In het oerwoud van Borneo wonen nog afstammelingen van de oudste bevolking van Maleisi‰ ofwel de proto-Maleiers. Zij worden Orang Asli of oorspronkelijke bewoners genoemd. In het oerwoud leven zij een teruggetrokken bestaan aan de oever van een rivier met weinig bezoekers. De tocht over de kronkelende en snelstromende rivier is lang en moeizaam omdat rotsblokken, boomstronken en drijfhout in het water de boot hinderen evenals overhangende bomen langs de oever. Weliswaar is er een gevaarlijk en modderig wandelpad langs de oever, maar dat gebruikt men alleen als de rivier echt onbegaanbaar is. Soms brengen handelaren of bestuursambtenaren een vluchtig bezoek aan de bewoners in het oerwoud. Een enkele keer gaan de oerwoudbewoners zelf naar de grote stad om inkopen te doen of om een dokter te bezoeken. Menigeen gelooft echter nog steeds dat veel ziekten worden veroorzaakt door kwade geesten die de pati‰nt lichamelijk verwonden of geestelijk kwellen. Tijdens een traditionele behandeling tracht men de kwade geesten te bezweren met plechtigheden en rituelen. In de ogen van de oerwoudbewoners zijn deze plechtigheden om ziekten te bestrijden en voorkomen belangrijke hoogtepunten in hun leven die de hechte band binnen hun gemeenschap nogmaals bevestigen.
De oerwoudbewoners gaan zelden het oerwoud in en blijven bij voorkeur op de wandelpaden en in de buurt van de rivierbedding. Slechts bij uitzondering begeven ze zich in groepjes in het oerwoud bijvoorbeeld om rotan ranken te verzamelen. Voor hen betekent het oerwoud op de eerste plaats gevaar - niet alleen het gevaar om te verdwalen, maar vooral ook het gevaar van duistere en onbekende krachten die de mens in levensbedreigende avonturen storten. Deze angst is altijd aanwezig in het onderbewuste van de oerwoudbewoners, maar treedt zelden naar buiten. Alleen tijdens rituelen en plechtigheden bijvoorbeeld als er een noodlottig ongeval is geweest of als iemand op pad is in het oerwoud, wordt deze angst voor toh of demonen zichtbaar. Men veronderstelt ze vooral aanwezig op de drassige rivieroevers waar dichte begroeiing is en langs de wandelpaden waar veel boomwortels in de grond groeien. Ook op de ruige toppen van heuvels en bergen wonen volgens de oerwoudbewoners demonen die onzichtbaar zijn voor het menselijk oog. Soms vermommen ze zich in een andere gedaante om de nietsvermoedende passant te verleiden tot een onbezonnen stap. De oerwoudbewoners trachten zich hiertegen te verweren met amuletten, wierook en allerlei bezweringen. een schuin kruis aan het begin van een pad of in een veld.
De angst van de oerwoudbewoners voor demonen is nauw verbonden met hun geloof in een hiernamaals. Volgens dit geloof zwerft de ziel van een overledene door het oerwoud tot hij boven op een bergrug komt. Vandaar kijkt hij neer op het stroomgebied van een grote rivier met vijf verschillende streken waar de doden verblijven. Mensen die sterven door ziekte of ouderdom gaan naar een streek waar ze net zo leven als toen ze nog niet dood waren. Degenen die sterven in de strijd of door een ongeluk gaan naar een streek waar ze rijk worden zonder enig werk hoeven te doen en kunnen kiezen uit alle vrouwen die in het kraambed sterven. Er is een streek voor diegenen die verdrinken want zij erven alle kostbaarheden die verloren gaan wanneer boten zinken of wanneer een langhuis door een overstroming wordt getroffen. In een andere streek wonen de zielen van doodgeboren kinderen die geen vrees kennen omdat ze nooit pijn hebben gevoeld. Zelfmoordenaars gaan tenslotte naar een eigen streek waar ze een ellendig bestaan leiden en alleen wortels, bessen en sago eten. Wanneer hij op de bergtop staat voelt de ziel zich een beetje vreemd en begint hij te vermoeden dat hij daar zonder lichaam is gekomen. Dan gaat hij zitten jammeren of weeklagen over zijn lot. Vervolgens daalt hij af om de dodenrivier over te steken langs een boomstam die heen en weer wordt gerold door de bewaker van het dodenrijk. Lukt dit niet dan valt de overbodige ziel in het water en wordt hij opgegeten door de vissen.
De meeste oerwoudbewoners leven van de kleinschalige landbouw. Ieder gezin maakt elk jaar een of twee nieuwe stukken grond vrij van struiken en andere begroeiing door ze om te hakken en te verbranden. Als bescherming tegen de kwade geesten plaats men een schuin kruis in het veld. Vervolgens zaait men de zaden in de bodem, daarna verzorgt men de gewassen en tenslotte haalt men de oogst binnen. Daarna gebruikt men de grond nog enkele jaren als suikerrietveld of als cassavetuin, maar de meeste grond laat men over aan de vrije natuur om tot rust te komen. Dat is voor de oerwoudbewoners een ingrijpend moment omdat zij een jaar lang aanwezig zijn geweest op het veld en er lief en leed hebben gedeeld met elkaar en met de alom aanwezige geesten. Op het moment dat men de grond weer aan de natuur overlaat houdt men daarom na het binnenhalen van de oogst een plechtigheid om de ronddwalende geesten te verzoenen. Als na een jaar of tien blijkt dat de geesten hen gunstig gezind zijn en de wilde zaden weer tot groei komen maakt men de grond opnieuw vrij voor landbouw. Deze methode van veldwisselbouw laat grote delen van het oerwoud ongerept en geeft de natuur voldoende ruimte om zich te herstellen. Het tast daarom het oerwoud niet of nauwelijks aan.
Tijdens het werk op het land zijn er vele pauze momenten. Bij die gelegenheid vertellen de oerwoudbewoners elkaar verhalen van lang geleden. Sommige van deze verhalen zijn legenden rondom een belangrijke historische persoon of gebeurtenis. Meestal zijn het sagen en mythen die bestaande culturele praktijken en met name godsdienstige rituelen moeten verklaren. Nauw hiermee verwant zijn verhalen die opmerkelijke en bijzondere verschijnselen in de natuurlijke omgeving zoals boomstronken en rotsen in of langs de rivier een betekenis moeten geven. Datzelfde geldt de verhalen die de lotgevallen beschrijven van grote helden. De bedoeling van deze spannende en vaak luchtige verhalen is om het eigen hardvochtige bestaan draaglijk te maken en voor- en tegenspoed een plaats te geven alsof het voorbestemd is. Andere verhalen die de oerwoudbewoners vertellen zijn sprookjes om hun kinderen te vermaken. Daarin komen vaak alledaagse voorwerpen voor uit de nabije omgeving waarin een bovennatuurlijke kracht schuilt - zeker als het groeit, bloeit of anderszins aan verandering onderhevig is. Het gaat in dit verband bijvoorbeeld om de magische kracht die schuilt in badplaatsen, haardvuren en landbouwvelden. Het gaat echter ook om de kracht in bomen, planten en gewassen. Tijdens hun plechtigheden roepen zij deze voorwerpen aan in de hoop dat ziekten of misoogsten hen bespaard blijven.
De oerwoudbewoners van Borneo zijn van oudsher bekwaam in verscheidene vormen van traditionele huisnijverheid. Dat geldt vooral voor hun kwaliteiten als houtsnijwerkers. Sommige bewoners snijden enorme grafpilaren uit het hout van een boomstam met een doorsnee van twee meter en een lengte van soms wel tien meter. Ze zijn van boven tot onder versierd met talloze fijngesneden voorstellingen. In het oerwoud ontdekt men nog steeds de overblijfselen van deze zogenaamde salongs of grafpilaren. Minder indrukwekkend maar even mooi zijn de jachtamuletten en de messen van de oerwoudbewoners. De kwaliteit van hun geweven manden staat eveneens in hoog aanzien op Borneo. De manden zijn meestal gemaakt van rotan, maar soms worden ze ook gemaakt van bamboe, helmgras of palmblad. De techniek die men gebruikt voor het maken van manden past men ook toe op slaapmatten, stoelen en schuilplaatsen. Iedere etnische groep heeft zijn eigen patronen. Een andere vorm van nijverheid waarin ze uitblinken is die van pua kumba of het weven van textiel volgens traditionele motieven. Ook zijn ze goed in het aaneenrijgen van kralenkettingen.
Het is opmerkelijk dat de mannen gemiddeld een hogere leeftijd bereiken dan de vrouwen. Dat komt omdat de vrouwen van jongs af aan harder moeten werken. Iedereen draagt zijn steentje bij aan het huishouden ongeacht leeftijd of geslacht. Maar de vrouwen werken het hardst van allemaal. Naast het werk op het veld verrichten zij ook huishoudelijke taken zoals het koken van een maaltijd en het aanvullen van de watervoorraad. Ook de meisjes werken harder dan de jongens. Ze verzorgen de kippen en de varkens, leggen de rijst in de zon te drogen en helpen die fijn te stampen. De gezinsleden hebben allen een aandeel in het huishouden dat varieert van de woonruimte tot de landbouwvelden met de werktuigen en de wapens. Wanneer een van de kinderen trouwt vormt hij of zij een eigen gezin. Het komt voor dat een vrouw bij haar man gaat wonen, maar het omgekeerde komt ook voor. In dit opzicht is er geen onderscheid naar geslacht.
Soms komt het voor dat men meer overhoudt dan men heeft opgemaakt. Dat overschot kan men verkopen aan een handelaar om het geld vervolgens uit te geven in een winkel tijdens een uitstapje naar de stad. Een andere mogelijkheid is dat men het overschot verkoopt aan een handelaar en het geld daarna tegen rente uitleent. Doorgaans bewaart men het overschot echter in de vorm van rijst om deze voorraad in tijdens van schaarste te kunnen aanspreken. Maar deze voorraad blijft slechts een beperkte periode van ongeveer drie jaar goed. Daarna verruilt men de rijstvoorraad voor waardevolle artikelen als lukut of kralen van edelsteen, aardewerk voorraadpotten, koperen geschut en bronzen gongs. Minder waardevolle maar gewaardeerde ruilvoorwerpen zijn borden en schalen. Tegenwoordig zijn andere artikelen zoals geweren, spaarlampen, buitenboordmotoren en zelfs televisietoestellen hooggewaardeerde voorwerpen.
Door het opdringen van de westerse wereld zijn sommige bewoners in direct contact gekomen met een vreemde cultuur. Voor velen is dit aanleiding geweest om het eenvoudige leven in het oerwoud te verruilen voor een eengezinswoning in de buurt van een moderne stad. Daar komen ze in aanraking met andere godsdiensten en bijbehorende gebruiken en gewoonten. De islam heeft tot nog toe weinig vat op hen gekregen. De christelijke missie heeft daarentegen met redelijk succes zendingswerk verricht. Het christendom bleek in staat om elementen uit het oude geloof op te nemen en te integreren. De Maleisische regering doet allerlei pogingen om hen te integreren in de moderne wereld. Ze poogt hen met allerlei middelen te overreden om hun zwervend bestaan of hun armoedig leven op een vaste plaats op te geven en zich in moderne huizen en in de wereld van vooruitgang te vestigen. Dat gaat niet zonder problemen. Velen houden vast aan een traditionele leven in het oerwoud waar nog men nog steeds gelooft in natuurkrachten.