-eenheid die samenhangt met de
indeling van de kosmos. Men gaat ervan uit dat er drie werelden zijn: de
bovenwereld waar de goden verblijven, de middenwereld waar de mensen wonen en de
onderwereld waar de geesten en demonen huizen. Het evenwicht tussen deze
werelden kan gehandhaafd worden door het uitvoeren van rituelen door een datu,
een priester die ook medicijnman en wichelaar is, en door het geven van offers.
In de Batak -religie en –taal zijn elementen aanwezig die erop wijzen dat de
Batakcultuur zeer oud is, met sporen van beïnvloeding door het hindoeïsme. Zo
begon de titel van de vorsten met het woord singa (leeuw) en ook de grote
gebeeldhouwde koppen aan weerszijden van een traditioneel huis noemt men Singa
of Gajah Dompak, namen van hindoeïstische oorsprong.
De leefregels van de Batak gemeenschap
worden bepaald door een traditionele kalender. Deze kalender telt vele dagen met
gunstige en ongunstige voortekenen. Slechts door te leven volgens de
voorschriften of door het brengen van offers kan men zijn lot beïnvloeden. Op
de dagen van de schorpioen mag men geen festiviteiten organiseren (scharen van
de schorpioen), tenzij men geboren is op eenzelfde dag (buik van de schorpioen).
Zelfs de dagen erna mag men geen festiviteiten organiseren (staart van de
schorpioen). Op de dagen van de rust mag men geen activiteiten ondernemen,
iedere inspanning zoals het uithuwelijken van een zoon of een dochter is
vergeefs. Datzelfde geldt het schenken, verhuren of verkopen van goederen. Op de
dagen van de klok moet men alle aangeboden koopwaar aanvaarden, maar afzien van
het uitlenen van goederen aangezien men houdt wat men krijgt doch verliest wat
men geeft. Op de dagen van de golfbeweging mag men geen woning inwijden ongeacht
de richting waarin die is gebouwd, als men dit toch doet dan loopt men het
gevaar dat men op dezelfde dag komt te overlijden. Op de dagen van de visoogst
ontvangt men zijn gasten met een vismaaltijd, als hij hen vlees voorschotelt zal
zijn vee sterven. Deze dagen zijn geschikt om meningsverschillen bij te leggen
en geschenken te geven als men een familielid heeft verloren of een banvloek
opgelegd heeft gekregen. De dagen van de vruchtbaarheid zijn bij uitstek
geschikt om te trouwen of om vee te ontvangen (als een huwelijksgeschenk of als
aflossing van een schuld). Deze dagen zijn ook geschikt om rijst te zaaien. Op
de dagen van de onvolledigheid maakt men de dingen niet af; men kan zijn
bezigheden alléén af krijgen als men een zoenoffer brengt.
Vroeger waren de Bataks veelvuldig met
elkaar in strijd gewikkeld en moesten zij voortdurend op aanvallen bedacht zijn.
Die eeuwige strijd was er de oorzaak van dat de dorpen op moeilijk bereikbare
plaatsen werden gebouwd. In bergachtige streken werden de dorpen door een stenen
wal van 2 tot 3 meter hoog aan het oog onttrokken. In de vlakkere streken
omringde men de dorpen met een dikke, hoge bamboehaag, waarin een nauwe toegang
was uitgespaard, die kon worden afgesloten en gebarricadeerd. Zo’n huta,
een traditioneel ommuurd dorp, is te zien in het openluchtmuseum in Simanindo.
De lengteas van het dorp is gewoonlijk oost-west gericht. In het midden, aan de
zuidzijde, bevindt zich de rumah bolon, het grote huis van de lokale
vorst. Aan weerszijden daarvan staan de woonhuizen, bagas of rumah,
en aan de noordzijde de rijstschuren of sopo. Kenmerkend zijn de ver
overhangende voorgevels, die naar het plein zijn gekeerd. De op palen rustende
huizen, die via een smalle trap betreden kunnen worden, hebben een
indrukwekkende architectuur en ornamentiek. De voorgevel van het huis is
gewoonlijk rijk versierd met symbolen uit de traditionele godsdienst: singa,
buffel, buffelhoorns, hagedissen en vrouwenborsten. Het fraaie lijnenspel van
het houtsnijwerk is beschilderd in rood, zwart en wit. De daken zijn bedekt met
de zwarte ijuk-vezels van de arenpalm. Sinds de Tweede Wereldoorlog maakt
men daken van plaatijzer dat, wanneer het roest, een armoedige indruk maakt. Ook
de buitenzijde van de huizen is niet meer versierd en bestaat gewoonlijk uit
ongeverfd hout.
Het langgerekte dorpsplein wordt gebruikt
voor ceremonies en feesten. In het museumdorp in Simanindo presenteert men
dagelijks twee voorstellingen, die een indruk geven van de traditionele dans en
muziek bij diverse plechtigheden. Het gondang-orkest, dat bestaat uit een
aantal trommen, gongs en een schalmei, neemt plaats op de voorgalerij van het
grootste huis. Bij de tor-tor-offerdans brengt de datu of priester
een karbouw het plein op. Hij bindt deze als symbolisch offerdier vast aan een
paal, die versierd is met takken van de waringin. Bij echte adatfeesten slacht
men de karbouw nadat er bepaalde dansen om de paal zijn uitgevoerd. De dansen
van de vrouwen zijn indrukwekkend door de strakke gestileerde bewegingen van
armen en handen, waarbij men telkens even door de knieën zakt. De danseressen
blijven nagenoeg op dezelfde plek staan en kijken zedig naar beneden. Een
hoogtepunt vormt het dansen van Si
Gale Gale, een houten pop die door middel van touwtjes bewogen wordt.
Oorspronkelijk liet men deze pop dansen op het begrafenisfeest van iemand die
geen zoon had om voor het zielenheil van de overleden vader te zorgen. De pop is
een “surrogaatzoon”, die dansend de ziel van de dode rust geeft en tevreden
stelt. Volgens de mythe zou de eerste Si Gale Gale pop gemaakt zijn voor een
koning met meerdere dochters en slechts één zoon. De zoon, die goed kon
dansen, werd ziek en stierf. De koning had hierom zo veel verdriet, dat de
mensen uit zijn dorp een houten pop voor hem maakten die precies op zijn zoon
leek en die kon dansen.
De kleding van de dansers is de traditionele
feestkleding: een donkerblauwe of donkerrode sarong met motiefjes in de smalle
banen, die hoog wordt opgetrokken over de blouse. Het belangrijkste kledingstuk
is de slendang of
schouderdoek, die alle Bataks, zowel mannen als vrouwen, dragen. De grote
hoofddoek die opgevouwen op het hoofd wordt gedragen ziet men tegenwoordig
slechts zelden. De meeste Bataks dragen moderne Indonesische kleding, dat wil
zeggen, de vrouwen een gebatikte sarong en een gebloemde kabaya (blouse) of een
jurk, de mannen een lange broek en een overhemd met korte of lange mouwen en
soms een colbert. Bij feestelijke gelegenheden draagt men daarbij altijd de
Batakse schouderdoek.
Pematang Purba is een museumdorp met een
prachtige rumah bolon,
een vorstelijke woning, eens de zetel van de vorst der Simalungun Bataks. Het
grote huis en het bijbehorende vrouwenverblijf werden enkele jaren geleden
gerestaureerd. Via een steile trap gaat men het grote huis binnen. De vloer
bestaat uit prachtige oude planken van teakhout met een donker patina. Het is in
de adathuizen altijd erg donker maar na enige gewenning kan men de kookplaats en
de slaapplaatsen onderscheiden. In het huis staat een grote houten kist, waarin
een overleden vorst werd bijgezet wanneer zijn zoon en opvolger nog niet
meerderjarig was. Tot dat moment bleef het stoffelijk overschot in het huis. Het
complex omvat nog enkele rijstschuren
en een vergadergebouw.
Achter op het terrein bevinden zich de graven van de diverse vorsten. De laatste
vorst, die in 1948 stierf, had twaalf vrouwen. Enkele grafmonumenten dateren uit
de jaren zestig en zeventig. De opschriften “requiescat in pace” geven
duidelijk aan dat hier christenen begraven liggen.
Ambarita
ligt aan de noordoostkust van het eiland Samosir in het Tobameer. In het
plaatsje zijn nog mooie oude huizen te zien van de Toba Bataks. Het plaatsje is
beroemd vanwege de megalieten:
stenen tafels en stoelen, die minstens driehonderd jaar oud zouden zijn. Op deze
plaats hielden de vorsten hof en zij spraken er recht. Werd iemand ter dood
veroordeeld, dan werd het hoofd afgehouwen en ten aanschouwe van iedereen op een
stenen tafel gelegd.
Ten zuiden van het Tobameer, ongeveer een
uur rijden van Parapat, ligt langs de snelweg het plaatsje Balige. Het is bekend
om zijn adathuizen en
de mooie stoffen die er worden gemaakt. De traditionele woningen van de Bataks
liggen verscholen achter in de desa. Het gebied wordt bewoond door islamitische
Bataks. Als men nog verder naar het zuiden gaat komt men in het woongebied van
de streng islamitische Mandailing Bataks.
Terug naar inhoudsopgave
Sulawesi
De unieke cultuur van de Toraja's is nog
steeds gebaseerd op oeroude tradities. Met het woord Toraja wordt een aantal
etnische groepen aangeduid die in het binnenland van Zuid- en Midden-Sulawesi
wonen, in totaal ongeveer 350.000 mensen. Verspreid in het sterk glooiende
landschap liggen de kleine Torajadorpen, die opvallen door de adathuizen met de
grote daken. Deze adathuizen (tongkonan)
staan gewoonlijk dicht bij elkaar. De gewone huizen staan verspreid in de
omgeving. Tot het dorp rekent men de bebouwde grond, een stuk woeste grond en
twee feestterreinen. Het ene feestterrein, de rante patunuan, is
het terrein voor de rituelen van het westen (begrafenissen). Het andere, de rante
kala’paran, is het terrein waar de riten van het oosten plaatsvinden, die
te maken hebben met het leven, met mens, dier en gewas.
De belangrijkste gebouwen van het dorp zijn
de tongkonan, de adathuizen op palen. Tongkonan zijn in het verleden door een
voorouder gesticht en daardoor sterk verbonden met de lotgevallen van de
familie. In dit huis, dat altijd met de voorgevel naar het noorden is gekeerd,
bewaart men alle kostbaarheden van de familie. Hier vinden ook de belangrijkste
plechtigheden plaats, die betrekking hebben op de familie. Niet iedere familie
heeft een tongkonan. Vroeger was de Toraja-maatschappij verdeeld in drie
standen: adel, vrijen en slaven. Alleen de leden van de hoogste stand mochten
een tongkonan bezitten. De tongkonan van de belangrijkste families hebben binnen
een “navelstijl”, een houten stijl ongeveer in het midden van het huis,
waarop de vloerbalk rust die in de lengterichting van het huis loopt. Ook
motieven in het houtsnijwerk aan de buitenzijde van het huis tonen de stand van
de betreffende familie. In het houtsnijwerk komen ongeveer tweehonderd
verschillende motieven voor die allemaal een symbolische betekenis hebben. De
meest voorkomende motieven zijn de buffelkop, de symbolische mand, bladeren van
de sirihplant, hanenveren, de zon en de zeekrab. Zeer opvallend in de
Toraja-architectuur is het grote dak van de tongkonan. Het lijkt op een boot met
opgewipte voor- en achtersteven, geplaatst op een huis op palen. De dakbedekking
bestaat uit overlangs gehalveerde stukken bamboe, die men om en om heeft gelegd
en bevestigd met rotan. Een centrale trap aan de voorzijde geeft toegang tot het
huis, dat in drie vertrekken is verdeeld: het voorste vertrek, een middenvertrek
met een kookplaats en een slaapvertrek. Tegenwoordig is de kookruimte vaak
ondergebracht in een apart gebouwtje naast het huis. Hoewel de tongkonan een
familiehuis is woont er niet een hele familiegroep, maar slechts een gezin, dat
gewoonlijk uit vier tot twaalf personen bestaat.
Tegenover de tongkonan liggen de
rijstschuren, verkleinde uitgaven van het adathuis. De architectuur van de
rijstschuren verschilt echter op een belangrijk punt van die van de adathuizen.
De stijlen waarop de rijstschuur rust zijn rond, terwijl de stijlen van de
tongkonan vierkant zijn. Dit heeft een praktische reden: om te voorkomen dat de
muizen de rijstvoorraden die in de rijstschuren liggen opgeslagen opeten, heeft
men ronde stijlen van zeer glad palmhout gemaakt. Muizen en ratten kunnen daar
niet tegenop. Onder de opslagruimte bevindt zich een vloertje dat bij
dodenfeesten als zit- of slaapplaats dient voor de gasten, maar het wordt ook
wel als werkruimte gebruikt.
De Toraja zien de dood als het hoogtepunt
van het leven, de bevrijding van de ziel van de banden met de aarde. Een feest
maakt het de ziel mogelijk naar puya, het land van de zielen, te gaan.
Het dodenritueel, dat tot de rituelen van het oosten behoort, wordt streng
gescheiden van alles wat met de levenssfeer te maken heeft. Rijst behoort bij
het leven en degenen die in de rouw zijn mogen gedurende de rouwperiode geen
rijst eten. De Toraja (ook de christen) spaart zijn hele leven om zijn ouders en
andere naaste verwanten een prachtig dodenfeest te geven en het peil hiervan zo
hoog mogelijk op te voeren. Daarvoor steekt men zich vaak diep in de schulden:
buffels worden verkocht en sawa’s worden verpacht. De begrafenisriten van
iemand van hoge afkomst kunnen bijzonder veel kosten (vaak enige tienduizenden
guldens) en zeer uitvoerig zijn. Soms wordt het feest, dat ritueel gezien uit
twee delen bestaat, ook in twee delen gevierd. Daarbij houdt men wel een
tussenpozen van een jaar of meer, opdat men intussen weer geld kan sparen voor
het volgende deel van de plechtigheden.
Het eerste deel van het dodenritueel vindt
plaats in de tongkonan en is gewoonlijk niet zichtbaar voor toeristen: zodra
iemand gestorven is wordt het lichaam gereinigd, de darmen geledigd en het lijk
wordt vervolgens ingespoten met formaline. Het wordt dan feestelijk gekleed en
in doeken gewikkeld tot een dikke rol is ontstaan, die men bedekt met kostbare
weefsels. Klaagzangen en gebeden worden gereciteerd en de dode wordt, met het
hoofd naar het westen gekeerd, in de tongkonan of in een ander huis geplaatst.
Al die tijd spreekt men niet van een “dode” maar van een “zieke’. De
overledene beschouwt men niet als volledig dood, maar als ziek. Wanneer na
verloop van tijd voldoende geld bijeen is gebracht voor het tweede deel van de
plechtigheden, begint men met het bouwen van de grote feestloodsen, waar gasten
kunnen verblijven. Er wordt bepaald hoeveel buffels en varkens zullen worden
geofferd, wie er uitgenodigd worden, wie er dansen, wie voor de versnaperingen
zorgt, enzovoort. Op de dag dat het tweede ritueel begint plaatst men de
overledene in het middenvertrek van de tongkonan, het hoofd naar het zuiden.
Vanaf dit moment is hij werkelijk dood en spreekt men over de “dode”.
Vrouwen beginnen een klaagzang en op het erf slacht men een karbouw. De volgende
dag komen de gasten, soms enkele duizenden mensen: familieleden, vrienden,
kennissen, hoogwaardigheidsbekleders, enzovoort. Zij geven geschenken als
varkens, karbouwen, brandhout, palmwijn en geld. De belangrijkste bezoekers
krijgen sirih aangeboden door acht of twaalf mooi uitgedoste meisjes, die een
gouden kris dragen en op de rug een kandaure, een fraai sieraad van
gevlochten kralen, hebben hangen. Aan het eind van de dag volgen karbouwen- en
hanengevechten. De volgende dag wordt de dode “uit de slaap gewekt”, een
rite die aangeeft dat het dodenritueel wordt hervat. De priester zingt de
dodenzangen, familieleden weeklagen. Het stoffelijk overschot brengt men naar de
vloer onder de rijstschuur. Voor de rijstschuur staat de tau-tau, een
houten afbeelding van de dode, nu meestal een foto. Het lichaam plaatst men
vervolgens in de draagbaar, die eveneens de vorm heeft van een rijstschuur, en
in optocht begeeft men zich, tezamen met de priester en een buffel die de
overledene naar het zielenland zal rijden, naar het feestterrein. Men voert de
karbouwen die geofferd zullen worden aan, na ze eerst trots getoond te hebben
aan de gasten. Soms slacht men er meer dan vijftig! Vervolgens zet men het lijk
bij in de rotsgraven waar ook de graven van de voorouders zijn. De hoogte van
het graf in de rotswand is afhankelijk van de plaats die de overledene in de
samenleving had. Het houten beeld, de tau-tau, wordt bij de andere houten
beelden van de familie in de rotswand geplaatst en vanaf nu zal de dode waken
over het lot van zijn afstammelingen.
Een bezoek aan het tweede deel van een
begrafenisceremonie is zeer de moeite waard. Vreemdelingen zijn er welkom en
geven naar verluidt de plechtigheid meer status omdat zij een lange reis hebben
overgehad voor het bijwonen van deze bijzondere gebeurtenis. De gasten
verzamelen zich voor het feestterrein waarna een mooi uitgedost meisje de
verschillende familieclans begeleidt naar het feestterrein. Een poort met daarop
de kist van de overledene onder een nagebouwd model van een tongkonan woning
geeft toegang tot het terrein. Op het feestterrein aangekomen krijgt men een
plaats toegewezen van waaruit men de ontvangstruimte voor de familieleden van de
overledene kan zien. Boven de ontvangstruimte hangt een portret van de
overledene. Vlak daarbij staat een tau tau pop van de overledene onder een
parasol die hem moet beschermen tegen de brandende zon. De familieleden passeren
op weg naar de ontvangstruimte deze tau tau pop en brengen de overledene daarbij
de laatste eer. Een priester
in een wit kleed voert een rituele dans uit om de boze geesten te verdrijven.
Na hun ontvangst nemen de gasten plaats op een hen toegewezen plaats op
het feestterrein. De dorpsadel krijgt de voornaamste plaatsen toegewezen op de
centrale delen van het terrein. Vervolgens brengen bedienden drinken rond voor
de gasten. Het gaat hierbij om kleine genoegens als palmwijn en dodol
(ingedikt vruchtensap). Tijdens de plechtigheid worden vele dieren geslacht en
gegeten.
In het land der Toraja's liggen verscheidene
Torajadorpen met een traditionele architectuur. Een van de mooiste dorpen om te
bezoeken is Marante
met zijn oude huizen en graven in een rotswand. Daarnaast heeft ook het dorp Nanggala
mooie rijstschuren. In Palawa
staan oude huizen en rijstschuren op terrassen en een cirkel van rituele
megalieten. Ook in Batutumongga
vindt men een grote cirkel van 56 megalieten. In dit megalietdorp liet men zijn
doden begraven in een gesloten familiegraf dat in rotssteen is uitgehouwen. Ter
nagedachtenis aan de overledenen werden er gedenkstenen (menhirs) geplaatst. In
het land der Toraja's zijn voorts prachtige rotsgraven en tau-tau te bewonderen
in Lemo. In Tampang
Allo vindt men “hangende rotsgraven” met vermolmde houten kisten
en ornamenten. Niet ver van Tampang Allo bij het plaatsje Kambira
bevindt zich een boom waarin men het lichaam plaatste van overleden baby’s.
Het ging hierbij om zuigelingen die nog geen tanden hadden. De lijkjes werden
geplaatst in openingen die in de stam zijn gehakt. Vervolgens werd de opening
dicht gemaakt, zodat de boom uiteindelijk om de stoffelijke resten van de
kinderen heen groeit. Men geloofde dat zij via de takken en bladeren van de boom
in bloeitijd ten hemel stegen. Deze gewoonte om zuigelingen in een boom te
begraven is tegenwoordig in onbruik geraakt.
Terug naar inhoudsopgave
Literatuur
Diverse "De
Kecak dans of de apen dans", folder van de Arena Serba Guna "Wantilan
Surya Chandra"
Diverse "The 30
days and the 12 months", publieksfolder van het Museumdorp Ambarita
Diverse
"Traditionele Batak dansen", publieksfolder van het Museum Huta Bolon
Simanindo
Martyr, Debbie
"Indonesië, thuis in elk land", uitgave in de reeks reisgidsen van
Reiskompas
Wassing, R.S. en Wassing-Visser, R.
"Indonesië", uitgave in de reeks reisgidsen van Dominicus
Terug naar inhoudsopgave
|