De belangrijkste gebouwen van het dorp zijn de tongkonan, de adathuizen op palen. Tongkonan zijn in het verleden door een voorouder gesticht en daardoor sterk verbonden met de lotgevallen van de familie. In dit huis, dat altijd met de voorgevel naar het noorden is gekeerd, bewaart men alle kostbaarheden van de familie. Hier vinden ook de belangrijkste plechtigheden plaats, die betrekking hebben op de familie. Niet iedere familie heeft een tongkonan. Vroeger was de Toraja-maatschappij verdeeld in drie standen: adel, vrijen en slaven. Alleen de leden van de hoogste stand mochten een tongkonan bezitten. De tongkonan van de belangrijkste families hebben binnen een "navelstijl", een houten stijl ongeveer in het midden van het huis, waarop de vloerbalk rust die in de lengterichting van het huis loopt. Ook motieven in het houtsnijwerk aan de buitenzijde van het huis tonen de stand van de betreffende familie. In het houtsnijwerk komen ongeveer tweehonderd verschillende motieven voor die allemaal een symbolische betekenis hebben. De meest voorkomende motieven zijn de buffelkop, de symbolische mand, bladeren van de sirihplant, hanenveren, de zon en de zeekrab. Zeer opvallend in de Toraja-architectuur is het grote dak van de tongkonan. Het lijkt op een boot met opgewipte voor- en achtersteven, geplaatst op een huis op palen. De dakbedekking bestaat uit overlangs gehalveerde stukken bamboe, die men om en om heeft gelegd en bevestigd met rotan. Een centrale trap aan de voorzijde geeft toegang tot het huis, dat in drie vertrekken is verdeeld: het voorste vertrek, een middenvertrek met een kookplaats en een slaapvertrek. Tegenwoordig is de kookruimte vaak ondergebracht in een apart gebouwtje naast het huis. Hoewel de tongkonan een familiehuis is woont er niet een hele familiegroep, maar slechts een gezin, dat gewoonlijk uit vier tot twaalf personen bestaat.
Tegenover de tongkonan liggen de rijstschuren, verkleinde uitgaven van het adathuis. De architectuur van de rijstschuren verschilt echter op een belangrijk punt van die van de adathuizen. De stijlen waarop de rijstschuur rust zijn rond, terwijl de stijlen van de tongkonan vierkant zijn. Dit heeft een praktische reden: om te voorkomen dat de muizen de rijstvoorraden die in de rijstschuren liggen opgeslagen opeten, heeft men ronde stijlen van zeer glad palmhout gemaakt. Muizen en ratten kunnen daar niet tegenop. Onder de opslagruimte bevindt zich een vloertje dat bij dodenfeesten als zit- of slaapplaats dient voor de gasten, maar het wordt ook wel als werkruimte gebruikt.
De Toraja zien de dood als het hoogtepunt van het leven, de bevrijding van de ziel van de banden met de aarde. Een feest maakt het de ziel mogelijk naar puya, het land van de zielen, te gaan. Het dodenritueel, dat tot de rituelen van het oosten behoort, wordt streng gescheiden van alles wat met de levenssfeer te maken heeft. Rijst behoort bij het leven en degenen die in de rouw zijn mogen gedurende de rouwperiode geen rijst eten. De Toraja (ook de christen) spaart zijn hele leven om zijn ouders en andere naaste verwanten een prachtig dodenfeest te geven en het peil hiervan zo hoog mogelijk op te voeren. Daarvoor steekt men zich vaak diep in de schulden: buffels worden verkocht en sawa's worden verpacht. De begrafenisriten van iemand van hoge afkomst kunnen bijzonder veel kosten (vaak enige tienduizenden guldens) en zeer uitvoerig zijn. Soms wordt het feest, dat ritueel gezien uit twee delen bestaat, ook in twee delen gevierd. Daarbij houdt men wel een tussenpozen van een jaar of meer, opdat men intussen weer geld kan sparen voor het volgende deel van de plechtigheden.
Het eerste deel van het dodenritueel vindt plaats in de tongkonan en is gewoonlijk niet zichtbaar voor toeristen: zodra iemand gestorven is wordt het lichaam gereinigd, de darmen geledigd en het lijk wordt vervolgens ingespoten met formaline. Het wordt dan feestelijk gekleed en in doeken gewikkeld tot een dikke rol is ontstaan, die men bedekt met kostbare weefsels. Klaagzangen en gebeden worden gereciteerd en de dode wordt, met het hoofd naar het westen gekeerd, in de tongkonan of in een ander huis geplaatst. Al die tijd spreekt men niet van een "dode" maar van een "zieke'. De overledene beschouwt men niet als volledig dood, maar als ziek. Wanneer na verloop van tijd voldoende geld bijeen is gebracht voor het tweede deel van de plechtigheden, begint men met het bouwen van de grote feestloodsen, waar gasten kunnen verblijven. Er wordt bepaald hoeveel buffels en varkens zullen worden geofferd, wie er uitgenodigd worden, wie er dansen, wie voor de versnaperingen zorgt, enzovoort. Op de dag dat het tweede ritueel begint plaatst men de overledene in het middenvertrek van de tongkonan, het hoofd naar het zuiden. Vanaf dit moment is hij werkelijk dood en spreekt men over de "dode". Vrouwen beginnen een klaagzang en op het erf slacht men een karbouw. De volgende dag komen de gasten, soms enkele duizenden mensen: familieleden, vrienden, kennissen, hoogwaardigheidsbekleders, enzovoort. Zij geven geschenken als varkens, karbouwen, brandhout, palmwijn en geld. De belangrijkste bezoekers krijgen sirih aangeboden door acht of twaalf mooi uitgedoste meisjes, die een gouden kris dragen en op de rug een kandaure, een fraai sieraad van gevlochten kralen, hebben hangen. Aan het eind van de dag volgen karbouwen- en hanengevechten. De volgende dag wordt de dode "uit de slaap gewekt", een rite die aangeeft dat het dodenritueel wordt hervat. De priester zingt de dodenzangen, familieleden weeklagen. Het stoffelijk overschot brengt men naar de vloer onder de rijstschuur. Voor de rijstschuur staat de tau-tau, een houten afbeelding van de dode, nu meestal een foto. Het lichaam plaatst men vervolgens in de draagbaar, die eveneens de vorm heeft van een rijstschuur, en in optocht begeeft men zich, tezamen met de priester en een buffel die de overledene naar het zielenland zal rijden, naar het feestterrein. Men voert de karbouwen die geofferd zullen worden aan, na ze eerst trots getoond te hebben aan de gasten. Soms slacht men er meer dan vijftig! Vervolgens zet men het lijk bij in de rotsgraven waar ook de graven van de voorouders zijn. De hoogte van het graf in de rotswand is afhankelijk van de plaats die de overledene in de samenleving had. Het houten beeld, de tau-tau, wordt bij de andere houten beelden van de familie in de rotswand geplaatst en vanaf nu zal de dode waken over het lot van zijn afstammelingen.
Een bezoek aan het tweede deel van een begrafenisceremonie is zeer de moeite waard. Vreemdelingen zijn er welkom en geven naar verluidt de plechtigheid meer status omdat zij een lange reis hebben overgehad voor het bijwonen van deze bijzondere gebeurtenis. De gasten verzamelen zich voor het feestterrein waarna een mooi uitgedost meisje de verschillende familieclans begeleidt naar het feestterrein. Een poort met daarop de kist van de overledene onder een nagebouwd model van een tongkonan woning geeft toegang tot het terrein. Op het feestterrein aangekomen krijgt men een plaats toegewezen van waaruit men de ontvangstruimte voor de familieleden van de overledene kan zien. Boven de ontvangstruimte hangt een portret van de overledene. Vlak daarbij staat een tau tau pop van de overledene onder een parasol die hem moet beschermen tegen de brandende zon. De familieleden passeren op weg naar de ontvangstruimte deze tau tau pop en brengen de overledene daarbij de laatste eer. Een priester in een wit kleed voert een rituele dans uit om de boze geesten te verdrijven. Na hun ontvangst nemen de gasten plaats op een hen toegewezen plaats op het feestterrein. De dorpsadel krijgt de voornaamste plaatsen toegewezen op de centrale delen van het terrein. Vervolgens brengen bedienden drinken rond voor de gasten. Het gaat hierbij om kleine genoegens als palmwijn en dodol (ingedikt vruchtensap). Tijdens de plechtigheid worden vele dieren geslacht en gegeten.
In het land der Toraja's liggen verscheidene Torajadorpen met een traditionele architectuur. Een van de mooiste dorpen om te bezoeken is Marante met zijn oude huizen en graven in een rotswand. Daarnaast heeft ook het dorp Nanggala mooie rijstschuren. In Palawa staan oude huizen en rijstschuren op terrassen en een cirkel van rituele megalieten. Ook in Batutumongga vindt men een grote cirkel van 56 megalieten. In dit megalietdorp liet men zijn doden begraven in een gesloten familiegraf dat in rotssteen is uitgehouwen. Ter nagedachtenis aan de overledenen werden er gedenkstenen (menhirs) geplaatst. In het land der Toraja's zijn voorts prachtige rotsgraven en tau-tau te bewonderen in Lemo. In Tampang Allo vindt men "hangende rotsgraven" met vermolmde houten kisten en ornamenten. Niet ver van Tampang Allo bij het plaatsje Kambira bevindt zich een boom waarin men het lichaam plaatste van overleden baby's. Het ging hierbij om zuigelingen die nog geen tanden hadden. De lijkjes werden geplaatst in openingen die in de stam zijn gehakt. Vervolgens werd de opening dicht gemaakt, zodat de boom uiteindelijk om de stoffelijke resten van de kinderen heen groeit. Men geloofde dat zij via de takken en bladeren van de boom in bloeitijd ten hemel stegen. Deze gewoonte om zuigelingen in een boom te begraven is tegenwoordig in onbruik geraakt.