|
Informatie
Borneo
Borneo ligt net boven de evenaar. Het grootste deel van het eiland
behoort bij
Indonesië en wordt Kalimantan genoemd. De noordkust van het eiland behoort voor
het grootste deel tot Maleisië. In het noordwesten ligt Sarawak en in het
noordoosten Sabah. De grens
tussen Sarawak en Kalimantan volgt de waterscheiding van de rivieren die
doorgaans naar het noordwesten stromen en uitmonden in de Zuidchinese Zee en de
rivieren die naar het zuidoosten stromen en uitmonden in de Celebes Zee en de
Java Zee. De grens tussen Sarawak en Sabah loopt door veel gemakkelijker terrein
en volgt geen natuurlijke grenzen.
Het gebied
bestaat uit een moerassige kuststrook die overgaat in heuvelachtig laagland. Het
binnenland is bergachtig. De rivieren in het binnenland stromen snel door diepe kloven en langs
talloze stroomversnellingen tot ze de kustvlakte bereiken waar ze richting de
zee kronkelen. Ze hebben het oerwoud van oudsher
toegankelijk gemaakt. De bewoners hebben zich dan ook meestal langs de rivieren
gevestigd. Daar hebben ze echter in de loop
der tijd omvangrijke stukken oerwoud gekapt om er landbouw te bedrijven. Dat
geldt niet alleen voor de kleinschalige op de eigen behoefte afgestemde dorpslandbouw
maar vooral ook voor de latere plantagelandbouw. De vruchtbare bodem blijkt namelijk zeer geschikt
voor de aanplant van rubberbomen, oliepalmen, klapperbomen, cacao- en
theeplanten.
Hoewel grote delen van het oerwoud zijn verdwenen blijven
sommige gebieden grotendeels ongerept en vormen ze de woonplaats van enkele
bijzondere diersoorten die in hun voortbestaan worden bedreigd en daarom door de
overheid worden beschermd. Tot deze bijzondere beschermde diersoorten behoren
onder andere de orang oetans en de proboscis apen of neusapen. Men heeft de
meeste kans om ze te zien in de nationale parken en natuurreservaten. Daar vindt
men ook de oudste ongerepte regenwouden ter wereld. Ze zijn naar
schatting miljoenen jaren oud en niet of nauwelijks aangetast door
ingrijpende klimaatveranderingen als gevolg van de ijstijden elders op deze
planeet. De bekendste parken
in Sarawak zijn het Bako National Park bij Kuching dat vierentwintig vierkante
kilometer groot is en het Gunung Mulu National
Park ten zuiden van Brunei.
In Sabah is het Gunung Kinabalu National Park op bijna negentig kilometer ten oosten van de hoofdstad Kota
Kinabalu het
meeste bekende natuurreservaat met een grootte van ruim zevenhonderdvijftig vierkante kilometer. Men kan er de berg Kinabalu beklimmen of een wandeling
maken langs de paden door het oerwoud aan de voet van de berg.
Het vruchtbare Borneo was al vroeg de woonplaats van
groepen mensen. Zowel in Sarawak als in Sabah zijn sporen
gevonden van woonplaatsen uit de oude steentijd. Van deze oorspronkelijke
bewoners is weinig bekend. Zij leefden rond tienduizend voor Christus als nomaden
in het oerwoud die op wilde dieren jaagden en eetbare
planten verzamelden. Het waren mensen met een zeer donker uiterlijk, die verwant waren
aan de bewoners van het huidige Nieuw-Guinea. Halverwege het derde millennium voor Christus drongen
de eerste vertegenwoordigers van de huidige bewoners door op Borneo. Zij waren
afkomstig uit verschillende windstreken. Een groep kwam uit het zuiden van
China. Een andere groep was afkomstig van de verschillende Indonesische
eilanden. Deze zogenaamde proto-Maleiers vestigden zich langs de kusten van Borneo
en verjaagden de oorspronkelijke bewoners naar het binnenland.
De nieuwkomers gebruikten stenen
werktuigen die van een technisch hoger niveau waren dan in de oude
steentijd. Ze bedreven landbouw en woonden in huizen in plaats van holen. Zij
zijn ook de eersten die aardewerken potten hebben gebruikt.
Rond de vijfde eeuw voor Christus moesten de proto-Maleiers
het veld ruimen voor een nieuwe golf van immigranten uit Zuid-China. Zij
vestigden zich in dezelfde gebieden als hun voorgangers. In de geschiedenis zijn
zij bekend als de deutero-Maleiers. Ze beschikten over metalen voorwerpen die ze
als eersten op Borneo invoerden. Hun sociaal systeem was gebaseerd
op een dorpssamenleving. De grond was gemeenschappelijk bezit en er bestonden
geen grote verschillen tussen de families. Hun godsdienst was animistisch. Ze
veronderstelden dat de hele wereld vol geesten was, die zich tegen hen konden
keren of hen gunstig gezind waren. Het was de taak van de mensen om de geesten
voor zich te winnen.
In de verspreid liggende landbouwdorpen drongen rond het
begin van onze jaartelling handelaren uit India binnen. Vooral op het vasteland
van Maleisië, dat een belangrijke schakel was in de langeafstandshandel tussen
India en China, oefenden zij grote invloed uit op het openbare leven.
Geleidelijk ontstond er een sterk
door de Indiase cultuur beïnvloede samenleving onder leiding van een koning of radja. In
deze koninkrijken heerste een vorst over zijn onderdanen. Het hofleven was een kopie van het Indiase hof en de godsdienst was
Indiaas. De radja’s werden aanvankelijk overheerst
door het koninkrijk Funan in het tegenwoordige Cambodja, vanaf de zevende eeuw waren zij
ondergeschikt aan het koninkrijk Srivijaya op het
Indonesische eiland Sumatra. Vanaf de veertiende eeuw kwamen zij onder invloed
van het Majapahit rijk dat zijn centrum had in
het oosten van Java.
Aan het einde van de veertiende eeuw vestigde prins Parameswara
onder bescherming van de Chinese keizer een onafhankelijke staat op de plaats
van het tegenwoordige Melaka. Hij stelde zijn haven gelegen aan de drukke
handelsroute tussen India en China open voor elke handelaar. Vooral de islamitische handelaren uit India
profiteerden hiervan geweldig. Parameswara sloot als de nieuwe radja van Melaka vervolgens een verdrag
met een naburige staat op de noordkust van Sumatra waar de islam al was
verbreid, en huwde de dochter van de sultan. Zelf bekeerde hij zich ook tot
de islam. Dit was het begin van de zegetocht van dit geloof in Melaka en de
omringende gebieden waaronder Borneo. De nieuwe heersers noemden zich
voortaan naar islamitisch gebruik sultan. Zij brachten de regio welvaart dankzij
de vrijhandel en de rijkelijk aanwezige grondstoffen in het achterland zoals
goud, peper en tin.
Rond het begin van de zestiende eeuw verschenen de eerste
Europeanen op het toneel. De Portugezen waren de eersten en hadden twee
drijfveren: de islam terugdringen en de handel in specerijen in handen krijgen. De Portugezen
veroverden een aantal strategische plaatsen vanwaar hun vloot de
scheepsroutes kon controleren. Door hun
monopoliestreven kwam een einde aan de vrije handel en de welvaart van de
plaatselijke bevolking. In de zeventiende eeuw namen Nederlandse kooplui
verenigd in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) met steun van de overheid
het handelsmonopolie over van de Portugezen. De Nederlanders hadden grote moeite
met piraten die de wateren in de omgeving
onveilig maakten. Mede als gevolg hiervan steeg de onrust onder de plaatselijke
bevolking in de regio. In de negentiende eeuw verzekerden de Engelsen zich van
een vrije doorvaart naar China. Zij maakten van de regio een vrijplaats voor alle handelaren
zonder de beperkingen van een monopolie. Geleidelijk versterkten ze hun greep op
het inheemse bestuur met de benoeming van een Engelse resident als adviseur voor
de sultans. Mede dankzij de investeringen van westerse ondernemingen alsmede de
overheid die betrokken was bij de aanleg van wegen en spoorwegen brak een nieuwe
periode van welvaart aan.
Tot de komst van de Engelsen maakte Sarawak deel uit van het rijk van de sultan van
Brunei. De radja die in opdracht van de sultan het gebied bestuurde perste
de bevolking echter veel
geld af. Daardoor braken voortdurend ongeregeldheden uit. De sultan van Brunei
slaagde er niet in om een einde te maken aan de ongeregeldheden. Daarvan profiteerde de
schatrijke Engelse avonturier James
Brooke die met steun van bevriende bestuursambtenaren een einde wist te maken aan de terreur. In 1841 sloot hij een
overeenkomst met de radja en liet hij zich kronen tot de eerste blanke heerser of radja
van Sarawak. Een jaar later bevestigde ook de sultan van Brunei de overeenkomst
en erkende hij de rechten van Brooke als nieuwe bestuurder. Brooke regeerde zijn
land als een zorgzaam en welwillend grootgrondbezitter. Hij probeerde de samenleving zo
veel mogelijk intact te houden en nam een aantal inheemse stamhoofden op in zijn adviesraad.
Daarnaast weerde hij westerse investeerders. Zijn beleid werd na zijn overlijden in 1868 voortgezet door zijn neef
Charles Brooke die de tweede blanke radja van het land werd. Het land bleef vrij arm omdat ook Charles koos voor het buiten
de deur houden van de grote westerse ondernemingen. De economische positie van Sarawak
veranderde echter plotseling in de twintigste eeuw onder het regime van diens
zoon Vyner Brooke dankzij de vondst van olie en de opkomst van de
olie-industrie. Hij was sedert 1917 de derde blanke radja en besloot om
buitenlandse investeerders toe te laten voor de ontwikkeling en exploitatie van
olievelden en plantages.
De blanke radja's maakten handig gebruik van de onderlinge
verdeeldheid onder de verschillende inheemse bevolkingsgroepen. Ze voelden zich
thuis bij de Iban in het binnenland die hun gezag erkenden. Met hun steun
dwongen zij de andere bevolkingsgroepen om zich te onderwerpen en een bijdrage
te leveren aan de schatkist. Deze gedwongen onderwerping ging gepaard met
veel bloedvergieten door de Iban die berucht waren om hun vijandelijke houding
en hun veroveringsdrang. Zij waren gevreesde strijders die de bezittingen van
hun verslagen vijanden plunderden en hun hoofden mee naar huis namen. In de voorafgaande periode hadden zij
naam gemaakt als zee Dajaks of zeebewoners vanwege hun behendigheid met boten en hun betrokkenheid bij
piraterij in de wateren van de Zuidchinese Zee. Daar zagen Europese en Aziatische
handelaren ondanks de steun van een met geweren en kanonnen gewapende vloot veel
schepen verloren gaan. Mede omdat de blanke radja's goede betrekkingen
onderhielden met de beruchte Iban waren zij weinig
geliefd bij andere inheemse bevolkingsgroepen en buitenlandse
mogendheden.
Evenals Sarawak stond het naburige Sabah tot de komst van
de Engelsen onder bestuur van de sultan van Brunei. In 1865 gaf de sultan het
huidige grondgebed van Sabah aan de Amerikaanse consul in pacht om een
tegenwicht te vormen tegen de opdringende Britten. De onderneming leverde echter niets op en
de Amerikaan stopte er na drie jaar mee. In 1875 kwam er weer
beweging in de zaak toen de Oostenrijkse consul baron Von Overbeck samen met een Engelse
zakenman Alfred Dent de voormalige compagnie van de Amerikaanse consul overnam. Enkele jaren
later kocht de Engelse zakenman zijn compagnon uit en ontving hij van de Engelse regering
een “charter” voor de British North Borneo Company. Dit hield in dat de
onderneming het gebied mocht regeren op voorwaarde dat de Engelse vloot er havenfaciliteiten
kreeg. De onderneming kreeg echter geen handelsmonopolie en mocht zich niet
bemoeien met de leefgewoonten van de bevolking. In 1888 werd Noord Borneo een
Brits protectoraat. Ondanks de maatregelen van de Britse overheid bleef het land
arm. In de twintigste eeuw ontwikkelde Noord Borneo zich
geleidelijk, maar de problemen waarvoor men stond waren enorm groot. Het ontbrak
aan kapitaal en een goede infrastructuur.
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak vielen de Japanners ook
Borneo binnen. Ze hadden echter
weinig sympathie van de bevolking die in hen géén bondgenoot zag voor een
bevrijdingsstrijd tegen de koloniale grootmachten. Op Borneo werd het verzet in het begin van de oorlog met bruut geweld
onderdrukt. Aan het einde van de oorlog voerden inheemse bevolkingsstammen met
steun van een Australische commando-eenheid een bittere strijd tegen de Japanners.
Voor de zwaar getroffen Britse
gebieden in Borneo was er geen mogelijkheid om zich op eigen kracht te
herstellen van verwoestingen tijdens de oorlog. De vroegere machthebbers van
Sarawak en Sabah droegen deze gebieden daarom over als kroonkolonies aan de
Britse overheid. Toen Maleisië in 1957 onafhankelijk werd, bleven beide
gebieden onder Brits bestuur. Na ingewikkelde onderhandelingen
werd het in 1963 deel van de Maleisische federatie. Onmiddellijk maakte Indonesië
bezwaar tegen deze eenwording, en het kreeg bijval van de Filippijnen. Beide
landen koesterden aanspraak op de gebieden in het noorden van Borneo. Het kwam
tot een politiek van confrontatie waarbij het Indonesisch regime een
guerrillastrijd steunde van communistische opstandelingen in het grensgebied van
Sarawak. In het begin van de zeventiger jaren staakten de
opstandelingen echter hun strijd omdat de steun van Indonesië na de val van
president Soekarno wegviel.
De nieuwe machthebbers voerden een intensieve campagne voor
eenheid in een poging om het internationale communisme uit te bannen en tegelijkertijd een
eigen nationale identiteit op te bouwen.
Die was gericht op vijf onderwerpen: loyaliteit ten aanzien van de koning en het
land; loyaliteit ten aanzien van de grondwet; respect voor de islam en de
gewoonten van de inheemse bevolking; respect voor de wet en de moraal. Ondanks
de inspanningen is men er niet geheel in geslaagd om het streven naar een
afscheiding op Borneo te onderdrukken. De relatie tussen de politieke
vertegenwoordigers van Borneo en de centrale overheid op het vasteland van
Maleisië is nog steeds gespannen. De politici van Sarawak en
Sabah denken vaak dat toetreding tot de Maleisische federatie achteraf gezien
niet de beste stap is geweest. Zij verwachten veel meer terug voor de geweldige olie-inkomsten die uit hun
gebieden afkomstig zijn.
In haar beleid heeft de overheid bijzondere aandacht voor
de etnische tegenstellingen die in de loop van de negentiende en twintigste eeuw
zijn gerezen. De open deur politiek van de Britten en de sultans heeft er
namelijk toe geleid dat het aantal nieuwkomers de oorspronkelijke bevolking ruim
overtreft. De nieuwkomers hebben zich bovendien toegelegd op een carrière in
grote moderne bedrijven en daarmee de oorspronkelijke bevolking in een
economische achterstandspositie gedrongen. Veel van de economische vernieuwingen zijn voorbij gegaan
aan de oorspronkelijke bevolking die zich nog steeds bezig houdt met
kleinschalige landbouw. De overheid tracht met bijzondere
maatregelen deze bevolkingsgroep van bumiputra’s of vorsten van het
land meer welvaart te brengen door
positieve discriminatie. Ze tracht hen te bewegen om hun traditionele manier van
leven te laten opgeven. Dat lukt echter slechts ten dele. Nog steeds is het
gewenste aandeel van bumiputra’s in de moderne economie niet gehaald. Het zijn vooral
buitenlanders, Chinezen en Indiërs die profiteren van een buitengewoon gunstig
investeringsklimaat met lage lonen en redelijk geschoolde arbeidskrachten.
Terug naar inhoudsopgave
Orang
Asli
In het oerwoud van Borneo wonen nog afstammelingen van de oudste bevolking van Maleisië ofwel de proto-Maleiers.
Zij worden Orang Asli of oorspronkelijke bewoners genoemd. In het oerwoud leven zij een
teruggetrokken bestaan aan de oever van een rivier met weinig bezoekers. De
tocht over de kronkelende en snelstromende rivier is lang en moeizaam omdat
rotsblokken, boomstronken en drijfhout in het water de boot hinderen evenals
overhangende bomen langs de oever. Weliswaar is er een gevaarlijk en
modderig wandelpad langs de oever, maar dat gebruikt men alleen als de rivier
echt onbegaanbaar is. Soms brengen handelaren of bestuursambtenaren een vluchtig
bezoek aan de bewoners in het oerwoud. Een enkele keer gaan de oerwoudbewoners zelf
naar de grote stad
om inkopen te doen of om een dokter te bezoeken. Menigeen gelooft echter nog steeds dat veel ziekten worden veroorzaakt door
kwade geesten die de patiënt lichamelijk verwonden of geestelijk kwellen. Tijdens een traditionele behandeling tracht men de kwade
geesten te bezweren met plechtigheden en rituelen. In de ogen van de
oerwoudbewoners zijn deze plechtigheden om ziekten te bestrijden en voorkomen belangrijke hoogtepunten in
hun leven die de
hechte band binnen hun gemeenschap nogmaals bevestigen.
De oerwoudbewoners gaan zelden
het oerwoud in en blijven bij voorkeur op de wandelpaden en in de buurt van de
rivierbedding. Slechts bij uitzondering begeven ze zich in groepjes in het
oerwoud bijvoorbeeld om rotan ranken te verzamelen. Voor hen betekent het
oerwoud op de eerste plaats gevaar - niet alleen het gevaar om te verdwalen,
maar vooral ook het gevaar van duistere en onbekende krachten die de mens in
levensbedreigende avonturen storten. Deze angst is altijd aanwezig in het
onderbewuste van de oerwoudbewoners, maar treedt zelden naar buiten. Alleen
tijdens rituelen en plechtigheden bijvoorbeeld als er
een noodlottig ongeval is geweest of als iemand op pad is in het oerwoud, wordt
deze angst voor toh of demonen zichtbaar. Men veronderstelt ze vooral aanwezig op de
drassige rivieroevers waar dichte begroeiing is en langs de wandelpaden waar veel boomwortels in de grond groeien. Ook op de
ruige toppen van heuvels
en bergen wonen volgens de oerwoudbewoners demonen die onzichtbaar zijn voor het menselijk
oog. Soms vermommen ze zich in een andere gedaante om de nietsvermoedende
passant te verleiden tot een onbezonnen stap. De oerwoudbewoners trachten zich hiertegen
te verweren met amuletten, wierook en allerlei bezweringen. een schuin kruis aan het begin van een pad of in een
veld. De angst van de oerwoudbewoners voor demonen is
nauw verbonden met hun geloof in een hiernamaals. Volgens dit geloof zwerft de
ziel van een overledene door het oerwoud tot hij boven op een bergrug komt.
Vandaar kijkt hij neer op het stroomgebied van een grote rivier met vijf
verschillende streken waar de doden verblijven. Mensen die sterven door ziekte
of ouderdom gaan naar een streek waar ze net zo leven als toen ze nog
niet dood waren. Degenen die sterven in de strijd of door een ongeluk gaan naar
een streek waar ze rijk worden zonder enig werk hoeven te doen en kunnen kiezen
uit alle vrouwen die in het kraambed sterven. Er is een streek voor diegenen die
verdrinken want zij erven alle kostbaarheden die verloren gaan wanneer boten
zinken of wanneer een langhuis door een overstroming wordt getroffen. In een
andere streek wonen de zielen van doodgeboren kinderen die geen vrees kennen
omdat ze nooit pijn hebben gevoeld. Zelfmoordenaars gaan tenslotte naar een
eigen streek waar ze een ellendig bestaan leiden en alleen wortels, bessen en
sago eten. Wanneer hij op de bergtop staat voelt de ziel zich een beetje vreemd
en begint hij te vermoeden dat hij daar zonder lichaam is gekomen. Dan gaat hij
zitten jammeren of weeklagen over zijn lot. Vervolgens daalt hij af om de
dodenrivier over te steken langs een boomstam die heen en weer wordt gerold door
de bewaker van het dodenrijk. Lukt dit niet dan valt de overbodige ziel in het
water en wordt hij opgegeten door de vissen. De meeste oerwoudbewoners leven van de
kleinschalige landbouw. Ieder gezin maakt elk jaar een of twee nieuwe stukken
grond vrij van struiken en andere begroeiing door ze om te hakken en te verbranden.
Als bescherming tegen de kwade geesten plaats men een schuin kruis in het veld.
Vervolgens zaait men de zaden in de bodem, daarna verzorgt men de gewassen en
tenslotte haalt men de oogst binnen. Daarna gebruikt men de grond nog enkele jaren
als suikerrietveld of als cassavetuin, maar de
meeste grond laat men over aan de vrije natuur om tot rust te komen. Dat is voor de oerwoudbewoners
een ingrijpend moment omdat zij een jaar lang aanwezig zijn geweest op het veld
en er lief en leed hebben gedeeld met elkaar en met de alom aanwezige geesten.
Op het moment dat men de grond weer aan de natuur overlaat houdt men daarom na het binnenhalen van de oogst
een plechtigheid om de ronddwalende
geesten te verzoenen. Als na een jaar of tien blijkt dat de geesten hen gunstig
gezind zijn en de wilde zaden weer tot groei komen maakt
men de grond opnieuw vrij voor landbouw. Deze methode van veldwisselbouw laat
grote delen van het oerwoud ongerept en geeft de natuur voldoende ruimte om zich te
herstellen. Het tast daarom het oerwoud niet of nauwelijks aan. Tijdens het
werk op het land zijn er vele pauze
momenten. Bij die gelegenheid vertellen de oerwoudbewoners
elkaar verhalen van lang geleden. Sommige van deze verhalen zijn legenden
rondom een belangrijke historische persoon of gebeurtenis. Meestal zijn het
sagen en mythen die bestaande culturele praktijken en met name godsdienstige
rituelen moeten verklaren. Nauw hiermee verwant zijn verhalen die
opmerkelijke en bijzondere verschijnselen in de natuurlijke omgeving zoals
boomstronken en rotsen in of langs de rivier een betekenis moeten geven.
Datzelfde geldt de verhalen die de lotgevallen beschrijven van grote
helden. De bedoeling van deze spannende en vaak luchtige verhalen is om het
eigen hardvochtige bestaan draaglijk te maken en voor- en tegenspoed een plaats te geven
alsof het voorbestemd is. Andere verhalen die de oerwoudbewoners vertellen zijn
sprookjes om hun kinderen te vermaken. Daarin komen vaak alledaagse voorwerpen
voor uit de nabije omgeving waarin een bovennatuurlijke kracht schuilt - zeker als het groeit, bloeit of
anderszins aan verandering onderhevig is. Het gaat in dit verband bijvoorbeeld om de
magische kracht die schuilt in badplaatsen, haardvuren
en landbouwvelden. Het gaat echter ook om de kracht in bomen, planten en gewassen.
Tijdens hun plechtigheden roepen zij deze voorwerpen aan in de hoop dat ziekten
of misoogsten hen bespaard blijven. De oerwoudbewoners van
Borneo zijn van oudsher bekwaam in verscheidene vormen van traditionele
huisnijverheid. Dat geldt vooral voor hun kwaliteiten als houtsnijwerkers.
Sommige bewoners snijden enorme grafpilaren uit het hout van een boomstam met een doorsnee van twee
meter en
een lengte van soms wel tien meter. Ze zijn van boven tot onder versierd met
talloze fijngesneden voorstellingen. In het oerwoud ontdekt men nog
steeds de overblijfselen van deze zogenaamde salongs of grafpilaren.
Minder indrukwekkend maar even mooi zijn de jachtamuletten en de messen
van de oerwoudbewoners. De kwaliteit van hun geweven manden staat eveneens in hoog aanzien op
Borneo. De manden zijn meestal gemaakt van rotan,
maar soms worden ze ook gemaakt van bamboe, helmgras of palmblad. De techniek
die men gebruikt voor het maken van manden past men ook toe op slaapmatten,
stoelen en schuilplaatsen. Iedere etnische groep heeft zijn eigen
patronen. Een andere vorm van nijverheid waarin ze uitblinken is die
van pua kumba of het weven van textiel volgens traditionele motieven. Ook
zijn ze goed in het aaneenrijgen van kralenkettingen. Het
is opmerkelijk dat de mannen gemiddeld een hogere leeftijd bereiken
dan de vrouwen. Dat komt omdat de vrouwen van jongs af aan harder moeten werken. Iedereen draagt
zijn steentje bij aan het huishouden ongeacht leeftijd of geslacht. Maar
de
vrouwen werken het hardst van allemaal. Naast het werk op het veld
verrichten zij ook huishoudelijke taken zoals het koken van een maaltijd en het
aanvullen van de watervoorraad. Ook de meisjes werken harder dan de jongens. Ze verzorgen de kippen en de
varkens, leggen de rijst in de zon te drogen en helpen die fijn te stampen. De
gezinsleden hebben allen een aandeel in het huishouden dat varieert van de
woonruimte tot de landbouwvelden met de werktuigen en de wapens. Wanneer een van
de kinderen trouwt vormt hij of zij een eigen gezin. Het komt voor dat een vrouw
bij
haar man gaat wonen, maar het omgekeerde komt ook voor. In dit opzicht is er geen
onderscheid naar geslacht.
Soms komt het voor dat men meer overhoudt dan men heeft opgemaakt. Dat overschot
kan men verkopen aan een handelaar om het geld vervolgens uit te geven in een
winkel tijdens een uitstapje naar de stad. Een andere mogelijkheid is dat men
het overschot verkoopt aan een handelaar en het geld daarna tegen rente
uitleent. Doorgaans bewaart men het overschot echter in de vorm van rijst om
deze voorraad in tijdens van schaarste te kunnen aanspreken. Maar deze voorraad
blijft slechts een beperkte periode van ongeveer drie jaar goed. Daarna verruilt
men de rijstvoorraad voor waardevolle artikelen als lukut of kralen van
edelsteen, aardewerk voorraadpotten, koperen
geschut en bronzen gongs. Minder waardevolle maar gewaardeerde ruilvoorwerpen
zijn borden en schalen. Tegenwoordig zijn andere artikelen zoals geweren,
spaarlampen, buitenboordmotoren en zelfs televisietoestellen hooggewaardeerde
voorwerpen. Door het opdringen van de westerse
wereld zijn sommige bewoners in direct contact gekomen met een vreemde cultuur. Voor velen is dit
aanleiding geweest om het eenvoudige leven in
het oerwoud te verruilen voor een eengezinswoning in de buurt van een moderne
stad. Daar komen ze in aanraking met andere godsdiensten en bijbehorende
gebruiken en gewoonten. De islam heeft tot nog toe weinig vat op hen gekregen. De christelijke missie heeft daarentegen met
redelijk succes zendingswerk verricht. Het christendom bleek in staat om
elementen uit het oude geloof op te nemen en te integreren. De Maleisische regering doet allerlei pogingen om
hen te integreren in de moderne wereld. Ze poogt hen met allerlei middelen te
overreden om hun zwervend bestaan of hun armoedig leven op een vaste plaats op
te geven en zich in moderne huizen en in de wereld van vooruitgang te vestigen.
Dat gaat niet zonder problemen. Velen houden vast aan een traditionele leven in
het oerwoud waar nog men nog steeds gelooft in natuurkrachten.
Terug
naar inhoudsopgave
Iban
De Iban vormen de grootste groep van de
oerwoudbewoners. Zij wonen voornamelijk in het
laagland langs de rivieren. Vroeger waren de Iban berucht om hun vijandelijke
houding en hun veroveringsdrang. Het waren gevreesde koppensnellers. De blanke
radja's die hen in de negentiende eeuw bestuurden hebben
het koppensnellen verboden. Alleen in de Tweede Wereldoorlog stak
het weer de kop op: Japanse soldaten waren deze keer de slachtoffers. Tegenwoordig komt het niet meer voor. Het
koppensnellen was voor de Iban niet een wreed spel, maar het paste in hun
wereldbeeld. Men geloofde dat het meenemen van andermans
hoofd het bewijs was van de kracht van de jager. Ook geloofde men dat de kracht
van de onthoofde persoon overging op degene die hem had gedood. De schedels
werden gedroogd en
ontdaan van de hoofdhuid. Daarna werden ze bijeengebonden met een rotan
koord of verzameld in een mand en
opgehangen in het langhuis, waardoor de kracht ook in de gemeenschap werd
gebracht. Deze kracht vervloog echter na verloop van tijd en moest worden
aangevuld. Daarom waren telkens nieuwe strooptochten nodig. Vaak diende een man
die wilde trouwen deze rituele jacht uit te voeren om te bewijzen dat hij een
volwaardig lid van de gemeenschap was. Tegenwoordig kan men de oude schedels uit de tijd van het koppensnellen
nog zien hangen aan de overdekte gang. De schedels kregen
slechts één keer bijzondere aandacht namelijk op het moment dat ze voor de eerste keer naar huis
werden gebracht als
bijzondere offergave voor de goden. Later werden ze opgeborgen en
slechts bij uitzondering weer tevoorschijn gehaald voor een schoonmaakbeurt of
voor een vernieuwing van hun windsel. Men bewaart de schedels als een herinnering aan
de gevaren voor en de overwinningen van de gemeenschap en als vertrouwen
voor de toekomst dankzij de bovennatuurlijke krachten die men eraan toedicht.
De Iban wonen in een langhuis dat onderdak biedt aan een groot aantal
huishoudens die er ieder hun eigen woonruimte hebben. Het aantal pintu of deuren
bepaalt de lengte die kan wisselen van twintig tot meer dan tweehonderd meter. Iedere deur is de ingang van een bilek
of woonruimte met een gecombineerde woon- en slaapkamer, een
keuken achterin en een zolder die men gebruikt voor de opslag van rijst.
Tegenover de bilek is een overdekte veranda of ruai die men
gebruikt voor de ontvangst
van bezoekers of voor ontspanning met vrienden en kennissen. Buiten de ruai is een open veranda of tanju die
men gebruikt voor het drogen van rijst, peper en rubber. Het geheel staat op houten
palen vijf meter boven de grond en heeft een breedte van ongeveer twintig meter.
Via een trap bestaande uit een boomstam
met ingekerfde treden bereikt men de bilek of overdekte veranda van het
langhuis. Een verzorgd en welvarend langhuis
is gemaakt van tropisch hardhout en bedekt met houten dakspanen of zinken golfplaten.
Delen van het langhuis bevinden zich echter in een verschillende toestand, omdat
iedere familie zelf verantwoordelijk is voor het onderhoud van het eigen
gedeelte.
De bouwstijl van een langhuis heeft enerzijds te maken met de noodzaak van een
goede verdediging tegen vijandelijke aanvallen. Anderzijds bespaart deze manier
van bouwen de bewoners veel bouwmateriaal omdat ze hetzelfde raamwerk en
gemeenschappelijke binnenwanden hebben.
In een langhuis zijn er twee gezagsdragers. De eerste
is de tuah burong of
vogelwichelaar die verantwoordelijk is voor het rituele welzijn van de bewoners. Hij leest de
ingewanden van geofferde kippen voor aanvang van een belangrijke gebeurtenis. Als hij
daarin enige afwijking ziet dan beschouwt
men dit als een slecht voorteken van de
goden. Hij bezit
ook het vermogen om via zijn dromen in aanraking te komen met de
goden. Die staan onder leiding van Singalang
Burong en naar verluidt openbaren zij zich steeds in de vorm van een vogel.
Tegenwoordig laat de oppergod zich zien als
een kustarend waar het vroeger een neushoornvogel was. De tuah rumah of hoofdman is de leider
en als zodanig bewaakt hij de adat of het gewoonterecht. Hij treedt op
als scheidsrechter bij onenigheid in de gemeenschap. Hij moet ook
zorgen dat er goede afspraken worden gemaakt met handelaren die hun producten
willen verkopen. Zijn leiderschap duurt zolang hij leeft. Wanneer hij overlijdt,
kiezen de bewoners uit hun midden een nieuwe hoofdman die de volgende eigenschappen moet
hebben: wijsheid opdat men zijn adviezen volgt, zachtmoedigheid
opdat men zijn beslissingen aanvaardt, rijkdom omdat daarmee het aanzien stijgt van
de gehele gemeenschap en
tenslotte geloof opdat hij zijn invloed bij de voorvaderen kan
aanwenden.
Doorgaans roept de hoofdman een vergadering bijeen als het algemeen belang dat
noodzakelijk maakt, zoals de voorbereiding van een feest of de start van een nieuw
landbouwseizoen. De hoofdman beweegt de aanwezigen tot een
gezamenlijk besluit dat eenieder aanvaardt ook als men formeel bezwaren heeft
gemaakt. Vrouwen nemen geen deel aan de vergadering, tenzij het
onderwerp voor hen van bijzonder belang is. De
rol van hoofdman in een langhuis is
niet voorbehouden aan een
bepaald gezin of familie.
De bewoners van een langhuis kennen namelijk geen verschillen in
rangen of standen. Toch zijn er
verschillen in status. De woonruimte van een
hoofdman ligt bijvoorbeeld op een centrale plaats.
Daarnaast zijn er onderlinge verschillen op basis
van rijkdom en vermogen. Die
leest men
af aan de hoeveelheid en de kwaliteit van
de rijst die een huishouden produceert. In dit verband past het aloude
gebruik van de bejalai dat jonge mannen naar verre gebieden reizen om er
rijkdom en kennis te vergaren. Hun doel is om na enkele jaren overladen met
kostbare bezittingen terug te keren. De talrijke tatoeages op zijn lichaam
herinneren aan de vele reizen die een man heeft gemaakt. Iban vrouwen reizen
niet en het gebrek aan contact met de buitenwereld heeft hen behoudend gemaakt. Ze hebben echter geen lagere status in de
gemeenschap. Zij werken mee op het veld en zijn daarnaast zeer bedreven in
allerlei vormen van huisnijverheid. Bovendien dragen ze zorg voor de opvoeding
van de kinderen en zijn ze de baas in het huishouden. Tenslotte hebben ze gelijke
rechten met betrekking tot bezit en erfenis. Als ze deelnemen aan een
vergadering hebben zij een gelijke stem.
De leden van een
gezin wonen samen in een woonruimte van het langhuis. Ze gebruiken er
gezamenlijk de maaltijd en bewaren er hun spaarzame bezittingen. Het is echter niet
de plaats waar ze gezamenlijk de nacht doorbrengen. Doorgaans slapen de meisjes
apart van de anderen in een zolderruimte boven de binnenveranda tegenover de
woonruimte van hun ouders. Daar hebben ze vrijelijk omgang met andere
leeftijdgenoten. De jongens zoeken in de avonduren de meisjes op om wat te
kletsen en te zingen of te dansen. Tijdens deze gebeurtenissen ontstaan de
eerste liefdesrelaties. Als twee
geliefden willen trouwen, dan maken zij dit kenbaar aan hun ouders die daarin geen verdere zeggenschap hebben. Het huwelijk zelf is geen bijzondere
gebeurtenis en voltrekt zich in het ouderlijk huis van de bruid of de bruidegom
naargelang de plaats waar men gaat wonen. De aanwezige vrienden en familieleden
krijgen een maaltijd en drankjes. Onder de aanwezigen zijn ook enkele
dorpsoudsten die een toespraak houden over de kwaliteit van het leven, over het
belang van een goede verstandhouding en over de zegeningen van het huwelijk.
Vervolgens blikken de ouders van de bruidegom en van de bruid terug op het leven
van hun zoon of dochter. Daarna getuigen de bruid en de bruidegom van hun liefde
voor elkaar en daarmee bezegelen ze hun huwelijk.
Buiten het gezin hebben in een langhuis onderlinge familierelaties weinig
betekenis. Weliswaar kent men een vorm van voorouderverering, maar
het gaat hierbij niet om de voorouders van een afzonderlijke familie doch om de
bewoners die zich in het verleden bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt
voor de gehele gemeenschap, bijvoorbeeld vanwege hun wijsheid of hun
rijkdom. De ouderen vernoemen zich uit genegenheid naar de kinderen in het
langhuis
en omgekeerd aanvaarden de kinderen deze naam uit eerbied voor de ouderen. Dit verschijnsel bekend als teknonymie overstijgt de grenzen
van het eigen gezin of familie. Een man kan door het leven gaan als de
"papa" van een kind zonder dat er sprake is van enige
bloedverwantschap. De bewoners hechten daarentegen wel enig belang aan de
relatie met de schoonouders en de schoonbroers en -zussen. Dat is een
geruststelling voor de personen die nog nieuw en onbekend zijn in de gemeenschap na een huwelijk met de bewoner van een ander
langhuis. Aan de
overige familierelaties kent men buiten de beslotenheid van het eigen gezin geen
bijzondere waarde toe. Van oudsher leven de bewoners in een
langhuis van de landbouw door droge
rijst te verbouwen op de flanken van de heuvels. De
droge rijstvelden of umai hebben ze slechts één of twee seizoenen in
gebruik. De bewoners besluiten tijdens
een vergadering onder leiding van een hoofdman tot een gezamenlijk begin van het
seizoen omdat het prettiger en gemakkelijker is om gezamenlijk op het veld te
werken. In drukke periodes zoals de zaaitijd
kan hun aantal oplopen tot wel veertig personen, soms werken er slechts
twee bewoners gezamenlijk op een veld. Voor iedere bewoner die een dag
op het land komt helpen werken is men in ruil een dag arbeid verschuldigd. Die
arbeid hoeft men niet zelf te leveren, men kan ook een gezinslid sturen om de
schuld met een dag werk te vereffenen. Dat hoeft niet meteen, maar het mag ook
niet te lang duren voordat de schuld is vereffend. Tegenwoordig leggen steeds meer
Iban boeren zich toe op de verbouw van commerciële gewassen zoals peper en
veranderen ze hun landbouwvelden in rubberplantages of oliepalmplantages.
Anderen trekken naar de steden om daar een beter bestaan te zoeken. In
een langhuis houden de bewoners zich bezig met verschillende vormen van
nijverheid zoals de traditionele weefkunst die alom in hoog aanzien staat. Ze
weven met
behulp van een eenvoudig weefgetouw uiteenlopende textielsoorten waarvan de pua
kumbu de belangrijkste zijn. Men gelooft dat ze het
vermogen bezitten om kwade geesten af te weren. Van oudsher komen in de
ontwerpen voorstellingen voor die te maken hebben met het koppensnellen en met de verbouw van padi of rijst. In de
traditionele Iban cultuur stelt padi rijst de bron van alle leven
voor, terwijl een schedel wijst op vruchtbaarheid. Deze voorstellingen keren
onder meer terug in de wandkleden en in de kleding van de dansers tijdens een traditionele plechtigheid. Het danskostuum van een danseres heeft daarnaast een grote hoeveelheid zilveren versieringen. De
sarong
of wikkelrok is versierd met zilveren munten en de danseres draagt talrijke zilveren
armbanden en enkelbanden evenals een schitterende sugu tinggi of
decoratieve zilveren hoofdtooi. De zilveren sieraden van de Iban worden
overigens van
oudsher vervaardigd door rondtrekkende zilversmeden die oorspronkelijk afkomstig
waren uit West Kalimantan.
Tijdens het dansfeest
maakt men gebruik van zelf vervaardigde muziekinstrumenten zoals drums, gongs en verschillende
snaarinstrumenten naar traditioneel voorbeeld. Sommige
bewoners hebben zich bekeerd tot het christendom,
maar er zijn nog velen die het oude animisme aanhangen. Ze geloven ook tegenwoordig nog
in een wereld waarin duistere krachten een belangrijke rol spelen. Vooral
wanneer ze een bepaalde vogel op hun pad zien vermoeden ze daarin een goed of
een slecht voorteken. Ze houden regelmatig rituele plechtigheden om hulp te vragen van beschermgeesten en om
kwade geesten te verzoenen. Om zeker te zijn van het
succes slachten ze voorafgaand aan een plechtigheid een kip en
onderzoeken ze de
lever op mogelijke voortekenen. Bij hun rituelen maken ze ook gebruik van houten
maskers met een magische betekenis. Een voorbeeld is de Gawai Kenyalang
waarbij ze een
beeld met de voorstelling van een neushoornvogel in processie rond dragen die ze
beschouwen als een beschermgeest. Vroeger was de plechtigheid bedoeld om de jonge krijgers moed te verlenen als zij op oorlogspad
gingen. Ze geloofden dat de geest van de neushoornvogel hen zou helpen bij het verslaan en doden
van de vijand. Tegenwoordig houdt men de plechtigheid ter gelegenheid van de bejalai
of het vertrek van een jongeman die het langhuis voor een periode van
enkele jaren verlaat om elders te gaan wonen en werken opdat hij overladen
met kennis en rijkdom na enkele jaren terugkeert. Een zeldzame plechtigheid is de Gawai
Antu ter ere van de overleden voorouders. Bij die gelegenheid sommen lemambang
of zangers de hele geschiedenis op van de Iban en roepen zij
de geesten op om hun offergaven te aanvaarden. Vervolgens plaatsen zij ter
nagedachtenis een kleurige bewerkte sungkup of begrafenishut op het
kerkhof. Bij de Iban zijn tatoeages zeer belangrijk. Bij een bezoek aan een langhuis
blijkt dat alleen de ouderen nog met tatoeages rondlopen. Voor hen was het een middel om de eigen
kracht en schoonheid te onderstrepen en te laten zien tot welke groep men
behoorde. De tatoeage gaf ook de plaats in de samenleving aan.
Vooral bij oudere mannen zijn de tatoeages
nog zichtbaar onder hun shirt en korte broek of onder hun ontblote bovenlichaam.
Dan blijkt dat hun lichaam is overdekt met
kringetjes en rozetten, spiralen en strepen. Een grote tatoeage in de hals
getuigt van hun moed. Een tatoeage op de dijen wijst op hun status als hoofdman.
Een reeks van puntjes en arceringen op de bovenste kootjes van de vingers betekent dat ze koppen hebben gesneld. Voor vrouwen is de
tatoeage vooral een middel om hun schoonheid te benadrukken. Men kerft eerst de
voorstelling in een stuk hout en smeert daar vervolgens inkt op. Dit stuk hout
wordt tegen het lichaamsdeel gedrukt waarop de tatoeage moet komen. Vervolgens
wordt met een naald die in een vloeistof is gedoopt de omtrek aangegeven. Met
een soort hamertje met een drietal naalden wordt dan de voorstelling in de huid
geprikt. Over de bewerkte huid wordt vervolgens rijst gesmeerd om infecties te
voorkomen.
Voor de bewoners van een langhuis is gastvrijheid van grote
betekenis. Hun omgangsregels gebieden hen om een bezoeker gastvrij te onthalen. De
bezoeker wacht daarom een warm welkom waarbij men herhaaldelijk een
glas tuak of rijstwijn krijgt aangeboden, dat men uit beleefdheid niet
mag weigeren. Al bij de trap naar de ingang van het langhuis wachten de
bewoners hun bezoeker op met het slaan van een gong en met het strooien van rijstkorrels. Het
is de gewoonte dat men zijn bezoekers plaats laat nemen op matten die men
speciaal voor hen neerlegt op de vloer. Voorts is het gebruikelijk dat
men zijn gasten een flinke maaltijd voorschotelt bestaande uit rijst en vlees.
Na de maaltijd biedt men zijn gasten wederom volop drankje aan in de vorm van
rijstwijn. Doet men dit niet dan lijdt men gezichtsverlies. Dat is een
kwellende gedachte voor de gastheer die vreest dat het gezichtsverlies hem lange
tijd zal blijven achtervolgen. De bezoeker mag hetgeen zijn gastheer hem
aanbiedt niet weigeren. Doet hij dit toch, dan lijdt hij op zijn beurt
gezichtsverlies met het vooruitzicht van panun of langdurige kwelling.
Vooral tijdens religieuze plechtigheden is het van groot belang dat men zijn
verplichtingen nakomt. Iedereen moet een bijdrage leveren aan de plechtigheden
en iedereen moet daartoe ook gelegenheid krijgen om gezichtsverlies te
voorkomen. Ook in tal van andere opzichten leeft de vrees voor
gezichtsverlies.
Terug naar inhoudsopgave
Penan De
Penan vormen slechts een kleine groep van oerwoudbewoners. Ze
leven een zwervend bestaan in het
oerwoud waarbij ze een half jaar tot een jaar op een bepaalde plek blijven totdat
de wilde varkens en andere dieren zijn verdwenen en totdat de pantu
palmbomen zijn uitgeput. Dan trekt het hele gezin door het onbegaanbare oerwoud
verder naar een nieuwe plek met alle bezittingen op hun rug om er in een
tijdsbestek van enkele uren een nieuw lamin tana of tijdelijk onderkomen
te bouwen. Als
gevolg van de vele vijandelijkheden in het verleden leven de Penan op gespannen voet met de
Iban.
Daarentegen rekenen zij andere oerwoudbewoners tot hun bevriende buren. Dat komt
vooral omdat de nomadische Penan geen landrechten opeisen die
vaak de bron zijn van etnische rellen. Tegenwoordig leven nog maar weinig
Penan een zwervend bestaan als
nomaden in het oerwoud. Onder druk van de overheid hebben velen
zich gevestigd in een permanent onderkomen in de vorm van een langhuis langs de rivier.
Dat neemt niet weg dat de gevestigde Penan
herhaaldelijk terugkeren naar het oerwoud om er te jagen en vruchten te
verzamelen. De nomadische Penan
planten geen rijst en bedrijven geen landbouw. Hun basisvoedsel bestaat uit wilde tapioca, luan en sago
van de aping en pantu palmboom. Ze eten vlees
en vis als aanvulling op hun basismaaltijd bestaande uit sagomeel. Ondanks hun zwervend bestaan zijn het uitstekende
handwerkslieden. De mannen smeden zelf hun gebruiksvoorwerpen en ze maken ook
zelf blaaspijpen voor de jacht, terwijl de vrouwen manden maken voor het
verzamelen van bosvruchten en rotan matten als vloerbedekking voor hun lamin
tana of tijdelijke onderkomen. Tegenwoordig zijn er ook Penan die
onder druk van de overheid en in
navolging van andere inheemse bevolkingsgroepen in een langhuis wonen en rijst
verbouwen alsmede andere landbouw gewassen. Dat neemt niet weg dat
ze herhaaldelijk terugkeren naar het oerwoud om er te jagen en vruchten te
verzamelen. Omdat ze tegenwoordig ook landrechten
eisen, ontstaan er nieuwe spanningen met
andere bevolkingsgroepen. De Penan die
zwervend door het oerwoud trekken geloven in een wereld waarin duistere krachten een belangrijke rol spelen.
Zowel kinderen als volwassenen dragen amuletten om de kwade geesten af te weren.
Anders dan de omringende bevolkingsgroepen bedienen zij zich niet van
uitgebreide rituele plechtigheden. Als iemand van hen komt te overlijden
begraven zij hem onder de hut en laten die achter om te verhuizen naar een nieuw
tijdelijk onderkomen in het oerwoud. De
Penan in een langhuis hebben zich onder invloed van de overheid bekeerd tot de islam.
Desalniettemin hangen velen van hen nog een vorm van animisme aan. Van andere
bevolkingsgroepen hebben ze nieuwe begrafenisgebruiken overgenomen. Ze
maken bij het overlijden van een hoofdman een salong
of een sierlijke houten graftombe boven op een stevige houten paal die
de resten van een overledene bevat. In een gezamenlijke bijeenkomst kiezen zij
een geschikte merang boom die ze kappen en gezamenlijk vanuit het oerwoud
naar het langhuis brengen. Tijdens een nieuwe bijeenkomst aldaar bespreken zij de houtsnijwerk
motieven die ze op de salong aanbrengen. Een
gebruikelijk ontwerp is de kalong bana of hondpatroon die men aanvult met
ogen overal op de paal. Als de paal na enkele maanden
klaar is stellen zij gezamenlijk de nulang vast of de dag waarop de overledene
verhuist van zijn tijdelijke kist naar een gusi of urn in de salong.
Terug naar inhoudsopgave
Kuching

In de negentiende eeuw hebben veel mensen
zich in Kuching gevestigd aan de monding van de Sarawak rivier vanwege de
aanwezigheid van delfstoffen in de omgeving. James
Brooke vestigde hier zijn regeringscentrum. Charles Brooke gaf de stad in 1872
zijn tegenwoordige naam kuching of kat in het Maleis. Hij vestigde er
verschillende overheidsgebouwen met een karakteristieke bouwstijl. Die verenigde
Moorse elementen uit de tropische omgeving met neoklassieke kenmerken uit
Europa. Het neoclassicisme was in de negentiende eeuw alom de favoriete bouwstijl
voor representatieve
regeringsgebouwen. Veel historische
gebouwen in het oude centrum van de stad zijn bewaard gebleven en ontkwamen aan de verwoestingen tijdens de
Tweede Wereldoorlog. Het centrum van de stad heeft
tegenwoordig nog steeds een landelijke
uitstraling met ruime parken en brede wegen rondom de historische gebouwen. Nog
steeds wonen er mensen
van verschillende afkomst en godsdienst vredig naast elkaar.
Aan de noordkant van de Sarawak rivier staat het
koninklijk paleis Astana dat Charles Brooke in 1870 liet bouwen ter
gelegenheid van de komst van zijn vrouw Margaret. Het is tegenwoordig de
ambtswoning van de gouverneur van Sarawak. Het is een wit gebouw met dakspanen
op een grasveld langs de oever van de rivier. Niet ver daarvandaan bevindt zich op
een lage heuvel fort Margherita dat Charles Brooke in 1879 liet bouwen om de
stad te beschermen tegen naderende piraten. Het witte fort, compleet met
kantelen, biedt een aangenaam uitzicht over de rivier. Aan de zuidkant van de Sarawak rivier staat
het Hooggerechtshof uit 1874. Het was het
tweede gebouw dat hier werd gebouwd. Tot voor kort werden hier rechtszaken gehouden.
De klokkentoren aan de voorkant werd in 1883 toegevoegd. Er is tevens een kleine
granieten gedenksteen voor Charles Brooke. Op de vier
hoeken van dit gebouw zijn de vier belangrijkste bevolkingsgroepen van Sarawak
uitgebeeld. De kleine vierkante toren aan de waterkant tegenover het
Hooggerechtshof werd
in 1879 gebouwd en deed dienst als gevangenis.
Terug naar inhoudsopgave
Semenggoh

Op ruim dertig kilometer ten zuiden van Kuching ligt
een opvangcentrum voor wilde dieren in Semenggoh. Hier worden onder andere
orang-oetans voorbereid op hun terugkeer naar het oerwoud. De
orang oetans zijn de enige mensapen die buiten Afrika leven. Ze
komen alleen voor op Borneo en het
Indonesische eiland Sumatra. Hun voortbestaan wordt bedreigd door de jacht en
het vernietigen van hun natuurlijke leefomgeving door grootschalige boskap. Ze
behoren daarom tot de beschermde diersoorten. In Semenggoh gaat het
meestal om dieren die een tijd in gevangenschap hebben gezeten,
verstoten zijn of waarvan de moeder dood is. Met zeer veel geduld worden de
dieren hier verzorgd. Ze leren steeds meer op zichzelf te staan. Men houdt de
voeding doelbewust zeer eentonig - bananen en meel - om de beesten aan te zetten
op zoek te gaan naar wat beters in het bos. Het is de bedoeling dat ze
langzamerhand weer in het wild leren leven. Uiteindelijk trekken de dieren weer
het oerwoud in. Vaak komen de vrouwelijke dieren terug als ze drachtig zijn. Na
de bevalling gaan ze weer terug naar het oerwoud.
De oerwoudbewoners beschouwen de
orang-oetan als een geestelijke neef. Volgens een van hun fabels zijn alle
orang-oetans afstammelingen van een man die zich schaamde voor iets dat hij in
zijn gemeenschap had misdreven. De man is toen uit schaamte voor dit misdrijf
het bos ingevlucht. Daar paarde hij met een geheimzinnig beest en werd zo de
vader van de eerste orang-oetan. Een ander verhaal beschrijft hoe de goden
alle eerste levensvormen op aarde hebben geschapen. Toen zij de mens maakte,
waren zij zo tevreden dat zij een feest aanrichtten. Toen zij de volgende dag
wat van hun uitspattingen waren bekomen, probeerden zij nog meer mensen te
scheppen, maar zij hadden helaas een essentieel ingrediënt vergeten en
maakten alleen maar orang-oetans. Evenals de oerwoudbewoners beschouwen ook
moderne wetenschappers deze apen als één van de naaste verwanten van de
mens. Zij baseren zich daarbij op het onderzoek van fossiele beenderen en op
biochemische overeenkomsten in de bloedeiwitten en chromosomen.
In de loop der tijden hebben de
orang-oetans zich aangepast aan het boomleven. Hun gezicht is beter dan hun
reukvermogen. Net als veel andere mensapen hebben zij korte neuzen en grote
naar voren gerichte ogen als bij de mens. Dat stelt hen in staat om afstanden
in te schatten bij het springen van tak tot tak. Net als de meeste andere
mensapen hebben zij geen klauwen maar handen en voeten met vingers die zijn
voorzien van vleeskussentjes en stompe nagels voor het vastgrijpen van takken.
Evenals andere mensapen staan zij rechtop bij veel van hun bezigheden. In tegenstelling tot andere mensapen wonen de orang-oetans
echter niet in groepsverband maar leven ze een eenzaam en teruggetrokken leven.
Ze komen zelden op de grond maar bewegen zich voort door van boom naar boom te
slingeren. Hun bewegingen zijn daarbij
voorzichtig en weloverwogen. Ze springen niet van de ene boom naar de andere,
maar zwaaien de boomtop net zo lang heen en weer tot ze een tak van de
volgende boom kunnen grijpen. Dan trekken ze de beide boomtoppen naar elkaar
toe, brengen hun gewicht over op de volgende boom en steken veilig over. Bijzonder aan ze is ook dat ze nesten maken van takken en twijgen om te
overnachten.
Volwassen mannetjes wegen meer dan honderd kilo wegen en worden
anderhalve meter lang met een reikwijdte van ruim twee meter voor hun armen. Ze
trekken steeds in hun eentje rond zonder gezelschap van hun soortgenoten. De
vrouwtjes zijn tenger gebouwd en wegen zelden meer dan vijftig kilo. Hoewel
ze vaak vergezeld zijn van een of twee jongen voegen zij zich nooit bij andere
moeders om een grotere groep te vormen. Er is een heel eenvoudige verklaring
voor dit eenzame bestaan. Orang-oetans zijn grote dieren met een heel eigen
dieet en hun grootste probleem is het vinden van voedsel. In verband met hun
gewicht valt het trekken door de boomtoppen hen zwaar en kunnen zij per
dag over een afstand van slechts enkele honderden meters voedsel zoeken. Om
het probleem nog groter te maken zijn hun lievelingsvruchten - vijgen,
doerians, ramboetans en mangos - maar schaars en komen zeer verspreid voor.
Daarom moéten ze op hun eentje leven en kunnen zij niet sociaal zijn. Als zij
elkaar onverwachts tegenkomen tonen zij een volslagen gebrek aan
belangstelling voor elkaar. Hoewel ze ontzettend sterk zijn worden ze maar
zelden agressief. De mannetjes raken eigenlijk alleen opgewonden als andere
mannetjes in hun territorium binnendringen.
Orang-oetans kunnen veertig jaar
oud worden. Na hun geboorte worden de jongen twee jaar lang gezoogd door hun
moeder die veel tijd en aandacht besteedt aan hun opvoeding. Het duurt
minstens drie jaren voordat zij weer toe is aan een nieuwe nakomeling. Vanaf
hun achtste jaar zijn de vrouwtjes geslachtsrijp. Op het moment dat ze
ontvankelijk zijn voegt zich een mannetje bij hen. De mannetjes nemen hun
gezinsplichten echter niet waar. Na een korte vrijage van enkele dagen tot
enkele weken verlaten zij hun partner en laten de opvoeding van eventuele
jongen aan haar over. Als ze wat ouder worden gaan de jonge mannetjes op
avontuur en verlaten ze steeds vaker en steeds langer hun moeder. Nu en dan
blijven zij bij andere gezinnen rondhangen of voegen zich bij groepjes
jongeren. Tenslotte scheiden zij zich helemaal van het gezinsleven af en
verspreiden zich wijd over het oerwoud op zoek naar een eigen territorium om
daar op hun gemak geschikte vrouwtjes het hof te maken. De jonge vrouwtjes
blijven bij hun moeder tot zij geslachtsrijp zijn en zelf aanbidders
aantrekken. Als zij zich van het gezin losmaken gaan zij niet ver uit de
buurt, maar vestigen zich aan de rand van hun moeders territorium.
Terug naar inhoudsopgave
Bako

Op veertig kilometer ten noorden van Kuching
ligt een groot natuurgebied. Het Nationaal Park van
Bako omvat
zevenentwintig vierkante kilometer ongerept voorgebergte tussen de mondingen van
de Sarawak en de Bako rivier. In het gebied komen mangrovebossen voor langs de
kust evenals rotsachtige landtongen die zijn doorsneden met zandstranden. Het park telt
zeven vegetatiesoorten. Daartoe behoren
onder meer het regenwoud,
het mangrovebos, het veenmoeras en de kerangas met een kenmerkende
plantengroei die alleen voorkomt op de droge, zanderige en poreuze zandsteen
plateaus in dit gebied. Op botanisch gebied komt men er vleesetende planten
tegen langs de wandelpaden die zijn uitgezet in het park. Vanuit het hoofdkwartier van het Bako Nationaal Park zijn
verschillende trails of wandelroutes uitgezet die met bepaalde kleuren op de bomen en de
rotsen in het oerwoud zijn
aangegeven. Ze bedragen samen een lengte van meer dan dertig kilometer
variërend van korte wandelingen rond het hoofdkwartier tot zware wandelingen
naar het einde van het schiereiland. De wandelingen zijn genoemd naar een berg,
naar een waterval, een mangrovebos, een strand of een rotsklip in de omgeving.
Een dergelijke wandeling is lichamelijk uitputtend en het gemiddelde tempo is laag omdat men
in een heet en vochtig klimaat over glibberige paden moet lopen die bezaaid zijn
met boomstronken.
Op de bodem van het oerwoud is het licht schemerachtig.
Gras groeit daar niet en maar heel weinig struikgewas. Hoogstens zijn er
hier en daar tussen het bladafval bodemplanten als kleine palmen die maar kort
leven. Er zijn ook planten die geen zonlicht hebben. Het opvallendst zijn de
zwammen die zich voeden met ontbindende organische materie. Dankzij het
klimaat zijn de meeste bomen in het gebied het gehele jaar groen. Dankzij de
uitbundige plantengroei is er voor de dieren in het park een constant
voedselaanbod dat nooit wordt onderbroken door winterse koude of droge perioden.
Elke maand heeft zijn opbrengst aan bloemen, vruchten en nieuw blad. De dieren
kunnen zich daarom in hun voedingsgewoonten gaan specialiseren. Dat geldt ook
voor de dieren die in het Nationaal Park van Bako leven.
De mangrovemoerassen in het nationaal park zijn op
sommige plaatsen enkele kilometers dik en bevatten wel dertig verschillende
mangrovesoorten. In de voorste lijn staan de sonneratia en avicennia die zich
net boven de laagste waterlijn vastzetten. Naarmate zij verder zeewaarts
optrekken binden zij de modder met hun wortels die de fijne slibdeeltjes en
alle getijdengruis vasthouden. Omdat hun wortels bijna voortdurend door
de verstikkende modder en het zeewater worden afgedekt, hebben deze bomen een
vreemd ademhalingsstelsel ontwikkeld. Ze laten duizenden dunne scheutjes
loodrecht omhoog groeien zodat die boven het water en de modder uitsteken.
Daardoor halen zij adem voor de wortels beneden. Ze staan altijd in bloei
zelfs al zijn het nog beginnende boompjes. De vruchten hangen nog aan de boom
als de wortels en bladen alweer gaan ontkiemen. Dit laatste komt ook voor bij
de rhizophora die op de hoger gelegen modderbanken staan en de tweede lijn
vormen van het mangrovebos. Deze bomen hebben steltachtige wortels die
straalsgewijs uit de stam groeien, naar buiten buigen en dan de modder
induiken. Op die manier dienen zij als steun voor de boom in de verschuivende
modder. Zij zijn rijkelijk voorzien van luchtporiën die zuurstof opnemen en
naar de onderste wortels afvoeren.
Het Nationaal Park is vooral bekend om zijn wilde diersoorten. In het gebied leeft een groot aantal dieren waaronder
de zeldzame proboscis of neusapen. Ze leven in de mangrovebossen langs het strand en voeden zich
uitsluitend met jonge bladscheuten van
de sonneratia boom. De neusapen behoren tot de apensoort van de langurs en hebben een zeer
merkwaardig voorkomen. Ze hebben een roodbruine vacht, witte armen, benen en
staart en een rood
gezicht.
Het mannetje heeft een
lange
rode hangneus en een bolle buik.
De vrouwtjes en jonkies zijn sierlijker gebouwd en hebben een opstaande
neus. Ze wonen in groepen waarin één mannetje de baas is
over ongeveer twintig vrouwtjes. Jonge mannetjes maken in hun jeugd deel uit van
de groep waarbinnen ze zijn geboren, maar worden uit de groep gezet zodra ze een
bedreiging gaan vormen voor de leider. Dan trekt de jonge aap een tijdje rond in
een groep van lotgenoten totdat hij in staat is een eigen groep met vrouwtjes te
vormen. Het zijn vrij schuwe beesten die men vaker hoort dan ziet. In geval van
dreiging of gevaar laten de mannetjes een toetend geblaf horen om eventuele
achtervolgers af te schrikken. Als zij aan het toeten zijn zien ze er op hun
grappigst uit. De lange rode hangneus van het mannetje schiet bij elke
waarschuwingstoet op een lachwekkende manier horizontaal naar voren. De bewoners
van Sarawak noemen deze kleurige apen vanwege hun opvallende gelaatstrekken orang
belanda oftewel de Nederlander. De mannetjesapen hebben namelijk net zulke
lange rode neuzen als de zonverbrande Europeanen.
Terug naar inhoudsopgave
Lemanak

Langs de Lemanak rivier in het binnenland van Sarawak
liggen verscholen in het oerwoud de langhuizen van Iban bewoners. De
tocht over de rivier gaat in lange boten met buitenboordmotoren. Voor in de boot
zit een uitkijk die de diepte van het water peilt en waarschuwt voor obstakels
als drijfhout, boomstammen en rotsblokken in de rivier. Achter de uitkijk zitten de
passagiers die de boot moeten verlaten als het waterpeil te laag is. Dan moeten
ze een stuk door de rivier waden en de boot helpen duwen over de gladde stenen
en scherpe rotsblokken tot het water weer diep
genoeg is om in de boot plaats te kunnen nemen. Achterin de boot zit de
stuurman. Hij let op de tekens die de uitkijk aan hem geeft. Zeer behendig
stuurt hij de boot over de kronkelende rivier met zijn vele
rotsklippen, draaikolken, stroomversnellingen en watervalletjes. Soms moet de uitkijk met een peddel bijsturen
om te vermijden dat de boot de oever raakt. De boottocht is een bijzondere
ervaring vanwege het snelstromende water, de stilte en het groene scherm aan
weerszijden van de rivier.
De
bomen langs de oever zijn overigens niet overdekt met een bloemdek van
verschillende kleuren, omdat er geen echte jaargetijden zijn in het tropisch
regenwoud. In plaats daarvan kent elke boomsoort zijn eigen bloeitijd die
verschilt van de omliggende soorten. Na een urenlange en vermoeiende tocht verschijnt
langs een kiezelstrandje een aanlegplaats voor de boot met hoog op de oever het Iban langhuis Ngemah Ili.
Aan de zijkant van het langhuis leidt
een trap naar de ingang met een overdekte veranda waar een ontvangstcomité de
bezoekers onthaalt met een glaasje tuak of rijstwijn.
Op de binnenveranda zitten hier en daar groepjes
mensen en drentelen kinderen heen en weer. De ruimte is goed onderhouden en
zorgvuldig ingericht met maskers, kleedjes en andere kostbare voorwerpen aan de
wanden. Op veel deuren prijkt een kruis en een prent van de maagd Maria ten
teken dat men zich heeft bekeerd tot het christendom. Na het
avondeten,
als de meeste bewoners zijn teruggekeerd van het werk op
hun akkers, gaan ze op de overdekte veranda zitten en vormen ze een
kring rondom hun bezoek. Dan komt de
tuah rumah of
hoofdman
kennismaken met de gasten. Het is de gewoonte dat hij
kleine geschenken
krijgt aangeboden zoals snoep en sigaretten die hij verdeelt over alle gezinnen
in het langhuis. Daarna krijgen de bezoekers opnieuw tuak of
rijstwijn aangeboden. Later op de avond volgt een dansvoorstelling
van dansers op
begeleiding van een groepje musici. Een van hen heeft een keluri
bestaande uit een gedroogde kalebas in de vorm van een rechtstaande retort met
zes bamboepijpjes in de buik. Anderen spelen muziek op een bamboeharp, een
bamboexylofoon en een bamboefluit. Tenslotte bespeelt één van de muzikanten
met een soort ijzeren haak een
snaarinstrument in de vorm van een klankbodem uit één stuk hout met dikke,
zware snaren. Tijdens
de dansvoorstelling draagt de mannelijke danser een oorlogshelm op zijn hoofd.
Het is een hoofddeksel van gevlochten rotan dat is versierd met gele en zwarte
en rode kralen evenals zes lange zwart-witte staartveren van de gehelmde
hoornvogel. Hij is gekleed in een witte geweven strijdmantel met kleurige
motieven en gestileerde figuren. In zijn linkerhand draagt hij een lang schild
dat van boven en van onderen puntig toeloopt. In zijn rechterhand houdt hij een
scepter waaraan dikke zwarte bosjes haar hangen die naar verluidt lang geleden
zijn verwijderd van hoofden die tijdens een oorlog zijn gesneld. Bij aanvang van
zijn dans hurkt hij neer waarna hij langzaam rond danst op de maat van de muziek
met overdreven bewegingen waarbij zijn dijspieren zich samentrekken en
ontspannen en zijn pezen strak blijven. Eerst draait hij op zijn ene voet en dan
weer op de andere om langzaam omhoog te rijzen tot zijn volle lengte. Hij beeldt
een krijger uit die vanuit zijn denkbeeldige schuilplaats naar een vijand loert
tot hij die in zicht krijgt. Dan hurkt hij weer ineen en maakt een krachtige
sprong naar voren om heen en weer dansend zijn onzichtbare vijand neer te slaan
en diens klappen met zijn schild op te vangen. De
vrouwelijke danseressen dragen tijdens de dansvoorstelling een oranjekleurige
sarong die is bezet met zilveren munten. Om hun bovenlichaam dragen zij een rijk
geborduurd schouderkleed dat is omzoomd met rode biezen. Op hun hoofd dragen zij
een sugu tinggi of zilveren hoofdtooi. Ze beginnen eveneens hun dans
vanuit een gehurkte positie om langzaam overeind te komen. Met kleine vloeiende
bewegingen van polsen en vingers en met wiekende armen imiteren zij de trage
vlucht van de neushoornvogel. De bewegingen van de danseressen zijn gracieuzer
vergeleken met de kracht van de mannelijke danser. Bij iedere stap voorwaarts op
de maat van de muziek tekenen hun benen zich af onder hun sarongs. De bewegingen
van de danseressen zijn ook verleidelijker. Iedere zachte buiging achterover in
de pauzes van de muziek onthult de vormen van hun lichaam onder hun kleding. De
kleurige borduursels en blinkende versieringen op hun kleding geven extra nadruk
aan de schoonheid van hun dansvoorstelling. Het
is gebruikelijk dat de bezoeker deelneemt aan de dansvoorstelling en zelf een
dans uitvoert ten overstaan van de bewoners in het langhuis. Na afloop
van de dansvoorstelling is er meer rijstwijn en zijn er gezamenlijke spelletjes.
De aanwezigen gaan in een ronde kring gaan
zitten met in hun handen een touw waaraan een metalen ring is bevestigd.
Het is de bedoeling dat zij deze ring ongemerkt aan elkaar doorgeven. In het
midden van de kring zit een persoon die bij een stopteken moet raden waar de
ring zich bevindt. Heeft hij de juiste plek aangewezen, dan moet degene die de
ring op dat moment in zijn handen heeft op zijn beurt plaatsnemen in het midden
van de kring. Alvorens dit te doen moet hij wel een glaasje rijstwijn drinken.
Met het vorderen van de avond raakt de blik steeds meer beneveld en stijgt het
plezier van de deelnemers aan het spel. De volgende ochtend
begeven de bewoners van het langhuis zich naar de rivier om er
te baden en verder stroomafwaarts hun behoeften te doen. Mannen en vrouwen
hebben ieder hun eigen plek waar ze zich onbespied kunnen wassen. Verderop in
de rivier halen ze drinkwater, kook- en waswater voor het ontbijt. Na het
ontbijt gaat een aantal bewoners naar de aanlegplaats van hun boot om
gezamenlijk te vertrekken naar de verderop gelegen landbouwvelden. Ze worden
uitgezwaaid door de achterblijvende gezinsleden en vergezeld door de honden
die hen een tijd lang hollend langs de oever volgen. Ten behoeve van de
bezoekers heeft een van de mannen in het langhuis zich gekleed in de traditionele uitrusting
van een Iban krijger. Hij heeft een blaaspijp die hij voor de bezoekers
demonstreert op de buitenveranda. Vroeger was de blaaspijp met de in gif gedoopte pijltjes een
geducht wapen. Nu is er een goede vervanging in de vorm van een geweer. Hij heeft een blaaspijp die hij voor de bezoekers
demonstreert op de buitenveranda. Vroeger was de blaaspijp met de in gif gedoopte pijltjes een
geducht wapen. Wie er goed mee om ging kon een vijand op meer dan twintig meter afstand
doeltreffend raken en voorgoed uitschakelen. De blaaspijp werd ook gebruikt voor
de jacht op dieren. Nu is er een goede vervanging in de vorm van een geweer. Een boottocht over de Lemanak rivier leidt
verder in het binnenland naar het Iban langhuis Kachong. Ook daar wacht de bezoeker
een hartelijke ontvangst met een glaasje tuak of rijstwijn. Ook daar
verzamelen de bewoners zich na de avondmaaltijd in een kring rondom hun
bezoekers waarna de tuah rumah of hoofdman tijdens de kennismaking de
geschenken in ontvangst neemt en ze gelijkelijk verdeelt onder de
bewoners. Het belangrijkste tijdverdrijf is daar een spel blindemannetje waarbij iemand een blinddoek voorgebonden krijgt en naar een
gong moet toelopen die tot groot vermaak van de aanwezigen steeds wordt
verplaatst. Kachong. Ook daar wacht de bezoeker
een hartelijke ontvangst met een glaasje tuak of rijstwijn. Ook daar
verzamelen de bewoners zich na de avondmaaltijd in een kring rondom hun
bezoekers op de binnenveranda. Die
is in vergelijking met de
binnenveranda van het andere langhuis sober ingericht en matig onderhouden.
Honden zwerven er los rond en laten er een doordringende lucht achter. Aan de wanden
hangen versleten hoofddeksels,
kleurloze manden, gescheurde rijstzakken en schimmelende matten naast houten
gereedschappen en grove bijlen. Tijdens de kennismaking neemt de
tuah rumah of hoofdman
de
geschenken in ontvangst en verdeelt ze gelijkelijk
onder de
bewoners. Het belangrijkste tijdverdrijf is daar een spel blindemannetje waarbij iemand een blinddoek voorgebonden krijgt en naar een
gong moet toelopen die tot groot vermaak van de aanwezigen steeds wordt
verplaatst.
In sommige kamers van het langhuis is de modernisering al
ver doorgedrongen en is het geluid van een televisietoestel door het hele langhuis
goed te horen. De nacht verloopt nogal luidruchtig vanwege de
vele dierengeluiden in het oerwoud en onder het langhuis waar de varkens en
kippen scharrelen op zoek naar eten dat tussen de vloerlatten naar beneden is
gevallen. Na
een overnachting
op de binnenveranda van het langhuis is het mogelijk om een wandeling te maken door het
omliggende oerwoud. Achter het langhuis loopt een pad naar de rivier waar men zich wast en kleren reinigt. Aan de
overkant van de rivier gaat het pad verder door het oerwoud waar men een
demonstratie krijgt van de geneeskrachtige kruiden die er groeien, de eetbare
paddestoelen die er zijn en de vruchten die er bloeien. Daarnaast
groeien in het oerwoud bomen en planten die men gebruikt voor huishoudelijke
doeleinden zoals het weven van kleding en het vlechten van manden. Verderop liggen tegen de flanken van een heuvel
de landbouwvelden die men herkent aan de provisorische hutten om zichzelf en de
geoogste voorraden te beschermen tegen de overvloedige regen. Hier en daar zijn
de velden reeds jaren geleden verlaten en overgelaten aan de natuur. Duidelijk
zichtbaar is dat deze vorm van veldwisselbouw
weinig schade berokkent aan het
oerwoud. Dankzij de vruchtbaarheid van de bodem overheerst inmiddels de
secundaire begroeiing van bomen en planten. Op sommige delen is het oerwoud zo dicht
begroeid dat men zijn weg moet vervolgen over smalle en glibberige paden langs de steile oevers van de rivier of
zelfs door de rivier met zijn gevaarlijke snelstromende water. Daar demonstreert
een van de bewoners hoe men met een harpoen een vis vangt. Een andere methode is
het gebruik van een jala of
visnet dat is verzwaard met gewichten. Men werpt het uit in
het water en sleept ermee over de bodem om het vervolgens met de gevangen buit
boven water te halen. Terug naar inhoudsopgave
Mulu

Het Gunung Mulu Nationaal Park is met
zijn vijfhonderdnegentwintig vierkante kilometer het grootste park in Sarawak.
In het park liggen twee berggebieden - de Gunung Mulu met een hoogte van bijna
vierentwintighonderd meter is van zandsteen en de Gunung Api met een hoogte van
zeventienhonderdvijftig meter is van kalksteen. Men kan er onder leiding van een ervaren gids een beklimming wagen van
de pinnacles - een heuvel met messcherpe kalksteen rotsen die
vijfenveertig meter boven het oerwoud uitsteken. Deze
getande spitsen die door het oerwouddak omhoog steken zijn de enige
overblijfselen van een grote kalksteenheuvel. Over een periode van vele
duizenden jaren is de kalksteen weggevreten door het zuurhoudende grondwater en
zware regenval tot alleen losstaande pieken overbleven. Elders heeft de
inwerking van water op kalksteen geen spitsen, maar grotten geschapen die
vermaard zijn om hun dierenwereld. In het park liggen verschillende grotten met bijzondere rotsformaties
in de vorm van stalagmieten,
stalactieten en
helictieten. Sommige grotten zijn gevormd door
slijtage van stromend water zoals in het geval van de Clearwater grot waar een
rivier met helder water doorheen stroomt die meer dan honderd kilometer lang
is. Ook de Wind grot is ooit gevormd door een ondergrondse rivier die echter
door de eeuwen heen zijn loop heeft gewijzigd. In plaats daarvan heeft de wind
nu vrij spel in de oude droogstaande rivierbedding van de grot. Andere grotten
zijn daarentegen ontstaan door de inwerking van stilstaand water op het
kalksteen. De Lang grot is een goed voorbeeld van
zo'n druipsteengrot met een kenmerkend vlak plafond en een grillige
rotswand.
De kalksteengrotten werden gevormd
door blootstelling van een kalksteenafzetting aan de weerselementen. De regen
verzuurde door kooldioxide opname uit de lucht, loste het calciumcarbonaat in
de kalksteen op en vrat naar binnen langs kleine barstjes in het gesteente. De
regen groef diepe kanalen en gaten in het gesteente waarlangs het water
verdween en ondergronds hele gewelven en galerijen uitspoelde voordat het weer
als kleine beekjes naar buiten trad door wat later de mondingen van de grotten
werden. Alle grote grotten bieden een donker en betrekkelijk veilig
toevluchtsoord weg van de plasregens van het omringende oerwoud. Grote
vluchten gierzwaluwen en vleermuizen broeden en slapen in de gangen van het
gesteente en soms wagen andere dieren als civetkatten, slangen en hagedissen
zich naar binnen. Op de grond ligt een grote hoeveelheid naar ammoniak
riekende guano of uitwerpselen van de gierzwaluwen en vleermuizen.
Daaroverheen krioelen duizenden soorten insecten zoals kakkerlakken, kevers,
rupsen, spinnen en torren. Deze opdringerige insecten voeden zich met de dode
en stervende wezens die van de druk bezette grotgewelven neervallen. Ze
verslinden alles op hun weg zoals eieren , nestjongen, gewonde of zieke
vleermuizen. In het verleden boden de grotten een onderkomen en
begraafplaatsen aan mensen. Hoewel niemand tegenwoordig nog in de grotten woont,
gebruiken de oerwoudbewoners ze nog steeds als begraafplaatsen. Op sommige
plaatsen herinnert een half vergane schedel nog hieraan. Daarnaast gebruiken
de mensen de guano in de grotten als meststof voor hun landbouwvelden
op de heuvels in de omgeving.
In
het Nationaal Park van Gunung Mulu ligt Batu Bungan, een langhuis
voor Penan families dat recent met steun van de overheid is gebouwd. De overheid
wil dat ze hun leven wijzigen en landbouw
gaan bedrijven in permanente nederzettingen. Daarmee tracht men hen een nieuw
bestaan te verschaffen omdat de grootschalige houtkap en andere bouwprojecten
zoals de aanleg van een stuwdam grote delen van hun leefgebied aantast.
Bovendien is de gemiddelde levensverwachting van de Penan naar de mening van de
overheid veel te kort vergeleken bij die van de overige oerwoudbewoners zolang
zij een rondzwervend bestaan leiden. Bij een bezoek aan Batu Bungan valt op dat
de Penan nog moeten wennen aan hun nieuwe bestaan. Het leven in een langhuis
is voor
hen niet vanzelfsprekend
ondanks comfortabele
nieuwigheden als raamkozijnen, een golfijzeren dak en machinaal gezaagde planken.
Ze hebben zich nog niet geschikt in het leven van een
landbouwer, zelfs niet in het halfnomadische leven van kortstondige rijstbouw in
de heuvels. Ze komen naar Batu Bungan om hun producten te ruilen of om een
tijdelijk onderkomen te bouwen zodat hun kinderen naar de nabijgelegen school
kunnen. Velen zijn
niet te bekennen in het langhuis, maar in een van de vele huisjes
in de nabije omgeving.
Net als voorheen leven ze teruggetrokken en
zijn ze omzichtig in de omgang
met anderen. Ze schuwen luide taal en heftige gebaren en spreken nauwelijks
Engels. Vaak trekken ze zich
een tijdje terug in het oerwoud als het oude vertrouwde terrein waar ze zich met
hun bijzondere vaardigheden het meeste thuis voelen. Ze voorzien in hun
levensonderhoud door de verkoop van traditioneel gevlochten rotan. Daarnaast
verkopen ze allerlei andere voorwerpen aan toeristen die de nederzetting komen
bezoeken. Deze voorwerpen zijn vaak elders gemaakt.
Terug naar inhoudsopgave
Pulau Tiga

Waar Borneo zich nu bevindt was dertig miljoen jaar geleden
geen regenwoud en zelfs geen land te vinden geweest. Bijna de gehele archipel
was toen nog door water bedekt. Pas vijftien miljoen jaar geleden begon het
eiland uit zee omhoog te komen, toen er in de aardkorst hevige verschuivingen en
plooiingen plaatsvonden. Tussen twee en tien miljoen jaar geleden bleef Borneo
veranderen. Geleidelijk aan rezen de sedimentaire afzettingen waar het uit was
opgebouwd - zandsteen, kleisteen en kalksteen die op de bodem van de zee
hadden gelegen - door tectonische bewegingen zo hoog op dat zij bergketens
vormden. Tegelijkertijd vonden in de omringende zone hevige vulkanische
activiteiten plaats. Borneo bevond zich evenwel buiten de vuurlijn en kwam er
betrekkelijk onbeschadigd vanaf. De laatste twee miljoen jaar zijn er geen
drastische veranderingen meer geweest in de aardkorst. Maar er was een
belangrijk verschijnsel dat werd veroorzaakt door de uitbreiding van de
ijskappen. Toen de spiegel van de oceanen daalde, vielen grote delen van de
ondiepe zee rondom Borneo droog. Dankzij deze landbrug kreeg het eiland
evenals de omringende Indonesische eilanden Sumatra en Java verbinding met het
vasteland van Azië. Het rechtstreekse contact met Azië verrijkte de dieren- en
de plantenwereld op het eiland die zich na het einde van de laatste ijstijd
zelfstandig verder ontwikkelde toen het eiland weer afgezonderd kwam te
liggen.
De geologische ontwikkelingen hebben hun sporen nagelaten
in het natuurgebied van Pulau Tiga dat een onderdeel is van de deelstaat Sabah.
Het Nationaal Park van Pulau Tiga of Drie Eilanden is slechts vijftien vierkante kilometer groot en
bestaat uit drie kleine eilandjes die zijn gevormd
door vulkanische modderuitbarstingen aan het einde van de negentiende eeuw. Het
grootste eiland is sindsdien bedekt met een dichte vegetatie die wordt
gekenmerkt door een enorme variatie in planten. Nog steeds is er
vulkanische activiteit in de vorm van opborrelend gas in kleine modderpoelen. Op de stranden van de
eilanden leeft de reuzenvaraan
een aasetende reptielensoort.
Sommige exemplaren kunnen wel
twee meter lang worden.
Ze hebben lange gevorkte tongen die zij in en uit
laten schieten om de lucht of het water te proeven. Het is een verrassend
gevoelig instrument waarmee ze op grote afstand een karkas in het oerwoud of
slachtafval langs de rivier kunnen ontdekken. Tijdens hun tocht houden zij
telkens even stil en heffen hun kop in de lucht om de wind af te proeven
waarna zij weer verder gaan. Bij het minste of geringste luchtje dat op onraad
wijst draaien zij zich om en rennen ze terug naar de rivier. Ondanks hun angstaanjagende voorkomen zijn ze zeer schuw
en anders dan de verwante Komodo varaan
op het gelijknamige eiland vlakbij het Indonesische
Java vluchten ze weg voor naderende mensen.
Terug naar inhoudsopgave
Kinabalu

Sedert de Tweede Wereldoorlog is Kota Kinabalu of het
vroegere Jesselton de hoofdstad van Sabah. De stad ligt aan
de rand van de Zuidchinese Zee en kijkt uit op een reeks van eilanden die zijn
omzoomd door koraalriffen. De stad is in het begin van de Tweede Wereldoorlog
verwoest door de terugtrekkende Britten om te voorkomen dat de Japanners de
plaats zouden gebruiken als een uitvalsbasis voor verdere aanvalsoperaties. Aan
het einde van de oorlog werd de stad opnieuw verwoest als gevolg van geallieerde
bombardementen die tot doel hadden om de laatste Japanners uit Borneo te
verdrijven. Uit de puinhopen werd een geheel nieuwe stad opgetrokken met hoge
moderne gebouwen en brede moderne verkeerswegen. Buiten een Britse klokkentoren
uit het begin van de twintigste eeuw zijn er geen historische monumenten meer in
de stad die de bezoeker daarentegen moderne winkelmogelijkheden biedt in
verscheidene shopping malls die voorzien zijn van airconditioning.
Vanuit de stad kan men in de verte de berg Kinabalu
zien liggen. Deze berg is ontstaan tussen twee en
tien miljoen jaar geleden toen zich in het noorden van Borneo als gevolg van
tectonische bewegingen een grote vulkanische massa dwars door de bovenliggende
sedimentaire gesteenten heen naar boven drong.
De berg is al vanuit de wijde omtrek
te zien als een reusachtig, rechthoekig verdedigingswerk dat hoog de lucht in
steekt met torens en spitsen. Het is niet een hoogvlakte zoals men die verwacht
maar een bergrug in de vorm van een J waarvan de lengte in noordelijke richting
wijst en de krul zuidwaarts een diepe afgrond omsloten houdt. De top van de berg ligt op een hoogte van ruim vierduizend meter en
daarmee is het de hoogste berg van Zuidoost Azië. Het niveau van de
berg stijgt nog steeds. De inheemse bevolking gelooft dat het de
woonplaats is voor de zielen van de overledenen. Zij hebben de berg zijn huidige
naam gegevens die "woonplaats van de doden" betekent. Slechts door uitgebreide
rituelen met offergaven en luide bezweringen slaagde de eerste bergbeklimmer, de
Britse bestuurder Hugh Low, erin om steun te verkrijgen van de lokale bevolking
voor zijn expeditie naar de top.
In het Nationaal Park kan men een
wandeling maken langs de paden door het oerwoud .
In het lage oerwoud aan de voet van de berg
groeien vele soorten planten waaronder varens, begonia's, orchideeën en
bekerplanten. De beker ontstaat
uit een bladtop die een diep vat heeft gevormd dat gedeeltelijk is gevuld met
vocht. Alle mogelijke insecten worden aangetrokken door de geur van de plant.
Wanneer zij zich op de omgebogen lip van een beker neerzetten, glijden zij op
het gladde wasachtige oppervlak uit en komen in de vloeistof terecht waarin zij
worden opgelost en door de plant als voedsel verteerd. Op
tweeduizend meter hoogte maakt het oerwoud plaats voor een
bos van bergeiken en
rododendrons waar de natuurelementen vrij spel hebben.
Daar groeit ook de celerie den - een
naaldboom met vreemde, stijf uitstaande blaadjes die in wezen helemaal geen
bladeren zijn maar korte takjes. Op ruim drieduizend meter hoogte is
de boomgrens waarna een gro |