Henk Sebregts 

Home Sitemap Help Vragen Nieuw Zoeken Contact

 

Maleisië 

Het Verre Oosten in Woord en Beeld 

 
 

 

Informatie
 

 

Zoek op trefwoord:

 

 

Borneo

Borneo ligt net boven de evenaar. Het grootste deel van het eiland behoort bij Indonesië en wordt Kalimantan genoemd. De noordkust van het eiland behoort voor het grootste deel tot Maleisië. In het noordwesten ligt Sarawak en in het noordoosten Sabah. De grens tussen Sarawak en Kalimantan volgt de waterscheiding van de rivieren die doorgaans naar het noordwesten stromen en uitmonden in de Zuidchinese Zee en de rivieren die naar het zuidoosten stromen en uitmonden in de Celebes Zee en de Java Zee. De grens tussen Sarawak en Sabah loopt door veel gemakkelijker terrein en volgt geen natuurlijke grenzen. Het gebied bestaat uit een moerassige kuststrook die overgaat in heuvelachtig laagland. Het binnenland is bergachtig.  De rivieren in het binnenland stromen snel door diepe kloven en langs talloze stroomversnellingen tot ze de kustvlakte bereiken waar ze richting de zee kronkelen. Ze hebben het oerwoud van oudsher toegankelijk gemaakt. De bewoners hebben zich dan ook meestal langs de rivieren gevestigd. Daar hebben ze echter in de loop der tijd omvangrijke stukken oerwoud gekapt om er landbouw te bedrijven. Dat geldt niet alleen voor de kleinschalige op de eigen behoefte afgestemde dorpslandbouw maar vooral ook voor de latere plantagelandbouw. De vruchtbare bodem blijkt namelijk zeer geschikt voor de aanplant van rubberbomen, oliepalmen, klapperbomen, cacao- en theeplanten. 

Hoewel grote delen van het oerwoud zijn verdwenen blijven sommige gebieden grotendeels ongerept en vormen ze de woonplaats van enkele bijzondere diersoorten die in hun voortbestaan worden bedreigd en daarom door de overheid worden beschermd. Tot deze bijzondere beschermde diersoorten behoren onder andere de orang oetans en de proboscis apen of neusapen. Men heeft de meeste kans om ze te zien in de nationale parken en natuurreservaten. Daar vindt men ook de oudste ongerepte regenwouden ter wereld. Ze zijn naar schatting miljoenen jaren oud en niet of nauwelijks aangetast door ingrijpende klimaatveranderingen als gevolg van de ijstijden elders op deze planeet. De bekendste parken in Sarawak zijn het Bako National Park bij Kuching dat vierentwintig vierkante kilometer groot is en het Gunung Mulu National Park ten zuiden van Brunei. In Sabah is het Gunung Kinabalu National Park op bijna negentig kilometer ten oosten van de hoofdstad Kota Kinabalu het meeste bekende natuurreservaat met een grootte van ruim zevenhonderdvijftig vierkante kilometer. Men kan er de berg Kinabalu beklimmen of een wandeling maken langs de paden door het oerwoud aan de voet van de berg.  

Het vruchtbare Borneo was al vroeg de woonplaats van groepen mensen. Zowel in Sarawak als in Sabah zijn sporen gevonden van woonplaatsen uit de oude steentijd. Van deze oorspronkelijke bewoners is weinig bekend. Zij leefden rond tienduizend voor Christus als nomaden in het oerwoud die op wilde dieren jaagden en eetbare planten verzamelden. Het waren mensen met een zeer donker uiterlijk, die verwant waren aan de bewoners van het huidige Nieuw-Guinea. Halverwege het derde millennium voor Christus drongen de eerste vertegenwoordigers van de huidige bewoners door op Borneo. Zij waren afkomstig uit verschillende windstreken. Een groep kwam uit het zuiden van China. Een andere groep was afkomstig van de verschillende Indonesische eilanden. Deze zogenaamde proto-Maleiers vestigden zich langs de kusten van Borneo en verjaagden de oorspronkelijke bewoners naar het binnenland.  De nieuwkomers gebruikten stenen werktuigen die van een technisch hoger niveau waren dan in de oude steentijd. Ze bedreven landbouw en woonden in huizen in plaats van holen. Zij zijn ook de eersten die aardewerken potten hebben gebruikt.

Rond de vijfde eeuw voor Christus moesten de proto-Maleiers het veld ruimen voor een nieuwe golf van immigranten uit Zuid-China. Zij vestigden zich in dezelfde gebieden als hun voorgangers. In de geschiedenis zijn zij bekend als de deutero-Maleiers. Ze beschikten over metalen voorwerpen die ze als eersten op Borneo invoerden. Hun sociaal systeem was gebaseerd op een dorpssamenleving. De grond was gemeenschappelijk bezit en er bestonden geen grote verschillen tussen de families. Hun godsdienst was animistisch. Ze veronderstelden dat de hele wereld vol geesten was, die zich tegen hen konden keren of hen gunstig gezind waren. Het was de taak van de mensen om de geesten voor zich te winnen.

In de verspreid liggende landbouwdorpen drongen rond het begin van onze jaartelling handelaren uit India binnen. Vooral op het vasteland van Maleisië, dat een belangrijke schakel was in de langeafstandshandel tussen India en China, oefenden zij grote invloed uit op het openbare leven. Geleidelijk ontstond er een sterk door de Indiase cultuur beïnvloede samenleving onder leiding van een koning of radja.  In deze koninkrijken heerste een vorst over zijn onderdanen. Het hofleven was een kopie van het Indiase hof en de godsdienst was Indiaas. De radja’s werden aanvankelijk overheerst door het koninkrijk Funan in het tegenwoordige Cambodja, vanaf de zevende eeuw waren zij ondergeschikt aan het koninkrijk Srivijaya op het Indonesische eiland Sumatra. Vanaf de veertiende eeuw kwamen zij onder invloed van het Majapahit rijk dat zijn centrum had in het oosten van Java.

Aan het einde van de veertiende eeuw vestigde prins Parameswara onder bescherming van de Chinese keizer een onafhankelijke staat op de plaats van het tegenwoordige Melaka. Hij stelde zijn haven gelegen aan de drukke handelsroute tussen India en China open voor elke handelaar. Vooral de islamitische handelaren uit India profiteerden hiervan geweldig. Parameswara sloot als de nieuwe radja van Melaka vervolgens een verdrag met een naburige staat op de noordkust van Sumatra waar de islam al was verbreid, en huwde de dochter van de sultan. Zelf bekeerde hij zich ook tot de islam. Dit was het begin van de zegetocht van dit geloof in Melaka en de omringende gebieden waaronder Borneo. De nieuwe heersers noemden zich voortaan naar islamitisch gebruik sultan. Zij brachten de regio welvaart dankzij de vrijhandel en de rijkelijk aanwezige grondstoffen in het achterland zoals goud, peper en tin. 

Rond het begin van de zestiende eeuw verschenen de eerste Europeanen op het toneel. De Portugezen waren de eersten en hadden twee drijfveren: de islam terugdringen en de handel in specerijen in handen krijgen. De Portugezen veroverden een aantal strategische plaatsen vanwaar hun vloot de scheepsroutes kon controleren. Door hun monopoliestreven kwam een einde aan de vrije handel en de welvaart van de plaatselijke bevolking. In de zeventiende eeuw namen Nederlandse kooplui verenigd in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) met steun van de overheid het handelsmonopolie over van de Portugezen. De Nederlanders hadden grote moeite met piraten die de wateren in de omgeving onveilig maakten. Mede als gevolg hiervan steeg de onrust onder de plaatselijke bevolking in de regio. In de negentiende eeuw verzekerden de Engelsen zich van een vrije doorvaart naar China. Zij maakten van de regio een vrijplaats voor alle handelaren zonder de beperkingen van een monopolie. Geleidelijk versterkten ze hun greep op het inheemse bestuur met de benoeming van een Engelse resident als adviseur voor de sultans. Mede dankzij de investeringen van westerse ondernemingen alsmede de overheid die betrokken was bij de aanleg van wegen en spoorwegen brak een nieuwe periode van welvaart aan. 

Tot de komst van de Engelsen maakte Sarawak deel uit van het rijk van de sultan van Brunei. De radja die in opdracht van de sultan het gebied bestuurde perste de bevolking echter veel geld af. Daardoor braken voortdurend ongeregeldheden uit. De sultan van Brunei slaagde er niet in om een einde te maken aan de ongeregeldheden. Daarvan profiteerde de schatrijke Engelse avonturier James Brooke die met steun van bevriende bestuursambtenaren een einde wist te maken aan de terreur. In 1841 sloot hij een overeenkomst met de radja en liet hij zich kronen tot de eerste blanke heerser of radja van Sarawak. Een jaar later bevestigde ook de sultan van Brunei de overeenkomst en erkende hij de rechten van Brooke als nieuwe bestuurder. Brooke regeerde zijn land als een zorgzaam en welwillend grootgrondbezitter. Hij probeerde de samenleving zo veel mogelijk intact te houden en nam een aantal inheemse stamhoofden op in zijn adviesraad. Daarnaast weerde hij westerse investeerders. Zijn beleid werd na zijn overlijden in 1868 voortgezet door zijn neef Charles Brooke die de tweede blanke radja van het land werd. Het land bleef vrij arm omdat ook Charles koos voor het buiten de deur houden van de grote westerse ondernemingen. De economische positie van Sarawak veranderde echter plotseling in de twintigste eeuw onder het regime van diens zoon Vyner Brooke dankzij de vondst van olie en de opkomst van de olie-industrie. Hij was sedert 1917 de derde blanke radja en besloot om buitenlandse investeerders toe te laten voor de ontwikkeling en exploitatie van olievelden en plantages.

De blanke radja's maakten handig gebruik van de onderlinge verdeeldheid onder de verschillende inheemse bevolkingsgroepen. Ze voelden zich thuis bij de Iban in het binnenland die hun gezag erkenden. Met hun steun dwongen zij de andere bevolkingsgroepen om zich te onderwerpen en een bijdrage te leveren aan de schatkist.  Deze gedwongen onderwerping ging gepaard met veel bloedvergieten door de Iban die berucht waren om hun vijandelijke houding en hun veroveringsdrang. Zij waren gevreesde strijders die de bezittingen van hun verslagen vijanden plunderden en hun hoofden mee naar huis namen. In de voorafgaande periode hadden zij naam gemaakt als zee Dajaks of zeebewoners vanwege hun behendigheid met boten en hun betrokkenheid bij piraterij in de wateren van de Zuidchinese Zee. Daar zagen Europese en Aziatische handelaren ondanks de steun van een met geweren en kanonnen gewapende vloot veel schepen verloren gaan. Mede omdat de blanke radja's goede betrekkingen onderhielden met de beruchte Iban waren zij weinig geliefd bij andere inheemse bevolkingsgroepen en buitenlandse mogendheden.  

Evenals Sarawak stond het naburige Sabah tot de komst van de Engelsen onder bestuur van de sultan van Brunei. In 1865 gaf de sultan het huidige grondgebed van Sabah aan de Amerikaanse consul in pacht om een tegenwicht te vormen tegen de opdringende Britten. De onderneming leverde echter niets op en de Amerikaan stopte er na drie jaar mee. In 1875 kwam er weer beweging in de zaak toen de Oostenrijkse consul baron Von Overbeck samen met een Engelse zakenman Alfred Dent de voormalige compagnie van de Amerikaanse consul overnam. Enkele jaren later kocht de Engelse zakenman zijn compagnon uit en ontving hij van de Engelse regering een “charter” voor de British North Borneo Company. Dit hield in dat de onderneming het gebied mocht regeren op voorwaarde dat de Engelse vloot er havenfaciliteiten kreeg. De onderneming kreeg echter geen handelsmonopolie en mocht zich niet bemoeien met de leefgewoonten van de bevolking. In 1888 werd Noord Borneo een Brits protectoraat. Ondanks de maatregelen van de Britse overheid bleef het land arm. In de twintigste eeuw ontwikkelde Noord Borneo zich geleidelijk, maar de problemen waarvoor men stond waren enorm groot. Het ontbrak aan kapitaal en een goede infrastructuur. 

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak vielen de Japanners ook Borneo binnen. Ze hadden echter weinig sympathie van de bevolking die in hen géén bondgenoot zag voor een bevrijdingsstrijd tegen de koloniale grootmachten. Op Borneo werd het verzet in het begin van de oorlog met bruut geweld onderdrukt. Aan het einde van de oorlog voerden inheemse bevolkingsstammen met steun van een Australische commando-eenheid een bittere strijd tegen de Japanners. Voor de zwaar getroffen Britse gebieden in Borneo was er geen mogelijkheid om zich op eigen kracht te herstellen van verwoestingen tijdens de oorlog. De vroegere machthebbers van Sarawak en Sabah droegen deze gebieden daarom over als kroonkolonies aan de Britse overheid. Toen Maleisië in 1957 onafhankelijk werd, bleven beide gebieden onder Brits bestuur. Na ingewikkelde onderhandelingen werd het in 1963 deel van de Maleisische federatie. Onmiddellijk maakte Indonesië bezwaar tegen deze eenwording, en het kreeg bijval van de Filippijnen. Beide landen koesterden aanspraak op de gebieden in het noorden van Borneo. Het kwam tot een politiek van confrontatie waarbij het Indonesisch regime een guerrillastrijd steunde van communistische opstandelingen in het grensgebied van Sarawak. In het begin van de zeventiger jaren staakten de opstandelingen echter hun strijd omdat de steun van Indonesië na de val van president Soekarno wegviel.

De nieuwe machthebbers voerden een intensieve campagne voor eenheid in een poging om het internationale communisme uit te bannen en tegelijkertijd een eigen nationale identiteit op te bouwen. Die was gericht op vijf onderwerpen: loyaliteit ten aanzien van de koning en het land; loyaliteit ten aanzien van de grondwet; respect voor de islam en de gewoonten van de inheemse bevolking; respect voor de wet en de moraal. Ondanks de inspanningen is men er niet geheel in geslaagd om het streven naar een afscheiding op Borneo te onderdrukken. De relatie tussen de politieke vertegenwoordigers van Borneo en de centrale overheid op het vasteland van Maleisië is nog steeds gespannen. De politici van Sarawak en Sabah denken vaak dat toetreding tot de Maleisische federatie achteraf gezien niet de beste stap is geweest. Zij verwachten veel meer terug voor de geweldige olie-inkomsten die uit hun gebieden afkomstig zijn.  

In haar beleid heeft de overheid bijzondere aandacht voor de etnische tegenstellingen die in de loop van de negentiende en twintigste eeuw zijn gerezen. De open deur politiek van de Britten en de sultans heeft er namelijk toe geleid dat het aantal nieuwkomers de oorspronkelijke bevolking ruim overtreft. De nieuwkomers hebben zich bovendien toegelegd op een carrière in grote moderne bedrijven en daarmee de oorspronkelijke bevolking in een economische achterstandspositie gedrongen. Veel van de economische vernieuwingen zijn voorbij gegaan aan de oorspronkelijke bevolking die zich nog steeds bezig houdt met kleinschalige landbouw. De overheid tracht met bijzondere maatregelen deze bevolkingsgroep van bumiputra’s of vorsten van het land meer welvaart te brengen door positieve discriminatie.  Ze tracht hen te bewegen om hun traditionele manier van leven te laten opgeven. Dat lukt echter slechts ten dele. Nog steeds is het gewenste aandeel van bumiputra’s in de moderne economie niet gehaald. Het zijn vooral buitenlanders, Chinezen en Indiërs die profiteren van een buitengewoon gunstig investeringsklimaat met lage lonen en redelijk geschoolde arbeidskrachten.

Terug naar inhoudsopgave

 

Orang Asli 

In het oerwoud van Borneo wonen nog afstammelingen van de oudste bevolking van Maleisië ofwel de proto-Maleiers. Zij worden Orang Asli of oorspronkelijke bewoners genoemd. In het oerwoud leven zij een teruggetrokken bestaan aan de oever van een rivier met weinig bezoekers. De tocht over de kronkelende en snelstromende rivier is lang en moeizaam omdat rotsblokken, boomstronken en drijfhout in het water de boot hinderen evenals overhangende bomen langs de oever. Weliswaar is er een gevaarlijk en modderig wandelpad langs de oever, maar dat gebruikt men alleen als de rivier echt onbegaanbaar is. Soms brengen handelaren of bestuursambtenaren een vluchtig bezoek aan de bewoners in het oerwoud. Een enkele keer gaan de oerwoudbewoners zelf naar de grote stad om inkopen te doen of om een dokter te bezoeken. Menigeen gelooft echter nog steeds dat veel ziekten worden veroorzaakt door kwade geesten die de patiënt lichamelijk verwonden of geestelijk kwellen. Tijdens een traditionele behandeling  tracht men de kwade geesten te bezweren met plechtigheden en rituelen. In de ogen van de oerwoudbewoners zijn deze plechtigheden om ziekten te bestrijden en voorkomen belangrijke hoogtepunten in hun leven die de hechte band binnen hun gemeenschap nogmaals bevestigen. 

De oerwoudbewoners gaan zelden het oerwoud in en blijven bij voorkeur op de wandelpaden en in de buurt van de rivierbedding. Slechts bij uitzondering begeven ze zich in groepjes in het oerwoud bijvoorbeeld om rotan ranken te verzamelen. Voor hen betekent het oerwoud op de eerste plaats gevaar - niet alleen het gevaar om te verdwalen, maar vooral ook het gevaar van duistere en onbekende krachten die de mens in levensbedreigende avonturen storten. Deze angst is altijd aanwezig in het onderbewuste van de oerwoudbewoners, maar treedt zelden naar buiten. Alleen tijdens rituelen en plechtigheden bijvoorbeeld als er een noodlottig ongeval is geweest of als iemand op pad is in het oerwoud, wordt deze angst voor toh of demonen zichtbaar. Men veronderstelt ze vooral aanwezig op de drassige rivieroevers waar dichte begroeiing is en langs de wandelpaden waar veel boomwortels in de grond groeien. Ook op de ruige toppen van heuvels en bergen wonen volgens de oerwoudbewoners demonen die onzichtbaar zijn voor het menselijk oog. Soms vermommen ze zich in een andere gedaante om de nietsvermoedende passant te verleiden tot een onbezonnen stap. De oerwoudbewoners trachten zich hiertegen te verweren met amuletten, wierook en allerlei bezweringen. een schuin kruis aan het begin van een pad of in een veld. 

De angst van de oerwoudbewoners voor demonen is nauw verbonden met hun geloof in een hiernamaals. Volgens dit geloof zwerft de ziel van een overledene door het oerwoud tot hij boven op een bergrug komt. Vandaar kijkt hij neer op het stroomgebied van een grote rivier met vijf verschillende streken waar de doden verblijven. Mensen die sterven door ziekte of ouderdom gaan naar een streek waar ze net zo leven als toen ze nog niet dood waren. Degenen die sterven in de strijd of door een ongeluk gaan naar een streek waar ze rijk worden zonder enig werk hoeven te doen en kunnen kiezen uit alle vrouwen die in het kraambed sterven. Er is een streek voor diegenen die verdrinken want zij erven alle kostbaarheden die verloren gaan wanneer boten zinken of wanneer een langhuis door een overstroming wordt getroffen. In een andere streek wonen de zielen van doodgeboren kinderen die geen vrees kennen omdat ze nooit pijn hebben gevoeld. Zelfmoordenaars gaan tenslotte naar een eigen streek waar ze een ellendig bestaan leiden en alleen wortels, bessen en sago eten. Wanneer hij op de bergtop staat voelt de ziel zich een beetje vreemd en begint hij te vermoeden dat hij daar zonder lichaam is gekomen. Dan gaat hij zitten jammeren of weeklagen over zijn lot. Vervolgens daalt hij af om de dodenrivier over te steken langs een boomstam die heen en weer wordt gerold door de bewaker van het dodenrijk. Lukt dit niet dan valt de overbodige ziel in het water en wordt hij opgegeten door de vissen.   

De meeste oerwoudbewoners leven van de kleinschalige landbouw. Ieder gezin maakt elk jaar een of twee nieuwe stukken grond vrij van struiken en andere begroeiing door ze om te hakken en te verbranden. Als bescherming tegen de kwade geesten plaats men een schuin kruis in het veld. Vervolgens zaait men de zaden in de bodem, daarna verzorgt men de gewassen en tenslotte haalt men de oogst binnen. Daarna gebruikt men de grond nog enkele jaren als suikerrietveld of als cassavetuin, maar de meeste grond laat men over aan de vrije natuur om tot rust te komen. Dat is voor de oerwoudbewoners een ingrijpend moment omdat zij een jaar lang aanwezig zijn geweest op het veld en er lief en leed hebben gedeeld met elkaar en met de alom aanwezige geesten. Op het moment dat men de grond weer aan de natuur overlaat houdt men daarom na het binnenhalen van de oogst een plechtigheid om de ronddwalende geesten te verzoenen. Als na een jaar of tien blijkt dat de geesten hen gunstig gezind zijn en de wilde zaden weer tot groei komen maakt men de grond opnieuw vrij voor landbouw. Deze methode van veldwisselbouw laat grote delen van het oerwoud ongerept en geeft de natuur voldoende ruimte om zich te herstellen. Het tast daarom het oerwoud niet of nauwelijks aan.  

Tijdens het werk op het land zijn er vele pauze momenten. Bij die gelegenheid vertellen de oerwoudbewoners elkaar verhalen van lang geleden. Sommige van deze verhalen zijn legenden rondom een belangrijke historische persoon of gebeurtenis. Meestal zijn het sagen en mythen die bestaande culturele praktijken en met name godsdienstige rituelen moeten verklaren.  Nauw hiermee verwant zijn verhalen die opmerkelijke en bijzondere verschijnselen in de natuurlijke omgeving zoals boomstronken en rotsen in of langs de rivier een betekenis moeten geven. Datzelfde geldt de verhalen die de lotgevallen beschrijven van grote helden. De bedoeling van deze spannende en vaak luchtige verhalen is om het eigen hardvochtige bestaan draaglijk te maken en voor- en tegenspoed een plaats te geven alsof het voorbestemd is. Andere verhalen die de oerwoudbewoners vertellen zijn sprookjes om hun kinderen te vermaken. Daarin komen vaak alledaagse voorwerpen voor uit de nabije omgeving waarin een bovennatuurlijke kracht schuilt - zeker als het groeit, bloeit of anderszins aan verandering onderhevig is. Het gaat in dit verband bijvoorbeeld om de magische kracht die schuilt in  badplaatsen, haardvuren en landbouwvelden. Het gaat echter ook om de kracht in bomen, planten en gewassen. Tijdens hun plechtigheden roepen zij deze voorwerpen aan in de hoop dat ziekten of misoogsten hen bespaard blijven.

De oerwoudbewoners van Borneo zijn van oudsher bekwaam in verscheidene vormen van traditionele huisnijverheid. Dat geldt vooral voor hun kwaliteiten als houtsnijwerkers. Sommige bewoners snijden enorme grafpilaren uit het hout van een boomstam met een doorsnee van twee meter en een lengte van soms wel tien meter. Ze zijn van boven tot onder versierd met talloze fijngesneden voorstellingen. In het oerwoud ontdekt men nog steeds de overblijfselen van deze zogenaamde salongs of grafpilaren. Minder indrukwekkend maar even mooi zijn de jachtamuletten en de messen  van de oerwoudbewoners. De kwaliteit van hun geweven manden staat eveneens in hoog aanzien op Borneo. De manden zijn meestal gemaakt van rotan, maar soms worden ze ook gemaakt van bamboe, helmgras of palmblad. De techniek die men gebruikt voor het maken van manden past men ook toe op slaapmatten, stoelen en schuilplaatsen. Iedere etnische groep heeft zijn eigen patronen. Een andere vorm van nijverheid waarin ze uitblinken is die van pua kumba of het weven van textiel volgens traditionele motieven. Ook zijn ze goed in het aaneenrijgen van kralenkettingen. 

Het is opmerkelijk dat de mannen gemiddeld een hogere leeftijd  bereiken dan de vrouwen. Dat komt omdat de vrouwen van jongs af aan harder moeten werken. Iedereen draagt zijn steentje bij aan het huishouden ongeacht leeftijd of geslacht.  Maar de vrouwen werken het hardst van allemaal. Naast het werk op het veld verrichten zij ook huishoudelijke taken zoals het koken van een maaltijd en het aanvullen van de watervoorraad. Ook de meisjes werken harder dan de jongens. Ze verzorgen de kippen en de varkens, leggen de rijst in de zon te drogen en helpen die fijn te stampen. De gezinsleden hebben allen een aandeel in het huishouden dat varieert van de woonruimte tot de landbouwvelden met de werktuigen en de wapens. Wanneer een van de kinderen trouwt vormt hij of zij een eigen gezin. Het komt voor dat een vrouw bij haar man gaat wonen, maar het omgekeerde komt ook voor. In dit opzicht is er geen onderscheid naar geslacht. 

Soms komt het voor dat men meer overhoudt dan men heeft opgemaakt. Dat overschot kan men verkopen aan een handelaar om het geld vervolgens uit te geven in een winkel tijdens een uitstapje naar de stad. Een andere mogelijkheid is dat men het overschot verkoopt aan een handelaar en het geld daarna tegen rente uitleent. Doorgaans bewaart men het overschot echter in de vorm van rijst om deze voorraad in tijdens van schaarste te kunnen aanspreken. Maar deze voorraad blijft slechts een beperkte periode van ongeveer drie jaar goed. Daarna verruilt men de rijstvoorraad voor waardevolle artikelen als lukut of kralen van edelsteen, aardewerk voorraadpotten, koperen geschut en bronzen gongs. Minder waardevolle maar gewaardeerde ruilvoorwerpen zijn borden en schalen. Tegenwoordig zijn andere artikelen zoals geweren, spaarlampen, buitenboordmotoren en zelfs televisietoestellen hooggewaardeerde voorwerpen. 

Door het opdringen van de westerse wereld  zijn sommige bewoners in direct contact gekomen met een vreemde cultuur. Voor velen is dit aanleiding geweest om het eenvoudige leven in het oerwoud te verruilen voor een eengezinswoning in de buurt van een moderne stad. Daar komen ze in aanraking met andere godsdiensten en bijbehorende gebruiken en gewoonten. De islam heeft tot nog toe weinig vat op hen gekregen. De christelijke missie heeft daarentegen met redelijk succes zendingswerk verricht. Het christendom bleek in staat om elementen uit het oude geloof op te nemen en te integreren. De Maleisische regering doet allerlei pogingen om hen te integreren in de moderne wereld. Ze poogt hen met allerlei middelen te overreden om hun zwervend bestaan of hun armoedig leven op een vaste plaats op te geven en zich in moderne huizen en in de wereld van vooruitgang te vestigen. Dat gaat niet zonder problemen. Velen houden vast aan een traditionele leven in het oerwoud waar nog men nog steeds gelooft  in natuurkrachten. 

Terug naar inhoudsopgave

 

Iban

De Iban vormen de grootste groep van de oerwoudbewoners.  Zij wonen voornamelijk in het laagland langs de rivieren. Vroeger waren de Iban berucht om hun vijandelijke houding en hun veroveringsdrang. Het waren gevreesde koppensnellers. De blanke radja's die hen in de negentiende eeuw bestuurden hebben het koppensnellen verboden. Alleen in de Tweede Wereldoorlog stak het weer de kop op: Japanse soldaten waren deze keer de slachtoffers. Tegenwoordig komt het niet meer voor. Het koppensnellen was voor de Iban niet een wreed spel, maar het paste in hun wereldbeeld. Men geloofde dat het meenemen van andermans hoofd het bewijs was van de kracht van de jager. Ook geloofde men dat de kracht van de onthoofde persoon overging op degene die hem had gedood. De schedels werden gedroogd en ontdaan van de hoofdhuid. Daarna werden ze  bijeengebonden met een rotan koord of verzameld in een mand en opgehangen in het langhuis, waardoor de kracht ook in de gemeenschap werd gebracht. Deze kracht vervloog echter na verloop van tijd en moest worden aangevuld. Daarom waren telkens nieuwe strooptochten nodig. Vaak diende een man die wilde trouwen deze rituele jacht uit te voeren om te bewijzen dat hij een volwaardig lid van de gemeenschap was.  Tegenwoordig kan men de oude schedels uit de tijd van het koppensnellen nog zien hangen aan de overdekte gang. De schedels kregen slechts één keer bijzondere aandacht namelijk op het moment dat ze voor de eerste keer naar huis werden gebracht als bijzondere offergave voor de goden. Later werden ze opgeborgen en slechts bij uitzondering weer tevoorschijn gehaald voor een schoonmaakbeurt of voor een vernieuwing van hun windsel. Men bewaart de schedels als een herinnering aan de gevaren voor en de overwinningen van de gemeenschap en als vertrouwen voor de toekomst dankzij de bovennatuurlijke krachten die men eraan toedicht. 

De Iban wonen in een langhuis dat onderdak biedt aan een groot aantal huishoudens die er ieder hun eigen woonruimte hebben. Het aantal pintu of deuren bepaalt de lengte die kan wisselen van twintig tot meer dan tweehonderd meter. Iedere deur is de ingang van een bilek of woonruimte met een gecombineerde woon- en slaapkamer, een keuken achterin en een zolder die men gebruikt voor de opslag van rijst. Tegenover de bilek is een overdekte veranda of ruai die men gebruikt voor de ontvangst van bezoekers of voor ontspanning met vrienden en kennissen.  Buiten de ruai is een open veranda of tanju die men gebruikt voor het drogen van rijst, peper en rubber. Het geheel staat op houten palen vijf meter boven de grond en heeft een breedte van ongeveer twintig meter. Via een trap bestaande uit een boomstam met ingekerfde treden bereikt men de bilek of overdekte veranda van het langhuis. Een verzorgd en welvarend langhuis is gemaakt van tropisch hardhout en bedekt met houten dakspanen of zinken golfplaten. Delen van het langhuis bevinden zich echter in een verschillende toestand, omdat iedere familie zelf verantwoordelijk is voor het onderhoud van het eigen gedeelte. De bouwstijl van een langhuis heeft enerzijds te maken met de noodzaak van een goede verdediging tegen vijandelijke aanvallen. Anderzijds bespaart deze manier van bouwen de bewoners veel bouwmateriaal omdat ze hetzelfde raamwerk en gemeenschappelijke binnenwanden hebben. 

In een langhuis zijn er twee gezagsdragers. De eerste is de tuah burong of vogelwichelaar die verantwoordelijk is voor het rituele welzijn van de bewoners. Hij leest de ingewanden van geofferde kippen voor aanvang van een belangrijke gebeurtenis. Als hij daarin enige afwijking ziet dan beschouwt men dit als een slecht voorteken van de goden. Hij bezit ook het vermogen om via zijn dromen in aanraking te komen met de goden. Die staan onder leiding van Singalang Burong en naar verluidt openbaren zij zich steeds in de vorm van een vogel. Tegenwoordig laat de oppergod zich zien als een kustarend waar het vroeger een neushoornvogel was. De tuah rumah of hoofdman is de leider en als zodanig bewaakt hij de adat of het gewoonterecht. Hij treedt op als scheidsrechter bij onenigheid in de gemeenschap.  Hij moet ook zorgen dat er goede afspraken worden gemaakt met handelaren die hun producten willen verkopen. Zijn leiderschap duurt zolang hij leeft. Wanneer hij overlijdt, kiezen de bewoners uit hun midden een nieuwe hoofdman die de volgende eigenschappen moet hebben: wijsheid opdat men zijn adviezen volgt, zachtmoedigheid opdat men zijn beslissingen aanvaardt, rijkdom omdat daarmee het aanzien stijgt van de gehele gemeenschap en tenslotte geloof opdat hij zijn invloed bij de voorvaderen kan aanwenden. Doorgaans roept de hoofdman een vergadering bijeen als het algemeen belang dat noodzakelijk maakt, zoals de voorbereiding van een feest of de start van een nieuw landbouwseizoen. De hoofdman beweegt de aanwezigen tot een gezamenlijk besluit dat eenieder aanvaardt ook als men formeel bezwaren heeft gemaakt. Vrouwen nemen geen deel aan de vergadering, tenzij het onderwerp voor hen van bijzonder belang is. 

De rol van hoofdman in een langhuis is niet voorbehouden aan een bepaald gezin of familie. De bewoners van een langhuis kennen namelijk geen verschillen in rangen of standen. Toch zijn er verschillen in status. De woonruimte van een hoofdman ligt bijvoorbeeld op een centrale plaats. Daarnaast zijn er onderlinge verschillen op basis van rijkdom en vermogen. Die leest men af aan de hoeveelheid en de kwaliteit van de rijst die een huishouden produceert. In dit verband past het aloude gebruik van de bejalai dat jonge mannen naar verre gebieden reizen om er rijkdom en kennis te vergaren. Hun doel is om na enkele jaren overladen met kostbare bezittingen terug te keren. De talrijke tatoeages op zijn lichaam herinneren aan de vele reizen die een man heeft gemaakt. Iban vrouwen reizen niet en het gebrek aan contact met de buitenwereld heeft hen behoudend gemaakt. Ze hebben echter geen lagere status in de gemeenschap. Zij werken mee op het veld en zijn daarnaast zeer bedreven in allerlei vormen van huisnijverheid. Bovendien dragen ze zorg voor de opvoeding van de kinderen en zijn ze de baas in het huishouden. Tenslotte hebben ze gelijke rechten met betrekking tot bezit en erfenis. Als ze deelnemen aan een vergadering hebben zij een gelijke stem. 

De leden van een gezin wonen samen in een woonruimte van het langhuis. Ze gebruiken er gezamenlijk de maaltijd en bewaren er hun spaarzame bezittingen. Het is echter niet de plaats waar ze gezamenlijk de nacht doorbrengen. Doorgaans slapen de meisjes apart van de anderen in een zolderruimte boven de binnenveranda tegenover de woonruimte van hun ouders. Daar hebben ze vrijelijk omgang met andere leeftijdgenoten. De jongens zoeken in de avonduren de meisjes op om wat te kletsen en te zingen of te dansen. Tijdens deze gebeurtenissen ontstaan de eerste liefdesrelaties. Als twee geliefden willen trouwen, dan maken zij dit kenbaar aan hun ouders die daarin geen verdere zeggenschap hebben. Het huwelijk zelf is geen bijzondere gebeurtenis en voltrekt zich in het ouderlijk huis van de bruid of de bruidegom naargelang de plaats waar men gaat wonen. De aanwezige vrienden en familieleden krijgen een maaltijd en drankjes. Onder de aanwezigen zijn ook enkele dorpsoudsten die een toespraak houden over de kwaliteit van het leven, over het belang van een goede verstandhouding en over de zegeningen van het huwelijk. Vervolgens blikken de ouders van de bruidegom en van de bruid terug op het leven van hun zoon of dochter. Daarna getuigen de bruid en de bruidegom van hun liefde voor elkaar en daarmee bezegelen ze hun huwelijk. 

Buiten het gezin hebben in een langhuis onderlinge familierelaties weinig betekenis.  Weliswaar kent men een vorm van voorouderverering, maar het gaat hierbij niet om de voorouders van een afzonderlijke familie doch om de bewoners die zich in het verleden bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt voor de gehele gemeenschap, bijvoorbeeld vanwege hun wijsheid of hun rijkdom. De ouderen vernoemen zich uit genegenheid naar de kinderen in het langhuis en omgekeerd aanvaarden de kinderen deze naam uit eerbied voor de ouderen. Dit verschijnsel bekend als teknonymie overstijgt de grenzen van het eigen gezin of familie. Een man kan door het leven gaan als de "papa" van een kind zonder dat er sprake is van enige bloedverwantschap. De bewoners hechten daarentegen wel enig belang aan de relatie met de schoonouders en de schoonbroers en -zussen. Dat is een geruststelling voor de personen die nog nieuw en onbekend zijn in de gemeenschap na een huwelijk met de bewoner van een ander langhuis. Aan de overige familierelaties kent men buiten de beslotenheid van het eigen gezin geen bijzondere waarde toe.

Van oudsher leven de bewoners in een langhuis van de landbouw door droge rijst te verbouwen op de flanken van de heuvels. De droge rijstvelden of umai hebben ze slechts één of twee seizoenen in gebruik. De bewoners besluiten tijdens een vergadering onder leiding van een hoofdman tot een gezamenlijk begin van het seizoen omdat het prettiger en gemakkelijker is om gezamenlijk op het veld te werken. In drukke periodes zoals de zaaitijd kan hun aantal oplopen tot wel veertig personen, soms werken er slechts twee bewoners gezamenlijk op een veld. Voor iedere bewoner die een dag op het land komt helpen werken is men in ruil een dag arbeid verschuldigd. Die arbeid hoeft men niet zelf te leveren, men kan ook een gezinslid sturen om de schuld met een dag werk te vereffenen. Dat hoeft niet meteen, maar het mag ook niet te lang duren voordat de schuld is vereffend. Tegenwoordig leggen steeds meer Iban boeren zich toe op de verbouw van commerciële gewassen zoals peper en veranderen ze hun landbouwvelden in rubberplantages of oliepalmplantages. Anderen trekken naar de steden om daar een beter bestaan te zoeken. 

In een langhuis houden de bewoners zich bezig met verschillende vormen van nijverheid zoals de traditionele weefkunst die alom in hoog aanzien staat. Ze weven met behulp van een eenvoudig weefgetouw uiteenlopende textielsoorten waarvan de pua kumbu de belangrijkste zijn. Men gelooft dat ze het vermogen bezitten om kwade geesten af te weren. Van oudsher komen in de ontwerpen voorstellingen voor die te maken hebben met het koppensnellen en met de verbouw van padi of rijst.  In de traditionele Iban cultuur stelt padi rijst de bron van alle leven voor, terwijl een schedel wijst op vruchtbaarheid. Deze voorstellingen keren onder meer terug in de wandkleden en in de kleding van de dansers tijdens een traditionele plechtigheid. Het danskostuum van een danseres heeft daarnaast een grote hoeveelheid zilveren versieringen. De sarong of wikkelrok is versierd met zilveren munten en de danseres draagt talrijke zilveren armbanden en enkelbanden evenals een schitterende sugu tinggi of decoratieve zilveren hoofdtooi. De zilveren sieraden van de Iban worden overigens van oudsher vervaardigd door rondtrekkende zilversmeden die oorspronkelijk afkomstig waren uit West Kalimantan. Tijdens het dansfeest maakt men gebruik van zelf vervaardigde muziekinstrumenten zoals drums, gongs en verschillende snaarinstrumenten naar traditioneel voorbeeld.   

Sommige bewoners hebben zich bekeerd tot het christendom, maar er zijn nog velen die het oude animisme aanhangen. Ze geloven ook tegenwoordig nog in een wereld waarin duistere krachten een belangrijke rol spelen. Vooral wanneer ze een bepaalde vogel op hun pad zien vermoeden ze daarin een goed of een slecht voorteken. Ze houden regelmatig rituele plechtigheden om hulp te vragen van beschermgeesten en om kwade geesten te verzoenen. Om zeker te zijn van het succes slachten ze voorafgaand aan een plechtigheid een kip en onderzoeken ze de lever op mogelijke voortekenen. Bij hun rituelen maken ze ook gebruik van houten maskers met een magische betekenis. Een voorbeeld is de Gawai Kenyalang waarbij ze een beeld met de voorstelling van een neushoornvogel in processie rond dragen die ze beschouwen als een beschermgeest. Vroeger was de plechtigheid bedoeld om de jonge krijgers moed te verlenen als zij op oorlogspad gingen. Ze geloofden dat de geest van de neushoornvogel hen zou helpen bij het verslaan en doden van de vijand. Tegenwoordig houdt men de plechtigheid ter gelegenheid van de bejalai of het vertrek van een jongeman die het langhuis voor een periode van enkele jaren verlaat om elders te gaan wonen en werken  opdat hij overladen met kennis en rijkdom na enkele jaren terugkeert. Een zeldzame plechtigheid is de Gawai Antu ter ere van de overleden voorouders. Bij die gelegenheid sommen lemambang of zangers de hele geschiedenis op van de Iban en roepen zij de geesten op om hun offergaven te aanvaarden. Vervolgens plaatsen zij ter nagedachtenis een kleurige bewerkte sungkup of begrafenishut op het kerkhof.

Bij de Iban zijn tatoeages zeer belangrijk. Bij een bezoek aan een langhuis blijkt dat alleen de ouderen nog met tatoeages rondlopen. Voor hen was het een middel om de eigen kracht en schoonheid te onderstrepen en te laten zien tot welke groep men behoorde. De tatoeage gaf ook de plaats in de samenleving aan. Vooral bij oudere mannen zijn de tatoeages nog zichtbaar onder hun shirt en korte broek of onder hun ontblote bovenlichaam. Dan blijkt dat hun lichaam is overdekt met kringetjes en rozetten, spiralen en strepen. Een grote tatoeage in de hals getuigt van hun moed. Een tatoeage op de dijen wijst op hun status als hoofdman. Een reeks van puntjes en arceringen op de bovenste kootjes van de vingers betekent dat ze koppen hebben gesneld. Voor vrouwen is de tatoeage vooral een middel om hun schoonheid te benadrukken. Men kerft eerst de voorstelling in een stuk hout en smeert daar vervolgens inkt op. Dit stuk hout wordt tegen het lichaamsdeel gedrukt waarop de tatoeage moet komen. Vervolgens wordt met een naald die in een vloeistof is gedoopt de omtrek aangegeven. Met een soort hamertje met een drietal naalden wordt dan de voorstelling in de huid geprikt. Over de bewerkte huid wordt vervolgens rijst gesmeerd om infecties te voorkomen.  

Voor de bewoners van een langhuis is gastvrijheid van grote betekenis. Hun omgangsregels gebieden hen om een bezoeker gastvrij te onthalen. De bezoeker wacht daarom een warm welkom waarbij men herhaaldelijk een glas tuak of rijstwijn krijgt aangeboden, dat men uit beleefdheid niet mag weigeren. Al bij de trap naar de ingang van het langhuis wachten de bewoners hun bezoeker op met het slaan van een gong en met het strooien van rijstkorrels. Het is de gewoonte dat men zijn bezoekers plaats laat nemen op matten die men speciaal voor hen neerlegt op de vloer. Voorts is het gebruikelijk dat men zijn gasten een flinke maaltijd voorschotelt bestaande uit rijst en vlees. Na de maaltijd biedt men zijn gasten wederom volop drankje aan in de vorm van rijstwijn. Doet men dit niet dan lijdt men gezichtsverlies. Dat is een kwellende gedachte voor de gastheer die vreest dat het gezichtsverlies hem lange tijd zal blijven achtervolgen. De bezoeker mag hetgeen zijn gastheer hem aanbiedt niet weigeren. Doet hij dit toch, dan lijdt hij op zijn beurt gezichtsverlies met het vooruitzicht van panun of langdurige kwelling. Vooral tijdens religieuze plechtigheden is het van groot belang dat men zijn verplichtingen nakomt. Iedereen moet een bijdrage leveren aan de plechtigheden en iedereen moet daartoe ook gelegenheid krijgen om gezichtsverlies te voorkomen.  Ook in tal van andere opzichten leeft de vrees voor gezichtsverlies.

Terug naar inhoudsopgave

 

Penan

De Penan vormen slechts een kleine groep van oerwoudbewoners. Ze leven een zwervend bestaan in het oerwoud waarbij ze een half jaar tot een jaar op een bepaalde plek blijven totdat de wilde varkens en andere dieren zijn verdwenen en totdat de pantu palmbomen zijn uitgeput. Dan trekt het hele gezin door het onbegaanbare oerwoud verder naar een nieuwe plek met alle bezittingen op hun rug om er in een tijdsbestek van enkele uren een nieuw lamin tana of tijdelijk onderkomen te bouwen. Als gevolg van de vele vijandelijkheden in het verleden leven de Penan op gespannen voet met de Iban. Daarentegen rekenen zij andere oerwoudbewoners tot hun bevriende buren. Dat komt vooral omdat de nomadische Penan geen landrechten opeisen die vaak de bron zijn van etnische rellen. Tegenwoordig leven nog maar weinig Penan een zwervend bestaan als nomaden in het oerwoud. Onder druk van de overheid hebben velen zich gevestigd in een permanent onderkomen in de vorm van een langhuis langs de rivier. Dat neemt niet weg dat de gevestigde Penan herhaaldelijk terugkeren naar het oerwoud om er te jagen en vruchten te verzamelen. 

De nomadische Penan planten geen rijst en bedrijven geen landbouw. Hun basisvoedsel bestaat uit wilde tapioca, luan en sago van de aping en pantu palmboom. Ze eten vlees en vis als aanvulling op hun basismaaltijd bestaande uit sagomeel. Ondanks hun zwervend bestaan zijn het uitstekende handwerkslieden. De mannen smeden zelf hun gebruiksvoorwerpen en ze maken ook zelf blaaspijpen voor de jacht, terwijl de vrouwen manden maken voor het verzamelen van bosvruchten en rotan matten als vloerbedekking voor hun lamin tana of tijdelijke onderkomen. Tegenwoordig zijn er ook Penan die onder druk van de overheid en in navolging van andere inheemse bevolkingsgroepen in een langhuis wonen en rijst verbouwen alsmede andere landbouw gewassen.  Dat neemt niet weg dat ze herhaaldelijk terugkeren naar het oerwoud om er te jagen en vruchten te verzamelen.  Omdat ze tegenwoordig ook landrechten eisen, ontstaan er nieuwe spanningen met andere bevolkingsgroepen. 

De Penan die zwervend door het oerwoud trekken geloven in een wereld waarin duistere krachten een belangrijke rol spelen. Zowel kinderen als volwassenen dragen amuletten om de kwade geesten af te weren. Anders dan de omringende bevolkingsgroepen bedienen zij zich niet van uitgebreide rituele plechtigheden. Als iemand van hen komt te overlijden begraven zij hem onder de hut en laten die achter om te verhuizen naar een nieuw tijdelijk onderkomen  in het oerwoud.  De Penan in een langhuis hebben zich onder invloed van de overheid bekeerd tot de islam. Desalniettemin hangen velen van hen nog een vorm van animisme aan. Van andere bevolkingsgroepen hebben ze nieuwe begrafenisgebruiken overgenomen.  Ze maken bij het overlijden van een hoofdman een salong of een sierlijke houten graftombe boven op een stevige houten paal die de resten van een overledene bevat. In een gezamenlijke bijeenkomst kiezen zij een geschikte merang boom die ze kappen en gezamenlijk vanuit het oerwoud naar het langhuis brengen. Tijdens een nieuwe bijeenkomst aldaar bespreken zij de houtsnijwerk motieven die ze op de salong aanbrengen. Een gebruikelijk ontwerp is de kalong bana of hondpatroon die men aanvult met ogen overal op de paal. Als de paal na enkele maanden klaar is stellen zij gezamenlijk de nulang vast of de dag waarop de overledene verhuist van zijn tijdelijke kist naar een gusi of urn in de salong

Terug naar inhoudsopgave

 

Kuching Video Kuching

In de negentiende eeuw hebben veel mensen zich in Kuching gevestigd aan de monding van de Sarawak rivier vanwege de aanwezigheid van delfstoffen in de omgeving. James Brooke vestigde hier zijn regeringscentrum. Charles Brooke gaf de stad in 1872 zijn tegenwoordige naam kuching of kat in het Maleis. Hij vestigde er verschillende overheidsgebouwen met een karakteristieke bouwstijl. Die verenigde Moorse elementen uit de tropische omgeving met neoklassieke kenmerken uit Europa. Het neoclassicisme was in de negentiende eeuw alom de favoriete bouwstijl voor representatieve regeringsgebouwen. Veel historische gebouwen in het oude centrum van de stad zijn bewaard gebleven en ontkwamen aan de verwoestingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het centrum van de stad heeft tegenwoordig nog steeds een landelijke uitstraling met ruime parken en brede wegen rondom de historische gebouwen. Nog steeds wonen er mensen van verschillende afkomst en godsdienst vredig naast elkaar. 

Aan de noordkant van de Sarawak rivier staat het koninklijk paleis Astana dat Charles Brooke in 1870 liet bouwen ter gelegenheid van de komst van zijn vrouw Margaret. Het is tegenwoordig de ambtswoning van de gouverneur van Sarawak. Het is een wit gebouw met dakspanen op een grasveld langs de oever van de rivier. Niet ver daarvandaan bevindt zich op een lage heuvel fort Margherita dat Charles Brooke in 1879 liet bouwen om de stad te beschermen tegen naderende piraten. Het witte fort, compleet met kantelen, biedt een aangenaam uitzicht over de rivier. Aan de zuidkant van de Sarawak rivier staat het Hooggerechtshof uit 1874. Het was het tweede gebouw dat hier werd gebouwd. Tot voor kort werden hier rechtszaken gehouden. De klokkentoren aan de voorkant werd in 1883 toegevoegd. Er is tevens een kleine granieten gedenksteen  voor Charles Brooke. Op de vier hoeken van dit gebouw zijn de vier belangrijkste bevolkingsgroepen van Sarawak uitgebeeld. De kleine vierkante toren aan de waterkant tegenover het Hooggerechtshof werd in 1879 gebouwd en deed dienst als gevangenis

Terug naar inhoudsopgave

 

Semenggoh Video Semenggoh

Op ruim dertig kilometer ten zuiden van Kuching ligt een opvangcentrum voor wilde dieren in Semenggoh. Hier worden onder andere orang-oetans voorbereid op hun terugkeer naar het oerwoud. De orang oetans zijn de enige mensapen die buiten Afrika leven. Ze komen alleen voor op Borneo en het Indonesische eiland Sumatra. Hun voortbestaan wordt bedreigd door de jacht en het vernietigen van hun natuurlijke leefomgeving door grootschalige boskap. Ze behoren daarom tot de beschermde diersoorten. In Semenggoh gaat het meestal om dieren die een tijd in gevangenschap hebben gezeten, verstoten zijn of waarvan de moeder dood is. Met zeer veel geduld worden de dieren hier verzorgd. Ze leren steeds meer op zichzelf te staan. Men houdt de voeding doelbewust zeer eentonig - bananen en meel - om de beesten aan te zetten op zoek te gaan naar wat beters in het bos. Het is de bedoeling dat ze langzamerhand weer in het wild leren leven. Uiteindelijk trekken de dieren weer het oerwoud in. Vaak komen de vrouwelijke dieren terug als ze drachtig zijn. Na de bevalling gaan ze weer terug naar het oerwoud. 

De oerwoudbewoners beschouwen de orang-oetan als een geestelijke neef. Volgens een van hun fabels zijn alle orang-oetans afstammelingen van een man die zich schaamde voor iets dat hij in zijn gemeenschap had misdreven. De man is toen uit schaamte voor dit misdrijf het bos ingevlucht. Daar paarde hij met een geheimzinnig beest en werd zo de vader van de eerste orang-oetan. Een ander verhaal beschrijft hoe de goden alle eerste levensvormen op aarde hebben geschapen. Toen zij de mens maakte, waren zij zo tevreden dat zij een feest aanrichtten. Toen zij de volgende dag wat van hun uitspattingen waren bekomen, probeerden zij nog meer mensen te scheppen, maar zij hadden helaas een essentieel ingrediënt vergeten en maakten alleen maar orang-oetans. Evenals de oerwoudbewoners beschouwen ook moderne wetenschappers deze apen als één van de naaste verwanten van de mens. Zij baseren zich daarbij op het onderzoek van fossiele beenderen en op biochemische overeenkomsten in de bloedeiwitten en chromosomen.

In de loop der tijden hebben de orang-oetans zich aangepast aan het boomleven. Hun gezicht is beter dan hun reukvermogen. Net als veel andere mensapen hebben zij korte neuzen en grote naar voren gerichte ogen als bij de mens. Dat stelt hen in staat om afstanden in te schatten bij het springen van tak tot tak. Net als de meeste andere mensapen hebben zij geen klauwen maar handen en voeten met vingers die zijn voorzien van vleeskussentjes en stompe nagels voor het vastgrijpen van takken. Evenals andere mensapen staan zij rechtop bij veel van hun bezigheden. In tegenstelling tot andere mensapen wonen de orang-oetans echter niet in groepsverband maar leven ze een eenzaam en teruggetrokken leven. Ze komen zelden op de grond maar bewegen zich voort door van boom naar boom te slingeren. Hun bewegingen zijn daarbij voorzichtig en weloverwogen. Ze springen niet van de ene boom naar de andere, maar zwaaien de boomtop net zo lang heen en weer tot ze een tak van de volgende boom kunnen grijpen. Dan trekken ze de beide boomtoppen naar elkaar toe, brengen hun gewicht over op de volgende boom en steken veilig over. Bijzonder aan ze is ook dat ze nesten maken van  takken en twijgen om te overnachten. 

Volwassen mannetjes wegen meer dan honderd kilo wegen en worden anderhalve meter lang met een reikwijdte van ruim twee meter voor hun armen. Ze trekken steeds in hun eentje rond zonder gezelschap van hun soortgenoten. De vrouwtjes zijn tenger gebouwd en wegen zelden meer dan vijftig kilo. Hoewel ze vaak vergezeld zijn van een of twee jongen voegen zij zich nooit bij andere moeders om een grotere groep te vormen. Er is een heel eenvoudige verklaring voor dit eenzame bestaan. Orang-oetans zijn grote dieren met een heel eigen dieet en hun grootste probleem is het vinden van voedsel. In verband met hun gewicht valt het trekken door de boomtoppen hen zwaar  en kunnen zij per dag over een afstand van slechts enkele honderden meters voedsel zoeken. Om het probleem nog groter te maken zijn hun lievelingsvruchten - vijgen, doerians, ramboetans en mangos - maar schaars en komen zeer verspreid voor. Daarom moéten ze op hun eentje leven en kunnen zij niet sociaal zijn. Als zij elkaar onverwachts tegenkomen tonen zij een volslagen gebrek aan belangstelling voor elkaar. Hoewel ze ontzettend sterk zijn worden ze maar zelden agressief. De mannetjes raken eigenlijk alleen opgewonden als andere mannetjes in hun territorium binnendringen. 

Orang-oetans kunnen veertig jaar oud worden. Na hun geboorte worden de jongen twee jaar lang gezoogd door hun moeder die veel tijd en aandacht besteedt aan hun opvoeding. Het duurt minstens drie jaren voordat zij weer toe is aan een nieuwe nakomeling. Vanaf hun achtste jaar zijn de vrouwtjes geslachtsrijp. Op het moment dat ze ontvankelijk zijn voegt zich een mannetje bij hen. De mannetjes nemen hun gezinsplichten echter niet waar. Na een korte vrijage van enkele dagen tot enkele weken verlaten zij hun partner en laten de opvoeding van eventuele jongen aan haar over. Als ze wat ouder worden gaan de jonge mannetjes op avontuur en verlaten ze steeds vaker en steeds langer hun moeder. Nu en dan blijven zij bij andere gezinnen rondhangen of voegen zich bij groepjes jongeren. Tenslotte scheiden zij zich helemaal van het gezinsleven af en verspreiden zich wijd over het oerwoud op zoek naar een eigen territorium om daar op hun gemak geschikte vrouwtjes het hof te maken. De jonge vrouwtjes blijven bij hun moeder tot zij geslachtsrijp zijn en zelf aanbidders aantrekken. Als zij zich van het gezin losmaken gaan zij niet ver uit de buurt, maar vestigen zich aan de rand van hun moeders territorium.  

 

Terug naar inhoudsopgave

 

Bako Video Bako

Op veertig kilometer ten noorden van Kuching ligt een groot natuurgebied.  Het Nationaal Park van Bako omvat zevenentwintig vierkante kilometer ongerept voorgebergte tussen de mondingen van de Sarawak en de Bako rivier. In het gebied komen mangrovebossen voor langs de kust evenals rotsachtige landtongen die zijn doorsneden met zandstranden. Het park telt zeven vegetatiesoorten. Daartoe behoren onder meer het regenwoud, het mangrovebos, het veenmoeras en de kerangas met een kenmerkende plantengroei die alleen voorkomt op de droge, zanderige en poreuze zandsteen plateaus in dit gebied. Op botanisch gebied komt men er vleesetende planten tegen langs de wandelpaden die zijn uitgezet in het park. Vanuit het hoofdkwartier van het Bako Nationaal Park zijn verschillende trails of wandelroutes uitgezet die met bepaalde kleuren op de bomen en de rotsen in het oerwoud zijn aangegeven. Ze bedragen samen een lengte van meer dan dertig kilometer variërend van korte wandelingen rond het hoofdkwartier tot zware wandelingen naar het einde van het schiereiland. De wandelingen zijn genoemd naar een berg, naar een waterval, een mangrovebos, een strand of een rotsklip in de omgeving. Een dergelijke wandeling is lichamelijk uitputtend en het gemiddelde tempo is laag omdat men in een heet en vochtig klimaat over glibberige paden moet lopen die bezaaid zijn met boomstronken.  

Op de bodem van het oerwoud is het licht schemerachtig. Gras groeit daar niet en maar heel weinig struikgewas.  Hoogstens zijn er hier en daar tussen het bladafval bodemplanten als kleine palmen die maar kort leven. Er zijn ook planten die geen zonlicht hebben. Het opvallendst zijn de zwammen die zich voeden met ontbindende organische materie.  Dankzij het klimaat zijn de meeste bomen in het gebied het gehele jaar groen. Dankzij de uitbundige plantengroei is er voor de dieren in het park een constant voedselaanbod dat nooit wordt onderbroken door winterse koude of droge perioden. Elke maand heeft zijn opbrengst aan bloemen, vruchten en nieuw blad. De dieren kunnen zich daarom in hun voedingsgewoonten gaan specialiseren. Dat geldt ook voor de dieren die in het Nationaal Park van Bako leven.

De mangrovemoerassen in het nationaal park zijn op sommige plaatsen enkele kilometers dik en bevatten wel dertig verschillende mangrovesoorten. In de voorste lijn staan de sonneratia en avicennia die zich net boven de laagste waterlijn vastzetten. Naarmate zij verder zeewaarts optrekken binden zij de modder met hun wortels die de fijne slibdeeltjes en alle getijdengruis vasthouden.  Omdat hun wortels bijna voortdurend door de verstikkende modder en het zeewater worden afgedekt, hebben deze bomen een vreemd ademhalingsstelsel ontwikkeld. Ze laten duizenden dunne scheutjes loodrecht omhoog groeien zodat die boven het water en de modder uitsteken. Daardoor halen zij adem voor de wortels beneden. Ze staan altijd in bloei zelfs al zijn het nog beginnende boompjes. De vruchten hangen nog aan de boom als de wortels en bladen alweer gaan ontkiemen. Dit laatste komt ook voor bij de rhizophora die op de hoger gelegen modderbanken staan en de tweede lijn vormen van het mangrovebos. Deze bomen hebben steltachtige wortels die straalsgewijs uit de stam groeien, naar buiten buigen en dan de modder induiken. Op die manier dienen zij als steun voor de boom in de verschuivende modder. Zij zijn rijkelijk voorzien van luchtporiën die zuurstof opnemen en naar de onderste wortels afvoeren.

Het Nationaal Park is vooral bekend om zijn wilde diersoorten. In het gebied leeft een groot aantal dieren waaronder de zeldzame proboscis of neusapen. Ze leven in de mangrovebossen langs het strand en voeden zich uitsluitend met jonge bladscheuten van de sonneratia boom. De neusapen behoren tot de apensoort van de langurs en hebben een zeer merkwaardig voorkomen. Ze hebben een roodbruine vacht, witte armen, benen en staart en een rood gezicht. Het mannetje heeft een lange rode hangneus en een bolle buik. De vrouwtjes en jonkies zijn sierlijker gebouwd en hebben een opstaande neus.  Ze wonen in groepen waarin één mannetje de baas is over ongeveer twintig vrouwtjes. Jonge mannetjes maken in hun jeugd deel uit van de groep waarbinnen ze zijn geboren, maar worden uit de groep gezet zodra ze een bedreiging gaan vormen voor de leider. Dan trekt de jonge aap een tijdje rond in een groep van lotgenoten totdat hij in staat is een eigen groep met vrouwtjes te vormen. Het zijn vrij schuwe beesten die men vaker hoort dan ziet. In geval van dreiging of gevaar laten de mannetjes een toetend geblaf horen om eventuele achtervolgers af te schrikken. Als zij aan het toeten zijn zien ze er op hun grappigst uit. De lange rode hangneus van het mannetje schiet bij elke waarschuwingstoet op een lachwekkende manier horizontaal naar voren. De bewoners van Sarawak noemen deze kleurige apen vanwege hun opvallende gelaatstrekken orang belanda oftewel de Nederlander. De mannetjesapen hebben namelijk net zulke lange rode neuzen als de zonverbrande Europeanen.  

Terug naar inhoudsopgave

 

Lemanak Video Lemanak

Langs de Lemanak rivier in het binnenland van Sarawak liggen verscholen in het oerwoud de langhuizen van Iban bewoners. De tocht over de rivier gaat in lange boten met buitenboordmotoren. Voor in de boot zit een uitkijk die de diepte van het water peilt en waarschuwt voor obstakels als drijfhout, boomstammen en rotsblokken in de rivier. Achter de uitkijk zitten de passagiers die de boot moeten verlaten als het waterpeil te laag is. Dan moeten ze een stuk door de rivier waden en de boot helpen duwen over de gladde stenen en scherpe rotsblokken tot het water weer diep genoeg is om in de boot plaats te kunnen nemen. Achterin de boot zit de stuurman. Hij let op de tekens die de uitkijk aan hem geeft. Zeer behendig stuurt hij de boot over de kronkelende rivier met zijn vele rotsklippen, draaikolken, stroomversnellingen en watervalletjes. Soms moet de uitkijk met een peddel bijsturen om te vermijden dat de boot de oever raakt. De boottocht is een bijzondere ervaring vanwege het snelstromende water, de stilte en het groene scherm aan weerszijden van de rivier. De bomen langs de oever zijn overigens niet overdekt met een bloemdek van verschillende kleuren, omdat er geen echte jaargetijden zijn in het tropisch regenwoud. In plaats daarvan kent elke boomsoort zijn eigen bloeitijd die verschilt van de omliggende soorten. Na een urenlange en vermoeiende tocht verschijnt langs een kiezelstrandje een aanlegplaats voor de boot met hoog op de oever het Iban langhuis Ngemah Ili. 

Aan de zijkant van het langhuis leidt een trap naar de ingang met een overdekte veranda waar een ontvangstcomité de bezoekers onthaalt met een glaasje tuak of rijstwijn. Op de binnenveranda zitten hier en daar groepjes mensen en drentelen kinderen heen en weer. De ruimte is goed onderhouden en zorgvuldig ingericht met maskers, kleedjes en andere kostbare voorwerpen aan de wanden. Op veel deuren prijkt een kruis en een prent van de maagd Maria ten teken dat men zich heeft bekeerd tot het christendom. Na het avondeten, als de meeste bewoners zijn teruggekeerd van het werk op hun akkers, gaan ze op de overdekte veranda zitten en vormen ze een kring rondom hun bezoek. Dan komt de tuah rumah of hoofdman kennismaken met de gasten. Het is de gewoonte dat hij kleine geschenken krijgt aangeboden zoals snoep en sigaretten die hij verdeelt over alle gezinnen in het langhuis. Daarna krijgen de bezoekers opnieuw tuak of rijstwijn aangeboden. Later op de avond volgt een dansvoorstelling van dansers op begeleiding van een groepje musici. Een van hen heeft een keluri bestaande uit een gedroogde kalebas in de vorm van een rechtstaande retort met zes bamboepijpjes in de buik. Anderen spelen muziek op een bamboeharp, een bamboexylofoon en een bamboefluit. Tenslotte bespeelt één van de muzikanten met een soort ijzeren haak een snaarinstrument in de vorm van een klankbodem uit één stuk hout met dikke, zware snaren.  

Tijdens de dansvoorstelling draagt de mannelijke danser een oorlogshelm op zijn hoofd. Het is een hoofddeksel van gevlochten rotan dat is versierd met gele en zwarte en rode kralen evenals zes lange zwart-witte staartveren van de gehelmde hoornvogel. Hij is gekleed in een witte geweven strijdmantel met kleurige motieven en gestileerde figuren. In zijn linkerhand draagt hij een lang schild dat van boven en van onderen puntig toeloopt. In zijn rechterhand houdt hij een scepter waaraan dikke zwarte bosjes haar hangen die naar verluidt lang geleden zijn verwijderd van hoofden die tijdens een oorlog zijn gesneld. Bij aanvang van zijn dans hurkt hij neer waarna hij langzaam rond danst op de maat van de muziek met overdreven bewegingen waarbij zijn dijspieren zich samentrekken en ontspannen en zijn pezen strak blijven. Eerst draait hij op zijn ene voet en dan weer op de andere om langzaam omhoog te rijzen tot zijn volle lengte. Hij beeldt een krijger uit die vanuit zijn denkbeeldige schuilplaats naar een vijand loert tot hij die in zicht krijgt. Dan hurkt hij weer ineen en maakt een krachtige sprong naar voren om heen en weer dansend zijn onzichtbare vijand neer te slaan en diens klappen met zijn schild op te vangen.

De vrouwelijke danseressen dragen tijdens de dansvoorstelling een oranjekleurige sarong die is bezet met zilveren munten. Om hun bovenlichaam dragen zij een rijk geborduurd schouderkleed dat is omzoomd met rode biezen. Op hun hoofd dragen zij een sugu tinggi of zilveren hoofdtooi. Ze beginnen eveneens hun dans vanuit een gehurkte positie om langzaam overeind te komen. Met kleine vloeiende bewegingen van polsen en vingers en met wiekende armen imiteren zij de trage vlucht van de neushoornvogel. De bewegingen van de danseressen zijn gracieuzer vergeleken met de kracht van de mannelijke danser. Bij iedere stap voorwaarts op de maat van de muziek tekenen hun benen zich af onder hun sarongs. De bewegingen van de danseressen zijn ook verleidelijker. Iedere zachte buiging achterover in de pauzes van de muziek onthult de vormen van hun lichaam onder hun kleding. De kleurige borduursels en blinkende versieringen op hun kleding geven extra nadruk aan de schoonheid van hun dansvoorstelling.  

Het is gebruikelijk dat de bezoeker deelneemt aan de dansvoorstelling en zelf een dans uitvoert ten overstaan van de bewoners in het langhuis. Na afloop van de dansvoorstelling is er meer rijstwijn en zijn er gezamenlijke spelletjes. De aanwezigen gaan in een ronde kring gaan zitten met in hun handen een touw waaraan een metalen ring is bevestigd.  Het is de bedoeling dat zij deze ring ongemerkt aan elkaar doorgeven. In het midden van de kring zit een persoon die bij een stopteken moet raden waar de ring zich bevindt. Heeft hij de juiste plek aangewezen, dan moet degene die de ring op dat moment in zijn handen heeft op zijn beurt plaatsnemen in het midden van de kring. Alvorens dit te doen moet hij wel een glaasje rijstwijn drinken. Met het vorderen van de avond raakt de blik steeds meer beneveld en stijgt het plezier van de deelnemers aan het spel. 

De volgende ochtend begeven de bewoners van het langhuis zich naar de rivier om er te baden en verder stroomafwaarts hun behoeften te doen. Mannen en vrouwen hebben ieder hun eigen plek waar ze zich onbespied kunnen wassen. Verderop in de rivier halen ze drinkwater, kook- en waswater voor het ontbijt. Na het ontbijt gaat een aantal bewoners naar de aanlegplaats van hun boot om gezamenlijk te vertrekken naar de verderop gelegen landbouwvelden. Ze worden uitgezwaaid door de achterblijvende gezinsleden en vergezeld door de honden die hen een tijd lang hollend langs de oever volgen. Ten behoeve van de bezoekers heeft een van de mannen in het langhuis zich gekleed in de traditionele uitrusting van een Iban krijger. Hij heeft een blaaspijp die hij voor de bezoekers demonstreert op de buitenveranda. Vroeger was de blaaspijp met de in gif gedoopte pijltjes een geducht wapen. Nu is er een goede vervanging  in de vorm van een geweer. Hij heeft een blaaspijp die hij voor de bezoekers demonstreert op de buitenveranda. Vroeger was de blaaspijp met de in gif gedoopte pijltjes een geducht wapen. Wie er goed mee om ging kon een vijand op meer dan twintig meter afstand doeltreffend raken en voorgoed uitschakelen. De blaaspijp werd ook gebruikt voor de jacht op dieren. Nu is er een goede vervanging  in de vorm van een geweer. 

Een boottocht over de Lemanak rivier leidt verder in het binnenland naar het Iban langhuis Kachong. Ook daar wacht de bezoeker een hartelijke ontvangst met een glaasje tuak of rijstwijn. Ook daar verzamelen de bewoners zich na de avondmaaltijd in een kring rondom hun bezoekers waarna de tuah rumah of hoofdman tijdens de kennismaking de geschenken in ontvangst neemt  en ze gelijkelijk verdeelt onder de bewoners. Het belangrijkste tijdverdrijf is daar een spel blindemannetje waarbij iemand een blinddoek voorgebonden krijgt en naar een gong moet toelopen die tot groot vermaak van de aanwezigen steeds wordt verplaatst. Kachong. Ook daar wacht de bezoeker een hartelijke ontvangst met een glaasje tuak of rijstwijn. Ook daar verzamelen de bewoners zich na de avondmaaltijd in een kring rondom hun bezoekers op de binnenveranda. Die is in vergelijking met de binnenveranda van het andere langhuis sober ingericht en matig onderhouden. Honden zwerven er los rond en laten er een doordringende lucht achter. Aan de wanden hangen versleten hoofddeksels, kleurloze manden, gescheurde rijstzakken en schimmelende matten naast houten gereedschappen en grove bijlen. Tijdens de kennismaking neemt de tuah rumah of hoofdman de geschenken in ontvangst en verdeelt ze gelijkelijk onder de bewoners. Het belangrijkste tijdverdrijf is daar een spel blindemannetje waarbij iemand een blinddoek voorgebonden krijgt en naar een gong moet toelopen die tot groot vermaak van de aanwezigen steeds wordt verplaatst.  In sommige kamers van het langhuis is de modernisering al ver doorgedrongen en is het geluid van een televisietoestel door het hele langhuis goed te horen. De nacht verloopt nogal luidruchtig vanwege de vele dierengeluiden in het oerwoud en onder het langhuis waar de varkens en kippen scharrelen op zoek naar eten dat tussen de vloerlatten naar beneden is gevallen. 

Na een overnachting op de binnenveranda van het langhuis is het mogelijk om een wandeling te maken door het omliggende oerwoud. Achter het langhuis loopt een pad naar de rivier waar men zich wast en kleren reinigt. Aan de overkant van de rivier gaat het pad verder door het oerwoud waar men een demonstratie krijgt van de geneeskrachtige kruiden die er groeien, de eetbare paddestoelen die er zijn en de vruchten die er bloeien. Daarnaast groeien in het oerwoud bomen en planten die men gebruikt voor huishoudelijke doeleinden zoals het weven van kleding en het vlechten van manden. Verderop liggen tegen de flanken van een heuvel de landbouwvelden die men herkent aan de provisorische hutten om zichzelf en de geoogste voorraden te beschermen tegen de overvloedige regen. Hier en daar zijn de velden reeds jaren geleden verlaten en overgelaten aan de natuur. Duidelijk zichtbaar is dat deze vorm van veldwisselbouw weinig schade berokkent aan het oerwoud. Dankzij de vruchtbaarheid van de bodem overheerst inmiddels de secundaire begroeiing van bomen en planten. Op sommige delen is het oerwoud zo dicht begroeid dat men zijn weg moet vervolgen over smalle en glibberige paden langs de steile oevers van de rivier of zelfs door de rivier met zijn gevaarlijke snelstromende water. Daar demonstreert een van de bewoners hoe men met een harpoen een vis vangt. Een andere methode is het gebruik van een jala of visnet dat is verzwaard met gewichten. Men werpt het uit in het water en sleept ermee over de bodem om het vervolgens met de gevangen buit boven water te halen. 

Terug naar inhoudsopgave

 

Mulu Video Mulu

Het Gunung Mulu Nationaal Park is met zijn vijfhonderdnegentwintig vierkante kilometer het grootste park in Sarawak. In het park liggen twee berggebieden - de Gunung Mulu met een hoogte van bijna vierentwintighonderd meter is van zandsteen en de Gunung Api met een hoogte van zeventienhonderdvijftig meter is van kalksteen. Men kan er onder leiding van een ervaren gids een beklimming wagen van de pinnacles - een heuvel met messcherpe kalksteen rotsen die vijfenveertig meter boven het oerwoud uitsteken.  Deze getande spitsen die door het oerwouddak omhoog steken zijn de enige overblijfselen van een grote kalksteenheuvel. Over een periode van vele duizenden jaren is de kalksteen weggevreten door het zuurhoudende grondwater en zware regenval tot alleen losstaande pieken overbleven. Elders heeft de inwerking van water op kalksteen geen spitsen, maar grotten geschapen die vermaard zijn om hun dierenwereld.  In het park liggen verschillende grotten met bijzondere rotsformaties in de vorm van stalagmieten, stalactieten en helictieten. Sommige grotten zijn gevormd door slijtage van stromend water zoals in het geval van de Clearwater grot waar een rivier met helder water doorheen stroomt die meer dan honderd kilometer lang is. Ook de Wind grot is ooit gevormd door een ondergrondse rivier die echter door de eeuwen heen zijn loop heeft gewijzigd. In plaats daarvan heeft de wind nu vrij spel in de oude droogstaande rivierbedding van de grot. Andere grotten zijn daarentegen ontstaan door de inwerking van stilstaand water op het kalksteen. De Lang grot is een goed voorbeeld van zo'n druipsteengrot met een kenmerkend vlak plafond en een grillige rotswand. 

De kalksteengrotten werden gevormd door blootstelling van een kalksteenafzetting aan de weerselementen. De regen verzuurde door kooldioxide opname uit de lucht, loste het calciumcarbonaat in de kalksteen op en vrat naar binnen langs kleine barstjes in het gesteente. De regen groef diepe kanalen en gaten in het gesteente waarlangs het water verdween en ondergronds hele gewelven en galerijen uitspoelde voordat het weer als kleine beekjes naar buiten trad door wat later de mondingen van de grotten werden. Alle grote grotten bieden een donker en betrekkelijk veilig toevluchtsoord weg van de plasregens van het omringende oerwoud. Grote vluchten gierzwaluwen en vleermuizen broeden en slapen in de gangen van het gesteente en soms wagen andere dieren als civetkatten, slangen en hagedissen zich naar binnen. Op de grond ligt een grote hoeveelheid naar ammoniak riekende guano of uitwerpselen van de gierzwaluwen en vleermuizen. Daaroverheen krioelen duizenden soorten insecten zoals kakkerlakken, kevers, rupsen, spinnen en torren. Deze opdringerige insecten voeden zich met de dode en stervende wezens die van de druk bezette grotgewelven neervallen. Ze verslinden alles op hun weg zoals eieren , nestjongen, gewonde of zieke vleermuizen. In het verleden boden de grotten een onderkomen en begraafplaatsen aan mensen. Hoewel niemand tegenwoordig nog in de grotten woont, gebruiken de oerwoudbewoners ze nog steeds als begraafplaatsen. Op sommige plaatsen herinnert een half vergane schedel nog hieraan. Daarnaast gebruiken de mensen de guano in de grotten als meststof voor hun landbouwvelden op de heuvels in de omgeving.  

In het Nationaal Park van Gunung Mulu ligt Batu Bungan, een langhuis voor Penan families dat recent met steun van de overheid is gebouwd. De overheid wil dat ze hun leven wijzigen en landbouw gaan bedrijven in permanente nederzettingen. Daarmee tracht men hen een nieuw bestaan te verschaffen omdat de grootschalige houtkap en andere bouwprojecten zoals de aanleg van een stuwdam grote delen van hun leefgebied aantast. Bovendien is de gemiddelde levensverwachting van de Penan naar de mening van de overheid veel te kort vergeleken bij die van de overige oerwoudbewoners zolang zij een rondzwervend bestaan leiden. Bij een bezoek aan Batu Bungan valt op dat de Penan nog moeten wennen aan hun nieuwe bestaan. Het leven in een langhuis is voor hen niet vanzelfsprekend ondanks comfortabele nieuwigheden als raamkozijnen, een golfijzeren dak en machinaal gezaagde planken. Ze hebben zich nog niet geschikt in het leven van een landbouwer, zelfs niet in het halfnomadische leven van kortstondige rijstbouw in de heuvels. Ze komen naar Batu Bungan om hun producten te ruilen of om een tijdelijk onderkomen te bouwen zodat hun kinderen naar de nabijgelegen school kunnen. Velen zijn niet te bekennen in het langhuis, maar in een van de vele huisjes in de nabije omgeving. Net als voorheen leven ze teruggetrokken en zijn ze omzichtig in de omgang met anderen. Ze schuwen luide taal en heftige gebaren en spreken nauwelijks Engels. Vaak trekken ze zich een tijdje terug in het oerwoud als het oude vertrouwde terrein waar ze zich met hun bijzondere  vaardigheden het meeste thuis voelen. Ze voorzien in hun levensonderhoud door de verkoop van traditioneel gevlochten rotan. Daarnaast verkopen ze allerlei andere voorwerpen aan toeristen die de nederzetting komen bezoeken. Deze voorwerpen zijn vaak elders gemaakt. 

Terug naar inhoudsopgave

 

Pulau Tiga Video Pulau Tiga

Waar Borneo zich nu bevindt was dertig miljoen jaar geleden geen regenwoud en zelfs geen land te vinden geweest. Bijna de gehele archipel was toen nog door water bedekt. Pas vijftien miljoen jaar geleden begon het eiland uit zee omhoog te komen, toen er in de aardkorst hevige verschuivingen en plooiingen plaatsvonden. Tussen twee en tien miljoen jaar geleden bleef Borneo veranderen. Geleidelijk aan rezen de sedimentaire afzettingen waar het uit was opgebouwd - zandsteen, kleisteen en kalksteen  die op de bodem van de zee hadden gelegen - door tectonische bewegingen zo hoog op dat zij bergketens vormden. Tegelijkertijd vonden in de omringende zone hevige vulkanische activiteiten plaats. Borneo bevond zich evenwel buiten de vuurlijn en kwam er betrekkelijk onbeschadigd vanaf. De laatste twee miljoen jaar zijn er geen drastische veranderingen meer geweest in de aardkorst. Maar er was een belangrijk verschijnsel dat werd veroorzaakt door de uitbreiding van de ijskappen. Toen de spiegel van de oceanen daalde, vielen grote delen van de ondiepe zee rondom Borneo droog.  Dankzij deze landbrug kreeg het eiland evenals de omringende Indonesische eilanden Sumatra en Java verbinding met het vasteland van Azië. Het rechtstreekse contact met Azië verrijkte de dieren- en de plantenwereld op het eiland die zich na het einde van de laatste ijstijd zelfstandig verder ontwikkelde toen het eiland weer afgezonderd kwam te liggen. 

De geologische ontwikkelingen hebben hun sporen nagelaten in het natuurgebied van Pulau Tiga dat een onderdeel is van de deelstaat Sabah. Het Nationaal Park van Pulau Tiga of Drie Eilanden is slechts vijftien vierkante kilometer groot en bestaat uit drie kleine eilandjes die zijn gevormd door vulkanische modderuitbarstingen aan het einde van de negentiende eeuw. Het grootste eiland is sindsdien bedekt met een dichte vegetatie die wordt gekenmerkt door een enorme variatie in planten. Nog steeds is er vulkanische activiteit in de vorm van opborrelend gas in kleine modderpoelen. Op de stranden van de eilanden leeft de reuzenvaraan een aasetende reptielensoort.  Sommige exemplaren kunnen wel twee meter lang worden. Ze hebben lange gevorkte tongen die zij in en uit laten schieten om de lucht of het water te proeven. Het is een verrassend gevoelig instrument waarmee ze op grote afstand een karkas in het oerwoud of slachtafval langs de rivier kunnen ontdekken. Tijdens hun tocht houden zij telkens even stil en heffen hun kop in de lucht om de wind af te proeven waarna zij weer verder gaan. Bij het minste of geringste luchtje dat op onraad wijst draaien zij zich om en rennen ze terug naar de rivier. Ondanks hun angstaanjagende voorkomen zijn ze zeer schuw en anders dan de verwante Komodo varaan op het gelijknamige eiland vlakbij het Indonesische Java vluchten ze weg voor naderende mensen.

Terug naar inhoudsopgave

 

Kinabalu Video Kinabalu

Sedert de Tweede Wereldoorlog is Kota Kinabalu of het vroegere Jesselton de hoofdstad van Sabah. De stad ligt aan de rand van de Zuidchinese Zee en kijkt uit op een reeks van eilanden die zijn omzoomd door koraalriffen. De stad is in het begin van de Tweede Wereldoorlog verwoest door de terugtrekkende Britten om te voorkomen dat de Japanners de plaats zouden gebruiken als een uitvalsbasis voor verdere aanvalsoperaties. Aan het einde van de oorlog werd de stad opnieuw verwoest als gevolg van geallieerde bombardementen die tot doel hadden om de laatste Japanners uit Borneo te verdrijven. Uit de puinhopen werd een geheel nieuwe stad opgetrokken met hoge moderne gebouwen en brede moderne verkeerswegen. Buiten een Britse klokkentoren uit het begin van de twintigste eeuw zijn er geen historische monumenten meer in de stad die de bezoeker daarentegen moderne winkelmogelijkheden biedt in verscheidene shopping malls die voorzien zijn van airconditioning.

Vanuit de stad kan men in de verte de berg Kinabalu zien liggen. Deze berg is ontstaan tussen twee en tien miljoen jaar geleden toen zich in het noorden van Borneo als gevolg van tectonische bewegingen een grote vulkanische massa dwars door de bovenliggende sedimentaire gesteenten heen naar boven drong.  De berg is al vanuit de wijde omtrek te zien als een reusachtig, rechthoekig verdedigingswerk dat hoog de lucht in steekt met torens en spitsen. Het is niet een hoogvlakte zoals men die verwacht maar een bergrug in de vorm van een J waarvan de lengte in noordelijke richting wijst en de krul zuidwaarts een diepe afgrond omsloten houdt. De top van de berg ligt op een hoogte van ruim vierduizend meter en daarmee is het de hoogste berg van Zuidoost Azië. Het niveau van de berg stijgt nog steeds. De inheemse bevolking gelooft dat het de woonplaats is voor de zielen van de overledenen. Zij hebben de berg zijn huidige naam gegevens die "woonplaats van de doden" betekent. Slechts door uitgebreide rituelen met offergaven en luide bezweringen slaagde de eerste bergbeklimmer, de Britse bestuurder Hugh Low, erin om steun te verkrijgen van de lokale bevolking voor zijn expeditie naar de top.  

In het Nationaal Park kan men een wandeling maken langs de paden door het oerwoud. In het lage oerwoud aan de voet van de berg groeien vele soorten planten waaronder varens, begonia's, orchideeën en bekerplanten. De beker ontstaat uit een bladtop die een diep vat heeft gevormd dat gedeeltelijk is gevuld met vocht. Alle mogelijke insecten worden aangetrokken door de geur van de plant. Wanneer zij zich op de omgebogen lip van een beker neerzetten, glijden zij op het gladde wasachtige oppervlak uit en komen in de vloeistof terecht waarin zij worden opgelost en door de plant als voedsel verteerd. Op tweeduizend meter hoogte maakt het oerwoud plaats voor een bos van bergeiken en  rododendrons waar de natuurelementen vrij spel hebben. Daar groeit ook de celerie den - een naaldboom met vreemde, stijf uitstaande blaadjes die in wezen helemaal geen bladeren zijn maar korte takjes. Op ruim drieduizend meter hoogte is de boomgrens waarna een gro