Henk Sebregts 

Home Sitemap Help Vragen Nieuw Zoeken Contact

 

Myanmar 

Het Verre Oosten in Woord en Beeld 

 
 

 

Informatie
 

 

Zoek op trefwoord:

 

 

Myanmar  

Enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling trokken de eerste bevolkingsgroepen vanuit China naar Myanmar. Het waren de Mon die zich vestigden in Neder Myanmar in de vruchtbare delta van de Ayeyarwady rivier. Vanuit hun hoofdstad Thaton onderhielden zij handelscontacten met het Indische subcontinent en kwamen zo in aanraking met het boeddhisme. Naar verluidt hebben de Mon tijdens de regeerperiode van keizer Ashoka in de derde eeuw voor Christus het boeddhisme in Myanmar hebben ingevoerd. Mogelijk is het boeddhisme in Myanmar zelfs nog eerder geïntroduceerd door handelaren die bij terugkomst in hun woonplaats relikwieën van Boeddha met zich meebrachten uit India.

Rond het begin van onze jaartelling vestigden andere bevolkingsgroepen zich vanuit Tibet in Opper Myanmar. Het waren de Pyu die zich vestigden in het stroomgebied van de Ayeyarwady. Vanuit hun hoofdstad Sri Ksetra onderhielden zij uitgebreide handelscontacten met omliggende landen. Ze waren aanhanger van een vorm van boeddhisme dat vermengd was met hindoe-elementen en afkomstig was uit India. Toen de rivier begon te verzonden verplaatsten de Pyu de hoofdstad in de achtste eeuw naar het noordelijker gelegen Halin aan de landroute van India naar China. Aan hun rijk kwam in de negende eeuw plots een einde toen Thaise volken uit Yunnan de hoofdstad verwoestten en de complete bevolking als slaven meevoerden naar China.

Na de val van het rijk van de Pyu ontstond er in Opper Myanmar een machtsvacuüm. Daarvan maakten de Birmanen dankbaar gebruik maakten. Deze bevolkingsgroep was in de loop der eeuwen door de Chinezen vanuit noordwest China verdreven naar het zuiden. Zij trokken vanuit zuid China naar de vruchtbare vlakte langs de middenloop van de Ayeyarwady. Ze verdreven de Mon die er een uitgebreid irrigatiestelsel hadden aangelegd en intensiveerden de rijstbouw. In de negende eeuw stichtten de Birmanen een eigen rijk rond de hoofdstad Bagan.

 De troonsbestijging van koning Anawratha tegen het midden van de elfde eeuw vormt het begin van het Eerste Birmaanse Koninkrijk. Deze vorst breidde het rijk van Bagan door veroveringen uit tot heel Myanmar. Vanuit het naburige Thaton ontvoerde hij de belangrijkste boeken van het Theravada boeddhisme die bekend staan als de Tripitaka. Rond het begin van de twaalfde eeuw beleefde het rijk een Gouden Eeuw tijdens de regeerperiode van koning Kyanzittha. Bagan werd in die tijd uitgebreid met vele kloosters en tempels. Latere koningen lieten nog enkele grote heiligdommen bouwen, maar het rijk was haar hoogtepunt voorbij. De enorme bouwactiviteiten putten de schatkist volkomen uit . Onder koning Narathihapati raakte het rijk omstreeks het midden van de dertiende eeuw in verval. Een kwart eeuw later bezetten  de Mongolen de hoofdstad Bagan en maakten zo een einde aan het Eerste Birmaanse Koninkrijk.

De val van Bagan luidde een periode van grote verdeeldheid in die bijna tweeënhalve eeuw duurde. De Mongolen waren niet van plan een groot en duur bezettingsleger in Myanmar te stationeren en trokken zich terug. In de daaropvolgende periode was Myanmar verdeeld in verschillende staatjes die voortdurend met elkaar in oorlog waren. De Shan regeerden vanuit de hoofdstad Ava over een groot deel van Opper Myanmar. De Mon stichtten in Neder Myanmar een eigen koninkrijk rond de hoofdstad Bago. De bekendste koning was Dhammazedi die aan het einde van de vijftiende eeuw befaamd was om zijn vroomheid en wijsheid. Tijdens zijn regering vond er een herleving plaats van het boeddhisme. Tussen het koninkrijk van de Shan en het koninkrijk van de Man lag een kleine Birmaanse staat met als hoofdstad Toungoo.

Het Birmaanse staatje Toungoo groeide in de zestiende eeuw uit tot het Tweede Birmaanse Koninkrijk dat ruim twee eeuwen duurde. Koning Tabinshwehti was de grondlegger die handig gebruik maakte van de voortdurende onderlinge strijd in de omringende koninkrijken. Eerst versloeg hij de Mon in de delta van de Ayeyarwady en nam hun hoofdstad Bago in. Die stad riep hij uit tot hoofdstad van zijn rijk. Vervolgens viel hij de zuidelijke staart van Myanmar binnen en versloeg hij de Pyu. Later versloeg koning Bayinnaung de Shan en nam hun hoofdstad Ava in. Omstreeks het midden van de zestiende eeuw verenigde hij Opper en Neder Myanmar tot één staat. Hij voerde ook oorlog tegen het naburige Thailand en veroverde de Siamese hoofdstad Ayutthaya. Na zijn dood raakte het Birmaanse rijk langzaam in verval. In het begin van de zeventiende eeuw verplaatsten de Birmanen hun hoofdstad van Bago naar Ava en sloten zij zich af van het opkomende scheepvaartverkeer van de westerse mogendheden. Tegen het midden van de achttiende eeuw verdreven de Mon de Birmanen uit het zuiden en stichtten een eigen koninkrijk rond de hoofdstad Bago. Rond het midden van de achttiende eeuw veroverden zij Ava en maakten daarmee een einde aan het Tweede Birmaanse Rijk.

De heerschappij van de Mon was van korte duur. Een jaar na de bezetting veroverde koning Alaungpaya van het Birmaanse rijkje Shwebo de hoofdstad Ava. Van daar uit begon hij een offensief tegen de Mon. In korte tijd heroverde hij alle verloren gebieden en legde vanuit de pas gebouwde hoofdstad Yangon de basis voor het Derde Birmaanse Koninkrijk dat bijna anderhalve eeuw duurde. De koning en zijn opvolgers voerden een agressieve buitenlandse politiek vooral gericht tegen het naburige Thailand. Zijn zoon Hsinbyushin verplaatste de hoofdstad van het rijk naar Ava. De latere koning Bodawpaya stichtte een nieuwe hoofdstad in Amarapura. Onder zijn heerschappij bereikte het rijk het hoogtepunt van zijn macht.  Tegen het einde van de achttiende eeuw grensden het Birmaanse rijk en het door de Britten beheerste Indische subcontinent rechtstreeks aan elkaar. Grensconflicten leidden in het begin van de negentiende eeuw tot een serie Anglo-Birmaanse oorlogen die het Birmaanse rijk uiteindelijk fataal werden. Een van de laatste koningen was Mindon die in de tweede helft van de negentiende eeuw de hoofdstad van zijn geslonken rijk verplaatste naar Mandalay. Als een van de weinigen bouwde hij een werkbare relatie op met de Britten en stond hij open voor westerse ideeën.

In 1886 brachten de Engelsen Myanmar onder Brits koloniaal bestuur. Zij maakten Yangon de hoofdstad van Myanmar. Tijdens het koloniale bewind nam de economische ontwikkeling snel toe. De Britten lieten wegen en spoorwegen aanleggen en bouwden fabrieken. De delta van de Ayeyarwady groeide uit tot de rijstschuur van het land dat de grootste rijstexporteur werd ter wereld. Het bestuur over de Birmaanse gebieden was in directe handen van de Engelsen. In de heuvels en de bergen waar de minderheden woonden stond de bevolking onder gezag van de traditionele leiders die de soevereiniteit van de Britten erkenden. Dit onderscheid was van grote betekenis voor de latere politieke ontwikkelingen. Desalniettemin wisten verscheidene nationalistische leiders de verschillende bevolkingsgroepen te verenigen in een gezamenlijke strijd tegen de Britse overheersing.  Zij werden later bekend als “de dertig kameraden”. De economische exploitatie van het land door buitenlanders en de negatieve houding van de koloniale overheid jegens de Birmanen leidden in de eerste helft van de twintigste eeuw tot een aantal vreedzame demonstraties waaraan ook boeddhistische monniken deelnamen. Het Britse antwoord op de eisen van de nationalistische beweging was de toekenning van een beperkte vorm van zelfbestuur kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog.

Op 4 januari 1948 werd officieel de onafhankelijke Unie van Birma uitgeroepen. De beoogde premier was de democratisch gezinde socialist Bogyoke Aung San die ruimte bood voor etnische autonomie. Hij werd echter enkele maanden voor de onafhankelijkheidsverklaring door politieke tegenstanders vermoord. De eerste premier werd een van zijn politieke beschermelingen en medestanders met de naam U Nu. Vanaf het begin werd de nieuwe regering geconfronteerd met allerlei opstanden van communistische rebellen en opstandige etnische minderheden. Daarom vroeg de premier einde jaren vijftig aan de opperbevelhebber van het leger Ne Win om tot aan de verkiezingen een interim regering te vormen. Deze militaire tussenregering had redelijk succes met het herstel van rust en orde. Na de verkiezingen bleek de nieuwe regering van U Nu echter niet opgewassen tegen de ineenstorting van de economie en de afscheidingsbeweging van de minderheden. Daarop mengde generaal Ne Win zich opnieuw in de politiek en pleegde hij een militaire staatsgreep die een einde maakte aan de veertien jaar lange democratie. Het nieuwe regime ontbond het parlement en vervolgde iedere politieke oppositie. De militaire machthebbers verwierven een grote mate van zeggenschap over het financiële en economische leven. Bovendien sloten ze de grenzen en het land kwam daardoor in een zelfgekozen isolement terecht. Deze situatie duurt voort tot op de dag van vandaag.

Vanwege haar isolement heeft Myanmar nog vele traditionele invloeden weten te bewaren. Dat komt met name tot uitdrukking in de kleding en in de opmaak. De mannen dragen in meerderheid nog de traditionele longyi of wikkeldoek. Dat is een dichtgenaaide lap stof die men rond de heupen vastknoopt en die het onderlichaam en de benen bedekt. Door de voorkant tussen de benen door te halen en van achteren vast te knopen wordt het een korte broek. De meeste vrouwen en meisjes in Myanmar hebben de traditionele thanaka op hun gezicht. Dat is een lichtgele verfstof die wordt gemaakt van de thanaka boom. De bast wordt op een platte ronde steen of  kyaukpyin gemalen en vermengd met enkele druppels water totdat er een pasta ontstaat die wordt opgevangen in een gootje rondom de kyaukpyin. Na aanbrengen op de huid droogt de thanaka tot een kleiachtige substantie. Het verzacht de huid, beschermt tegen zonnebrand, voorkomt uitdroging en zorgt voor verkoeling. Daarnaast dient thanaka als make-up die de huid lichter doet lijken, hetgeen men beschouwt als een schoonheidsideaal.

In hun spaarzame vrije tijd brengen de Birmanen met hun gezin graag een traditioneel bezoek aan een pagode in de omgeving waar ze gezamenlijk de maaltijd gebruiken in de open lucht. Een enkele keer maken ze een meerdaags uitstapje naar een bekende pagode elders in het land. Tijdens hun bezoek aan de pagode bewonderen ze de vele kunstzinnige geloofsuitingen van indrukwekkende architectuur, sculptuur en schilderingen. Tevens gebruiken ze hun tijd om te bidden voor Boeddha en om zoenoffers te brengen voor de nats of geesten. Volgens goed gebruik slaan ze na gezang en gebed drie maal met een stok tegen de klok om de nats of geesten te verkondigen dat ze Boeddha verdienstelijk hebben geprezen. Vervolgens raken ze de grond met de stok om de boodschap door te geven aan de aardgeesten. De Birmanen zijn zeer bijgelovig. Zij geven de voorkeur aan oneven getallen en vermijden even getallen. Ook laten ze zich graag door een bedin-saya of waarzegger de toekomst voorspellen op basis van de voortekenen in de astrologische dierenriem. Sommigen bewaren hun horoscoop als een waardevol voorwerp keurig ingelijst op een vooraanstaande plaats in hun woning.

Ook de opvoeding kent traditionele gebruiken zoals de shinbyu of de inwijding van een jongen in het kloosterleven. Rond hun tiende levensjaar worden de jongens naar een naburig kyaung of klooster gestuurd in het kader van hun opvoeding. Ze worden bij deze gelegenheid gehuld in hun mooiste kleding en in een optocht rondgereden met een stoet genodigden achter hen. Bij terugkomst krijgen ze een eenvoudig monnikskleed en worden hun hoofdharen geschoren ten teken dat zij worden ingewijd in het kloosterleven. Als kyaungthas doen ze mee met de andere kloosterlingen en verrichten ze allerlei huishoudelijke en ambachtelijke taken. Ook krijgen ze onderricht in boeddhistische geschriften, gezangen en gebeden. Op die manier leren ze deugdzaamheid, gehoorzaamheid en oprechtheid naast lezen, schrijven en rekenen. Als een jongeman na vele jaren besluit toe te treden tot de kloosterorde wordt hij een hpongyi. Bij deze gebeurtenis brengen zijn ouders hem een bijzonder eerbetoon, omdat hij een voortreffelijk leven van kuisheid en armoede leidt dat het aanzien van zijn familie vergroot. Voor de Birmanen belichamen de monniken het beste en heiligste dat men in het leven kan bereiken. De mensen schenken hen voedsel, kleding, huishoudelijke artikelen en andere dagelijkse benodigdheden . Op die manier verwachten ze een goede daad te verrichten.

Ook de opvoeding van jonge meisjes kent een aantal traditionele gebeurtenissen waaronder de nadwin of het prikken van gaatjes in de oren. De nadwin betekent dat een meisje op een leeftijd komt waarin ze kennis maakt met de genoegens in het leven van een adolescente vrouw. Ze zit in haar mooiste kleren op een kussen temidden van een aantal gasten om gaatjes te laten prikken in haar oren. Ze krijgt bij die gelegenheid mooie oorbellen en andere geschenken van de aanwezigen. De nadwin is naast het huwelijk een van de meest bijzondere gebeurtenissen in het leven van de Birmaanse vrouw. Het feest is voor velen echter van mindere betekenis dan de shinbyu of de hpongyi in het leven van de Birmaanse man.  Hieruit blijkt een onderscheid tussen beide geslachten dat bijvoorbeeld ook naar voren komt bij een bezoek aan een tempel of een heiligdom waar sommige gedeelten met een bijzonder aanbeden beeld of relikwie niet toegankelijk zijn voor vrouwen.

Een overgrote meerderheid van de Birmanen is aanhanger van het boeddhisme ook al blijven sporen van hindoeïsme en animisme aanwezig in sommige religieuze gebruiken. Het universum bestaat volgens Birmaanse boeddhisten uit drie verschillende werelden namelijk hemel, aarde en hel. In het midden van deze werelden bevindt zich de berg Myinmo met daaromheen hemelse gebieden waar de dewas of hemelse geesten wonen. Hoog boven deze dewas wonen meer volmaakte wezens of byammas in verschillende sferen. En ver boven deze byammas wonen aan de grenzen van het opperste nirvana de meest voortreffelijken. Onder de hemelse gebieden ligt de aarde omringd door oceanen en bergketens. De aarde wordt bewoond door mensen die hooguit slechts honderd jaar worden. Maar zij hebben het geluk dat alleen hier de boeddha verschijnt die hen de weg wijst naar de hemelse gebieden en het nirvana. Onder de aarde bevinden zich de helse regionen waar de mens wrede straffen en martelingen wachten als hij zich slecht gedraagt. Naarmate de mens bevrijd van zonde en wereldse verlangens in een hogere sfeer terecht komt wordt zijn leven aangenamer en gelukkiger totdat hij het nirvana bereikt waar men dankzij contemplatie het ware inzicht heeft en geen vreugde of verdriet meer kent.

In het leven van de Birmanen spelen hemelse en aardse geesten of nats een vooraanstaande rol. Volgens de gelovige Birmanen huist er in ieder mens, dier en voorwerp een geest. Er zijn honderden geesten die wonen in heuvels, rivieren, meren en stenen. Ieder mens heeft een persoonlijke beschermgeest. Iedere woning heeft een eigen huisgeest en elk dorp heeft zijn eigen dorpsgeest. De boomgeesten hebben een voorkeur voor een oude waringin. Er zijn nats die afstammen van historische personages die een gewelddadige en onrechtvaardige dood zijn gestorven. Tot het pantheon van de nats behoren voorts enkele hindoe goden en boeddhistische boddhisattvas. Zij allen hebben sedert het bewind van koning Anawratha een formele plaats gekregen in de Birmaanse mythologie. De verering van de nats staat echter op gespannen voet met het boeddhisme. Zuivere boeddhisten wijzen aanbidding van geesten als bijgeloof af. Het hinayana boeddhisme predikt dat de mens zijn verlossing zelf in de hand heeft. Toch zijn de bovennatuurlijke nats voor talrijke Birmanen een welkome aanvulling op het boeddhisme. Als de geesten niet op de juiste wijze tevreden worden gesteld, kunnen ze de nodige schade aanrichten. Om de nats gunstig te stemmen brengt men hen regelmatig offers van wierook, bloemen, vruchten en geld. Deze offergaven legt men op speciale altaren de nat-sin.

De religie speelt in de bouwkunst een belangrijke rol. Het land telt duizenden pagoden, tempels, kloosters en andere boeddhistische bouwwerken. Boeddhistische heiligdommen noemt men in Myanmar paya of “heiligdom”. Deze naam gebruikt men zowel voor een pagode of zedi als voor een tempel of pahto. Veel heiligdommen zijn in de loop der eeuwen herbouwd zodat de vorm of de stijl niet altijd een juist beeld geeft van de oorspronkelijke ouderdom van een monument. Alleen tempels en pagoden waren gebouwd van baksteen dat is bedekt met pleisterwerk en versierd met stucwerk. Ze hebben daarom de tand des tijds goed doorstaan. Vooral in Bagan vindt men verschillende van dergelijke religieuze monumenten uit het verleden bij elkaar. De seculiere gebouwen zoals paleizen en woonhuizen bouwde men evenals de kloosters van hout. Daarom is van de niet-religieuze bouwkunst nauwelijks iets bewaard gebleven. Van sommige houten kloosters zijn in de loop de eeuwen stenen kopieën gemaakt, waardoor men toch een indruk krijgt hoe deze gebouwen eruit moeten hebben gezien. De weinige overgebleven houten kloosters zijn doorgaans niet ouder dan enkele honderden jaren. Ze geven blijk van een hoogstaande kunstvorm – die van de houtsnijkunst.

Een pagode is een religieus complex met in het midden een stoepa of zedi. De meeste pagoden volgen een bepaald basismodel en liggen vaak op een natuurlijke heuvel of een kunstmatige verhoging. Die stelt de berg Meru voor, de woonplaats van de goden. Trappen leiden aan vier zijden naar een platform op de top. Chinthes of mythologische griffioenen bewaken de ingangen aan de voet van de trappen. In het midden van het platform staat een stoepa omringd door kleinere stoepa’s en paviljoens of tazaung. De stoepa bestaat uit baksteen en is volledig massief. Onder de stoepa bevindt zich vaak een verzegelde relikwiekamer, waarin een haar, tand of bot van Boeddha wordt bewaard. Grote stoepa’s hebben een basis met daarop van beneden naar boven vierkante, achthoekige en ronde terrassen. Op deze terrassen rust een koepel. De vorm van deze koepel heeft in de loop der eeuwen kleine wijzigingen ondergaan. De vroegste zedi waren kegelvormig. De latere zedi hebben een sierlijke lijn in de vorm van een klok met daarop een spits. Een variant heeft hetzelfde ontwerp maar kent daarnaast een vaasvormige constructie of amalaka tussen de koepel en de spits. Een andere variant is een ronde basis met een klokvormige koepel waarop een kubus, de harmika of relikwiekamer, is gebouwd. De top bestaat uit de hti of een metalen parasol die is versierd met windbelletjes. Op de hti staat een vlag met op de mast een diamant. De hele stoepa is vaak met goud bekleed.

Een tempel of pahto is een vierkant of rechthoekig gebouw rondom een of meerdere boeddhabeelden. De tempels zijn er in twee vormen. Het vroegste type is de holle tempel met slechts één ingang en één verdieping. Het interieur wordt zwak verlicht door kleine ramen met sierwerk van zandsteen. Achter in de tempel bevindt zich een boeddhabeeld. De tempel heeft een trapvormig dak dat in een koepelvorm overgaat. Dit type tempel staat ook bekend als gu of ku dat in het Pali “grot” betekent. De latere galerijtempel is gebouwd rond een grote vierkanten zuil. Deze tempel heeft vier ingangen en vaak meerdere verdiepingen. Kenmerkend is de vierkanten pilaar in het midden van de tempel. Aan iedere kant van de pilaar is een nis uitgespaard voor een boeddhabeeld. Rond de pilaar loopt een of meerdere galerijen met een boogplafond. Het interieur wordt helder verlicht door hoge ramen en ingangen. Als variatie op het vierhoekige ontwerp voegde men in latere periodes een vestibule of een zuilengang toe aan een kant of meerdere kanten. Boven de tempel bevinden zich verscheidene terrassen met daarop een stoepa of een sikhar die vaak krom van vorm is maar soms ook de vorm van een piramide heeft.

De Birmaanse beeldhouwkunst bestaat voornamelijk uit tempelreliëfs en boeddhabeelden. De oudste bewaard gebleven boeddhabeelden dateren uit de tijd van de Pyu. Bij de val van Bagan zijn veel beelden uit deze periode helaas verloren gegaan. Vanaf de veertiende eeuw ontwikkelde zich de specifieke Birmaanse boeddhastijl waarbij alle vingers en tenen even lang zijn en oorlellen tot op de schouders hangen. Er zijn vier grondhoudingen waarin Boeddha werd afgebeeld: lopend (beschermend), staand (lerend), zittend (mediterend) en liggend (stervend). Daarnaast waren er ongeveer veertig mudra’s of posities van de hand voorgeschreven. De Dhyana mudra of meditatiehouding toont een zittende Boeddha met de handen, met de palmen naar boven, rustend in de schoot. In het geval van de Bhumisparca mudra rust Boeddha’s rechterhand op zijn knie en de vingers raken de grond. De linkerhand rust in de schoot. Deze houding is het teken van vastberadenheid waarbij Boeddha verscheidene duivelse verleidingen weerstaat. De Abhaya mudra is het symbool van de bescherming die Boeddha zijn volgelingen biedt. De staande Boeddha heft zijn rechterhand of beide handen omhoog, met de palmen naar voren en de vingers naar boven. De Vara mudra laat een zittende of staande Boeddha zien die zijn volgelingen zegent. De rechterhand wijst naar beneden en de palm naar buiten. De Vitarka mudra symboliseert het prediken van het boeddhisme. De zittende of staande Boeddha heft de rechterhand, waarbij duim en wijsvinger een cirkel vormen. De Dana mudra toont een staande Boeddha met een of beide handen voorwaarts gestrekt en de handpalmen omhoog. Deze houding symboliseert het aanbieden van dhamma of boeddhistische leerstellingen aan de wereld. Tijdens de koloniale tijd raakten architectuur en beeldhouwkunst in verval. Door de afschaffing van het koningschap viel er een belangrijke steunpilaar voor de kunst weg. De kunstenaars gingen zich nu meer op de koloniale overheid richten. Dat resulteerde in een kritiekloze imitatie van de in Engeland gangbare Victoriaanse stijl.

Het Birmaanse theater of pwe omvat onder meer dansdrama. De thematiek is meestal gebaseerd op de jatakas of de legenden rond het leven van Boeddha enerzijds en op de yamazat of de Birmaanse versie van het hindoe dichtwerk Ramayana anderzijds. De klassieke Birmaanse dans vindt zijn oorsprong in de achttiende eeuwse hofdans. De koningen van het Derde Birmaanse Koninkrijk maakten bij hun veroveringstochten kennis met de verschillende dansvormen in Thailand. De klassieke Birmaanse dans ontleent veel elementen aan de Thaise danskunst. Die is op zijn beurt weer beïnvloed door de eeuwenoude danskunst van Angkor in het tegenwoordige Cambodja. De meeste dansvoorstellingen tonen een danseres in kleurige kleding met een lange witte sleep die ze met haar hielen in de lucht schopt. De danseres beweegt haar hoofd en armen volgens strikte voorschriften. Ieder gebaar en iedere lichaamshouding heeft een betekenis.

Tot het Birmaanse theater behoort ook het marionettenspel of yokthe pwe dat is ontstaan in Bagan in de elfde eeuw. In die tijd konden mannen en vrouwen fatsoenshalve niet samen op een podium konden staan. Marionetten namen daarom de plaats in van echte toneelspelers. Sindsdien heeft het spel afwisselend in de belangstelling gestaan. Tijdens het Derde Birmaanse Koninkrijk was het spel zeer geliefd aan het koninklijk hof. Tegenwoordig is het spel niet meer zo geliefd. Soms verbiedt het militaire regime een voorstelling omdat de poppenspelers kritiek uiten op wantoestanden. De houten marionetten zijn ongeveer zeventig centimeter lang. Het spelen met de marionetten vereist een grote vaardigheid. Sommige marionetten hebben maar liefst zestig touwtjes en kunnen ieder lichaamsdeel bewegen. In een voorstelling komen vele personages aan bod zoals een koning, een astroloog, een nat, een kluizenaar en een tovenaar.

Terug naar inhoudsopgave

 

Bevolking

Myanmar heeft een bijzonder heterogene bevolking. De regering erkent meer dan honderd etnische groepen die onderling sterk verschillen in uiterlijk, kleding, taal, cultuur, gebruiken en gewoonten. Men onderscheidt drie hoofdgroepen. De Mon-Khmer waren afkomstig uit Centraal-Azië en vestigden zich in de centrale vlakte, in het stroomgebied van de Ayeyarwady. De Tibeto-Birmanen verdreven hen later naar het zuiden en maakten Bagan tot de hoofdstad van hun rijk. De Sino-Tai tenslotte kwamen met de laatste migratiegolf vanuit Indo-China het land binnen. Zij bevolken in hoofdzaak de bergachtige gebieden in het noordoosten van het land.

Tot de eerste groep van de Mon-Khmer behoren niet alleen de Mon maar ook de Palaung. De Mon waren de eerste immigranten en de grondleggers van de hedendaagse traditionele cultuur. Later hebben zij zich met de Birmanen vermengd en ze zijn nu een nauwelijks nog te onderscheiden groep. Zij zijn mede verantwoordelijk geweest voor de verspreiding van het theravada boeddhisme op het vasteland van zuidoost Azië. Daarbij hebben ook monniken uit Sri Lanka een belangrijke rol gespeeld met de introductie van de tripitaka of de klassieke boeddhistische geschriften. De Palaung wonen met verscheidene families bijeen in long houses op palen en leven voornamelijk van het verbouwen van thee en dekbladen voor cheroots, de Birmaanse sigaren. De meeste Palaung hangen een mengvorm van boeddhisme en animisme aan. Ze brengen zoenoffers aan de nats bestaande uit tabak en betelnoot. De traditionele kleding van de vrouwen is bijzonder kleurrijk. Ze bestaat uit een groen, paars of blauw hesje met rode kraag en een roodgestreepte rok. Ongetrouwde vrouwen dragen een zwart fluwelen hoedje versierd met veelkleurige linten en zilveren munten langs de rand. Getrouwde vrouwen daarentegen binden kleurige sjaals rond hun hoofd die soms geborduurd zijn. Getrouwde vrouwen dragen een rotankoord rond het middel. Ongetrouwde vrouwen dragen gewoonlijk grote gouden oorringen versierd met bloemen. Er zijn twee manieren om een  ongetrouwde vrouw het hof te maken: men brengt een rechtstreeks bezoek aan het ouderlijk huis waarin ze woont of men steekt zijn hand door een gat in het ouderlijk huis en vraagt om haar hand. 

Tot de tweede groep van de Tibeto-Birmanen behoren de Birmanen of Bamar. Zij zijn oorspronkelijk afkomstig uit het zuidwesten van China. De meesten wonen nu in en rond Yangon en op de centrale vlakte. Ze vormen de grootste etnische groep van het land en spelen een dominante rol in het staatsapparaat. Het Birmaans is de officiële taal in het onderwijs en in het bestuursapparaat. Er is een verschil in herkomst tussen het gesproken en geschreven Birmaans. De spreektaal is van Sino-Tibetaanse oorsprong, terwijl het alfabet is ontleend aan het Pali een Brahmaans schrift uit het zuiden van India. Het oudste geschreven Birmaans is aangetroffen op stenen inscripties uit de twaalfde eeuw in Bagan. De Danu beschouwt men wel eens als het resultaat van onderlinge huwelijken tussen de Bamar en de Shan. Zij leven op de centrale hoogvlakte in een gebied dat betrekkelijk vlak is en geen hoge bergtoppen heeft. Hun taal is gebaseerd op het Birmaans.

De Padaung behoren tot de derde groep van de Sino-Tai. Zij vormen een kleine, maar opvallende minderheid . De vrouwen hebben een grote haarknot voor op hun hoofd die ze met een bamboe kam vastzetten. Ze hebben een grote sjaal om hun hoofd, ondergoed tot op de knieën en daarboven kleding tot op het middel. Het bijzondere aan hen is de gewoonte om een groot aantal zware koperen ringen rond de hals te dragen, waardoor het lijkt of de nek is uitgerekt. De Padaung danken er de bijnaam long necks of giraffevrouwen aan. Meisjes krijgen hun eerste ring op zesjarige leeftijd en tot hun huwelijk worden er jaarlijks nieuwe ringen toegevoegd. De ringen zijn verschillend van afmeting: de onderste ring is het grootst en naar boven toe worden ze steeds smaller. De lange nek wordt niet veroorzaakt door uitrekken, maar door het zakken van de schouders onder het zware gewicht van de ringen. De oorsprong van de gewoonte is niet helemaal duidelijk. Van oudsher luidt het verhaal dat de Padaung vrouwen de ringen dragen ter herinnering aan hun afstamming van de nagas of mythische draken. Zeker is dat de meisjes op jong leeftijd de ringen van hun ouders en grootouders krijgen als (huwelijks)geschenk. Er klinken echter ook andere geluiden omtrent de herkomst van dit gebruik. Misschien probeerden de vrouwen hun nek te beschermen tegen een aanval van tijgers. Het kan zijn dat mannen hun vrouwen bewust mismaakten om ze onaantrekkelijk te maken voor vrouwenrovers. De gewoonte sterft nu langzaam uit en alleen de oudere vrouwen dragen nog ringen. De Padaung dragen voorts ringen rond hun knieën en hun kuiten. Verder dragen ze grote oorringen in hun oren en zilveren of kralen kettingen om hun hals. De Padaung hangen zowel het boeddhisme aan als het christendom en het animisme.

Tot de derde groep van de Sino-Tai behoren ook de  Pao of Taung Thu. Zij leven wijd verspreid in de bergachtige gebieden bij Kalaw tot aan de voet van de heuvels bij Bago. Zowel mannen als vrouwen binden hoofddoeken om hun hoofd. De mannen dragen brede broeken en zwarte jasjes. De vrouwen kleden zich in lange zwarte rokken en jasjes met lange mouwen. Ze hebben een zwarte beenwarmer tot op de kuiten die soms met zilverdraad is afgezet. Ze dragen spelden en kammen in hun haar zowel als knopjes in hun oren en ringen om hun vingers. De meeste Pao hangen een mengvorm van boeddhisme en animisme aan. Ze brengen zoenoffers aan de nats bestaande uit ingemaakte vis. Een offer in de vorm van vlees is voor hen taboe. Ze nemen gezamenlijk deel aan boeddhistische inwijdingsceremoniën en andere festivals die ze luister bijzetten met bronzen gongmuziek en zelfgemaakte vuurpijlen. De Pao leggen zich in hoofdzaak toe op de verbouw van mandarijnen, koffie en dekbladen voor cheroots. Ze verbouwen daarnaast ook tarwe, graan, aardnoten, knoflook enzovoorts. Ze vormen een hechte gemeenschap en zijn economisch zeer ontwikkeld.

Van de hier beschreven bevolkingsgroepen hebben alleen de Mon, de Bamar en de Pao hun eigen schrift en taal. Het Palaung is gebaseerd op het Romeinse alfabet dat is geïntroduceerd door verschillende christelijke missionarissen. De Danu maken gebruik van het Birmaans voor hun communicatie. De Padaung hebben alleen een spreektaal en geen schrijftaal.

Terug naar inhoudsopgave

Yangon Video Yangon  

Ver voor het begin van onze jaartelling lag er op de plaats van de huidige hoofdstad al een kleine handelsnederzetting met de naam Okkala. Naar verluidt stond er al in de vijfde eeuw voor Christus een boeddhistisch heiligdom dat was gebouwd om acht haren van Boeddha te herbergen die twee kooplieden in India tijdens een ontmoeting met de Verlichte hadden gekregen. De Mon gaven de nederzetting later de naam Dagon. De plaats was een belangrijk religieus centrum dat in aanzien stond bij verschillende koningen van het Eerste Birmaanse Koninkrijk. Rond het midden van de achttiende eeuw veroverde koning Alaungpaya Neder Myanmar op de Mon. Op de plaats van Dagon bouwde hij een nieuwe stad en noemde die Yangon of “Einde van de Vijandelijkheden”. Hij maakte van de stad de voornaamste zeehaven van het Derde Birmaanse Koninkrijk. Tijdens de eerste Anglo-Birmaanse oorlog bezetten de Britten korte tijd de stad. Tijdens de tweede Anglo-Birmaanse oorlog viel de stad opnieuw in Britse handen. Na de verovering van heel Myanmar riepen de Britten in 1885 de stad uit tot hoofdstad van het land. Zij verbasterden de naam tot Rangoon. In de Tweede Wereldoorlog was Yangon in Japanse handen. Daarna werd het de hoofdstad van een onafhankelijk Myanmar.

In de wijk Dagon iets ten noordwesten van het centrum staat de Shwedagon pagode. Het is de voornaamste bezienswaardigheid van de hoofdstad. Volgens overlevering dateert de pagode uit de vijfde eeuw voor Christus. Tal van vorsten hebben nadien opdracht gegeven tot herbouw van de pagode die te lijden had onder verscheidene aardbevingen. Het gebruik om de stoepa met bladgoud te vergulden dateert uit de vijftiende eeuw. De huidige vorm van de pagode dateert uit de achttiende eeuw. Vier overdekte trappen leiden naar het platform op de top van de heuvel. Het trappenhuis op het zuiden vormt de hoofdingang tot de pagode. Twee chinthes of mythische griffioenen bewaken er de ingang. Langs het trappenhuis is een rij winkeltjes waar gelovigen bloemen kopen voor offerandes. Ceremoniële parasols, boeddhabeelden, gouden tronen, ivoren kammen, boeken, antiek en wierookstokjes zijn er ook te koop. Het trappenhuis komt uit op een marmeren platform. In het midden van het platform staat de massieve vergulde stoepa. De stoepa verrijst op drie terrassen, dan achthoekige terrassen en tenslotte vijf cirkelvormige ringen. De klokvormige stoepa heeft zestien “bloemen” op de schouders. Op de klok rust een omgekeerde vaasvorm. Daarop bevindt zich de spits die bestaat uit lotusbladen, een bananenknop en een hti of een ijzeren parasol die is bedekt met goud en edelstenen. Rond de basis staan op iedere windrichting vier grote en vierenzestig kleinere stoepa’s.

Op alle hoeken en windrichtingen van de centrale stoepa in de Shwedagon pagode bevinden zich gebedsposten. Iedere post is verbonden met een planeet, een dier en een dag van de week. De zondag is verbonden met de Zon en de Garuda. De maandag is verbonden met de Maan en de Tijger. De dinsdag is verbonden met Mars en de Leeuw. De woensdagochtend is verbonden met Mercurius en de Olifant mét slagtanden. De woensdagmiddag is verbonden met Yahu en de Olifant zónder slagtanden. De donderdag is verbonden met Jupiter en de Rat. De vrijdag is verbonden met Venus en het Varken. De zaterdag tenslotte is verbonden met Saturnus en de Naga.  Birmanen geloven dat hun beschermgeest huist in de gebedspost die is verbonden met de dag van de week waarop ze geboren zijn. Daarom brengen ze er offers, branden wierook en geven de boeddhabeelden een ritueel bad. Op het marmeren platform staan voorts tazaung of paviljoens met zeven of negen daken en zayat of rustplaatsen voor pelgrims.

Terug naar inhoudsopgave

 

Bago Video Bago  

Bago is een van de oudste steden van Myanmar. De stad is volgens de overlevering in de zesde eeuw gesticht door twee Mon prinsen. Zij waren op zoek naar een geschikte locatie om een nieuwe hoofdstad te bouwen. Op een dag ontdekten ze een eilandje voor de kust van Martaban. Daarop zat een hantha of mythische gans met zijn vrouwtje op de rug. De prinsen zagen hierin een gunstig voorteken en besloten hier hun stad te bouwen met de naam Hanthawady of “Rijk van de Gans”. Bago heeft ooit aan zee gelegen, maar door aanslibbing is de stad steeds verder van de kust af komen te liggen. In de elfde eeuw veroverde de Birmaanse koning Anawratha de stad die na de val van het Eerste Birmaanse Koninkrijk weer onafhankelijk werd. De Mon koning Binnya U riep Bago in de tweede helft van de veertiende eeuw uit tot hoofdstad van een rijk dat het grootste deel van Neder Myanmar omvatte. Daarmee begon een bloeiperiode die met enkele korte onderbrekingen drie eeuwen lang zou duren. Nadien speelde de stad geen rol van betekenis meer. De rivier de Pegu verlegde haar loop waardoor de stad de verbinding met zee verloor. Daardoor boette de stad economisch sterk aan betekenis in. De monumenten werden verwaarloosd en geheel aan de elementen overgelaten en overwoekerd door het oerwoud om pas laat in de negentiende eeuw te worden “herontdekt”.

De Kyaikpun pagode ten zuiden van Bago is een van de voornaamste bezienswaardigheden die getuigen van haar grootse verleden. Het bouwwerk bestaat uit vier beelden van zittende boeddha’s. Ze zitten op de vier windrichtingen met de rug tegen een reusachtige vierkanten zuil. De beelden stellen de huidige Boeddha en zijn drie voorgangers voor: Gautama en Kakusandha, Konagamana en Kassapa. Het bouwwerk is in de tweede helft van de vijftiende eeuw opgericht door koning Dhammazedi. Volgens de overlevering waren vier zusters betrokken bij de bouw van het monument. Naar verluidt zou een van de Boeddha’s instorten als één van hen zou trouwen. Bij een aardbeving in de twintigste eeuw is dat inderdaad gebeurd.

In het westen van Bago bevindt zich de liggende boeddha van Shwetalyaung dat het heiligste boeddhabeeld is van Myanmar. Het oorspronkelijke beeld is in de tiende eeuw gemaakt. In de loop der eeuwen heeft men het beeld verscheidene keren gerestaureerd. Het beeld is een van de grootste liggende boeddha’s ter wereld. Glimlachend staart Boeddha over de hoofden van de gelovigen in de verte, een houding die het bereiken van het nirvana uitbeeldt. Volgens de Birmanen beeldt het beeld een ontspannen Boeddha uit en niet een overleden Boeddha, aangezien hij zijn ogen wijd open heeft en zijn voeten licht gespreid houdt. Het hoofd van Boeddha rust op een kussen dat in de twintigste eeuw is bedekt met mozaïeken. Op de achterwand van het boeddhabeeld is in reliëfschilderingen de ontstaansgeschiedenis van het beeld te zien. De koning hing een heidens geloof aan. Op een dag stuurde de vorst een van zijn zoons het bos in om te gaan jagen. Daar ontmoette de prins een knap Mon meisje. Ze werden verliefd op elkaar en trouwden nadat de prins het meisje had beloofd dat ze haar boeddhistische geloof mocht houden. Na aankomst wilde de koning het meisje doden, omdat ze haar geloof niet wilde afleggen. Om de kracht van haar religie aan te tonen, knielde het meisje voor een heidens beeld dat prompt uit elkaar viel. De koning bekeerde zich daarop tot het boeddhisme en liet het beeld van Shwetalyaung vervaardigen.

Terug naar inhoudsopgave

 

Kalaw Video Kalaw  

Het stadje Kalaw ligt hoog op de rand van het westelijke Shan-plateau. Het stadje diende in de koloniale tijd als hill station voor Engelse onderdanen die in de zomer de hitte op de vlakte wilden ontvluchten, en het ademt nog een Britse sfeer. In de omgeving van Kalaw liggen verscheidene dorpen van de Palaung. De Palaung hebben een traditionele klederdracht die ze eigenlijk alleen nog maar dragen bij bijzondere gelegenheden zoals de tazaungdaing. Dit festival wordt vooral in de Shan-staat uitbundig gevierd met papieren ballonnen voorzien van een lichtje die men 's avonds in het donker de lucht in laat. De bewoners verzamelen zich in het dorpshuis waar ze vreemde bezoekers gastvrij ontvangen. Bij deze gelegenheid kleden de vrouwen zich in hun traditionele kleurrijke kleding bestaande uit een donker hesje en een roodgestreepte longyi. Getrouwde vrouwen dragen kleurige sjaals rond hun hoofd en een rotankoord rond hun middel.

De tocht naar de dorpen van de Palaung voert door een heuvelachtig terrein. De begroeiing bestaat uit bamboe en een enkele boom. De kale plekken op de hellingen zijn het gevolg van de intensieve houtkap. De Palaung in de omgeving van Kalaw leven van de zwerflandbouw, jacht en handwerk. Ze verbouwen droge rijst en groenten op de akkers in de dalen, thee en koffie op de hellingen van de heuvels. Maar het belangrijkste produkt is thanaq-hpeq of cordiablad, dat wordt gebruikt als dekblad voor Birmaanse sigaren, de cheroots. In het dorpje Ywathit hebben sommige Palaung in de ruimte onder hun paalwoning een werkplaats ingericht. In die werkruimte staan ovens voor het drogen van de cordiabladeren. Tijdens de tazaungdaing zijn de bewoners niet aan het werk in hun werkruimte, maar zoeken ze elkaar op in het dorpshuis om na de voordracht van een boeddhistische monnik gezamenlijk thee of koffie te drinken onder het genot van een goede sigaar. De vrouwen kleden zich in hun traditionele klederdracht bestaande uit een donker hesje en een roodgestreepte longyi.   Bereidwillig tonen ze vreemde bezoekers de werkruimte waar ze het cordiablad voor de sigaren drogen.

Het dorpje Taryaw heeft ongeveer driehonderd inwoners. Een aantal gezinnen in dit dorp woont nog bij elkaar in een traditioneel long house. Deze langgerekte woning op palen biedt onderdak aan vier tot elf gezinnen. Ieder gezin heeft zijn eigen haard en er zijn aparte kamers voor de ouders. Kinderen slapen op matten op de vloer. Grote gezinnen met soms wel acht kinderen zijn regel. In het long house droogt men maïs en onder het huis scharrelen kippen en varkens. Alleen de rijke dorpelingen zoals de hoofdman hebben een eigen huis. Tijdens de tazaungdaing verzamelen de bewoners zich in het dorpshuis. Buiten vermaken de kinderen zich met een muziekgezelschap dat de overige bewoners uit hun huizen lokt. Ook in dit dorp kleden de vrouwen zich in hun traditionele klederdracht bestaande uit een donker hesje en een roodgestreepte longyi . Ongetrouwde meisjes zijn te herkennen aan een zwart fluwelen hoedje met pompoen en veelkleurige linten. Deze mutsjes dragen ze echter niet op hun hoofd. Ze trachten de hoedjes te verkopen aan vreemde bezoekers. Dat is een teken dat deze dorpelingen het toerisme als bron van inkomsten hebben ontdekt.

De bewoners van het dorpje Hinkagone leiden een armoedig bestaan. Zij werken tijdens de tazaungdaing door om het hoofd boven water te houden. De belangrijkste weg door het dorpje is een maand na het natte seizoen nog een grote modderpoel. Langs de kant van de weg liggen boomstammen om de bewoners droge voeten te garanderen op weg naar hun woning. De stammen liggen opgestapeld tegen de omheining van verschillende woontuinen. Op de veranda van een paalwoning zit een oude vrouw kleding te herstellen, terwijl een andere vrouw met haar voet een balk in beweging brengt om graankorrels te pletten. Langs de kant van de modderige weg lopen enkele jonge vrouwen met sprokkelhout in een mand op hun rug. De mand hebben ze met een band om hun voorhoofd bevestigd om het gewicht van de lading beter en evenwichtiger te verdelen. Van de dorpsbewoners heeft nauwelijks iemand tijd om aandacht te besteden aan vreemde bezoekers. Niemand draagt er traditionele kleding in de vorm van een donker hesje en een roodgestreepte longyi.

In de omgeving van Kalaw liggen ook enkele dorpen van de Danu. De Danu hebben geen traditionele klederdracht meer. Tijdens de tazaungdaing dragen de vrouwen van het dorpje Ywapu hun alledaagse kleding bestaande uit een kleurige longyi met bloemmotief. Om hun hoofd dragen ze een hoofddoek in bijpassende kleur. De oudere vrouwen in het dorpje dragen kleding met donkere, sobere kleuren. Ywapu ligt niet ver van de spoorlijn die voert naar het station van Kalaw. De bewoners van het dorpje maken hiervan handig gebruik om hun producten te verkopen op de lokale markt van Kalaw getuige de manden met koolgroenten die klaar staan om verhandeld te worden. De handel bloeit niet alleen op de markt van Kalaw, maar ook op het station dat daarheen voert. In de omgeving van het station komt men veel minderheden tegen met allerlei koopwaar in de manden op hun rug zoals sigaren, kaarsen, bloemen en geschenken voor de kinderen. Onderweg ontmoet men veel Pao vrouwen die al dan niet vergezeld van hun kinderen inkopen gaan doen op de markt.  

Terug naar inhoudsopgave

 

Nyaungshwe Video Nyaungshwe  

Nyaungshwe is de basis voor een bezoek aan het sfeervolle Inle-meer. In de streek rond het meer liggen tweehonderd dorpen waar voornamelijk Inthar wonen. Deze etnische groep is oorspronkelijk afkomstig van het schiereiland Taninthayi in het zuiden van Myanmar. De Inthar hebben zich tussen de veertiende en de achttiende eeuw in het gebied rond het meer gevestigd. Hun levenswijze is nauw met het water verbonden. Ze bouwen hun huizen en pagoden op palen in het water, verbouwen hun groenten op drijvende tuinen en leven onder andere van de visvangst. Ze zijn bijzonder vaardig in allerlei vormen van huisnijverheid zoals het weven van kleding, het smeden van (edel)metaal en het bewerken van hout. De meeste Inthar zijn boeddhist en staan wijd en zijd bekend om hun religieuze festivals en de daarbij horende roeiwedstrijden. Zij zijn erg gelovig en op en rond het meer liggen vele tempels en kloosters. Zij kleden zich net als de Bamar met wie ze verwant zijn en hun gewoonten en gebruiken komen overeen. Hoewel ze voor sommige dingen andere woorden gebruiken hebben ze ook dezelfde taal.  

In de omgeving van Nyaungshwe liggen ook enkele vreedzame dorpen van de Pao. De vrouwen van de  zijn te herkennen aan de donkerblauwe of indigo kleding en de kleurige tulbanden. De bedrijvige en diepgelovige Pao leven hoofdzakelijk van de landbouw. Ze verbouwen niet alleen graan en rijst maar ook veel soorten groenten en fruit evenals koffie en thee en vooral veel knoflook. Het belangrijkste marktgewas dat ze verbouwen is echter cordiablad dat wordt gebruikt als dekblad voor de cheroots of Birmese sigaren. Tot voor kort verbouwden ze ook papavers ofschoon ze nooit bij de opiumhandel betrokken zijn geweest. Hun landbouwvelden liggen er netjes bij en hun woningen zijn schoon met kleurige struiken en bloemen eromheen. Het interieur van hun woning is sober ingericht. Aan de muur hangen foto’s uit een kalender en op een verhoging tegen de muur staat een boeddhistisch altaartje. In de kamer zijn geen meubelen aanwezig zoals een stoel, een bank of een tafel. Persoonlijke bezittingen bewaren ze in een slaapkamertje dat van de woonkamer is gescheiden door een gordijn. De Pao staan in de omgeving bekend als goede handelaren. Ze bezitten verscheidene winkel- en landbouwbedrijven.

In de verre omgeving van Nyaungshwe liggen enkele dorpen van de Padaung, een minderheid van zevenduizend mensen die vrijwel uitsluitend in deze streek voorkomt. Padaung-vrouwen dragen zware koperen ringen om de hals en worden daarom long necks of giraffevrouwen genoemd. In de directe omgeving van Nyaungshwe leven enkele Padaung families die zich hebben afgezonderd uit hun traditionele dorpsgemeenschap. Het is niet bekend of zij hiervoor vrijwillig hebben gekozen. Naar verluidt draagt de lokale bevolking zorg voor hun huisvesting en hun levensonderhoud. De Padaung families ontvangen bezoek van toeristen op hun woonerf. Bezoekers moeten entreegeld betalen alvorens zij het erf betreden. Van de entreeprijs gaat slechts een gedeelte naar de Padaung families. Hun inkomsten vullen zij aan met de verkoop van kleding en textiel. De vrouwen poseren verplicht voor de foto’s en vertonen weinig enthousiasme. Wat misschien ooit begon als een sociaal experiment is nu verworden tot een toeristische attractie van een bedenkelijke soort.    

Het dorp Indein op de westelijke oever van het Inle meer was vroeger in de tijd van het Shan koninkrijk de zetel van een bestuursambtenaar. Die had als opdracht het innen van de belastingopbrengsten. Het dorp ligt aan de voet van een heuvel. Boven op de heuvel ligt Shwe Inn Thein aan het einde van een lange trap met meer dan vierhonderd houten pilaren. De verzameling van verweerde stoepa’s uit de zestiende en de zeventiende eeuw is ontkomen aan restauratie. Op het terrein staan gepleisterde bakstenen deva of hemelse schepselen en chinthes of griffioenen temidden van talloze stoepa’s. De meeste beelden zijn echter in de loop der tijd verdwenen of beschadigd door roofzuchtige handelaren en door weersinvloeden. Temidden van het puin en de struiken met onkruid spreekt de vroegere schoonheid van de overgebleven beelden en bouwsels tot de verbeelding. De slanke stoepa’s hebben een onmiskenbare Shan-stijl. Sommigen hebben nog originele reliëfs van pleisterwerk terwijl de metalen hti op de top onwezenlijk schuin hangen of zijn verbogen danwel gedraaid. Vanaf het tempelterrein heeft men een indrukwekkend uitzicht op de natuurlijke omgeving met het uitgestrekte meer in de diepte en de hoge heuvels daaromheen. Plaatselijke kinderen kiezen het terrein als hun speelplaats en laten zich er graag fotograferen .

Terug naar inhoudsopgave

 

Mandalay Video Mandalay

Mandalay is een vrij jonge stad met een geschiedenis die niet verder terug gaat dan 1857. In dat jaar stichtte koning Mindon de Konbaung dynastie en vervulde daarmee de voorspelling van Boeddha dat aan de voet van de heuvel van Mandalay een nieuwe stad zou verrijzen. De stad zou volgens de profetie het middelpunt van de boeddhistische wereld worden. Enkele jaren na de stichting verplaatste koning Mindon de hoofdstad van zijn rijk naar Mandalay. In korte tijd groeide Mandalay uit tot een van de meest vooraanstaande boeddhistische centra van Azië. Mandalay heeft echter slechts kort dienst gedaan als hoofdstad van het Derde Birmaanse Rijk. In 1885 namen de Engelsen de stad in en verbanden koning Thibaw en zijn echtgenote naar zuid-India. Het Britse bezettingsleger nam zijn intrek in het Koninklijk Paleis en doopte het om in een fort. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het paleis en een groot deel van de stad verwoest door geallieerde bombardementen.

Een van de bezienswaardigheden in Mandalay is het Shwenandaw klooster of kyaung. Het Gouden Paleisklooster maakte ooit deel uit van het paleiscomplex en was het vertrek waar koning Mindon woonde met zijn hoofdvrouw en waar hij ook overleed. Zijn zoon Thibaw verplaatste het gebouw in 1880 naar de huidige locatie vlak buiten de paleismuur en maakte het tot een klooster. Daarmee bleef het gebouw gespaard voor de bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is het enige originele onderdeel van het paleis dat bewaard is gebleven. Het is tot op de dag van vandaag een fraai voorbeeld van een traditioneel Birmaans houten klooster. Het gebouw heeft prachtig houtsnijwerk op houten panelen aan de binnenkant en de buitenkant. Helaas zijn veel panelen aan de buitenkant door weersinvloeden aangetast en sommige panelen zijn zelfs verwijderd. Ook de dakgevels zijn rijkelijk versierd met houtsnijwerk in de vorm van devas of hemelse schepselen en hamsa of mythische vogels. Ooit was het gebouw verguld en versierd met glasmozaïeken.

Terug naar inhoudsopgave

Monywa Video Monywa

Ruim honderd kilometer ten noordwesten van Mandalay ligt Monywa aan de Chindwin rivier. Het is de op een na grootste stad van noord Myanmar. Het is een knooppunt voor het handelsverkeer richting India. Aan de overkant van de rivier ligt een stelsel van zandsteen grotten met de naam Hpo Win Daung. Al sinds de oertijd wonen er mensen. Men heeft er de fossiele resten gevonden van een van de voorouders van de huidige mens die dertig miljoen jaar geleden leefde. De grotten en de heuvelachtige omgeving zijn genoemd naar U Hpo Win, een beroemde alchemist die er ooit woonde. Een overdekte heuveltrap leidt naar de hoofdgrot, maar er zijn tientallen andere grote en kleine grotten in de omgeving. Naar verluidt herbergen ze meer dan vierhonderdduizend boeddha beelden, houtsnijwerken en muurschilderingen. In de Win Kaba grot staan verscheidene beelden van een zittende boeddha in rij opgesteld recht tegenover de verschillende ingangen van de grot.  Die worden bewaakt door chinthes of mythische griffioenen die in de rotssteen zijn uitgehouwen. In de Myint Mo grot zijn rondom de boeddhabeelden nog decoratieve  muurschilderingen zichtbaar.  De meeste kunstwerken dateren uit de zeventiende en achttiende eeuw. Maar enkele voorwerpen zijn van oudere oorsprong en dateren uit de veertiende tot de zestiende eeuw.

Terug naar inhoudsopgave

 

Bagan Video Bagan

Bagan ligt aan de oostelijke oever van de Ayeyarwady in het hart van opper Myanmar ten zuidwesten van Mandalay. De vlakte rond de stad is bezaaid met religieuze monumenten. Verspreid over een oppervlakte van veertig vierkante kilometer liggen meer dan tweeduizend heiligdommen en ruïnes. Zover het oog reikt ziet men bouwsels van rode baksteen in alle soorten, maten en stadia van verval. De monumenten in Bagan vormen de stille getuigen van een roemrijke periode die van de elfde tot de veertiende eeuw duurde. Bagan was toen de hoofdstad van het Eerste Birmaanse Koninkrijk en een van de grootste religieuze centra in Zuidoost-Azië. In deze periode bereikte de tempelbouw een hoogtepunt dat nooit meer geëvenaard zou worden. Ondanks de talrijke bouwwerken is het moeilijk voor te stellen hoe Bagan er op het hoogtepunt van de bloei moet hebben uitgezien. Alleen de religieuze gebouwen werden namelijk opgetrokken uit baksteen en zijn bewaard gebleven. De houten paleizen en huizen zijn allemaal verloren gegaan. Ironisch genoeg heeft de toepassing van hout tot het behoud van de heiligdommen geleid. Door het op grote schaal kappen van bomen voor de bouw van huizen en paleizen en voor het stoken van steenovens is de vlakte volledig ontbost geraakt. Als gevolg van de ontbossing ontstond er een kurkdroog klimaat. Juist onder dergelijke klimatologische omstandigheden konden de stenen heiligdommen zich goed handhaven.

De volgende koningen hebben geregeerd over Bagan in zijn hoogtijdagen: 
  • Anawratha  1044 - 1077 
  • Sawlu  1077 - 1084 
  • Kyanzittha  1084 - 1113 
  • Alaungsithu  1113 - 1167 
  • Narathu  1167 - 1170 
  • Naratheinkha  1170 - 1174 
  • Narapatisithu  1174 - 1211 
  • Nantaungmya  1211 - 1234 
  • Kyaswa 1234 - 1250 
  • Uzana  1250 - 1255  
  • Narathihapati 1255 - 1287

De meer dan tweeduizend monumenten kan men op basis van leeftijd en stijl indelen in drie perioden. De bouwwerken uit de vroege periode (850-1120) zijn gebaseerd op ontwerpen van de Pyu. Veel schrijvers maken melding van een zogenaamde Mon-stijl, omdat er een parallel is met de ontwikkeling in de taal van de aangetroffen inscripties. In de vroege periode waren het uitsluitend Mon-inscripties. Kenmerkend voor deze periode is het duistere interieur en de ramen met stenen of terracotta motieven die weinig licht doorlaten. De schuine daken zijn krom van vorm. De middenperiode (1120-1170) vormt een overgangstijdperk waarin zich een eigen Birmaanse stijl begint af te tekenen. De late periode (1170-1300) stond vooral onder invloed van Noord-Indiase tradities. Een eigenzinnige vernieuwing in de late periode van de Bagan architectuur was de introductie van hoge gebouwen met boog- en kluisgewelven en grote ramen die veel licht doorlaten. De daken zijn vlak om plaats te bieden aan terrassen boven op het gebouw. Veel schrijvers maken melding van een Bamar stijl omdat men in deze periode uitsluitend Bamar inscripties heeft aangetroffen.

Op veel tempels en stoepa’s zijn terracotta tegels aangebracht. Deze reliëftegels hadden een decoratieve en didactische functie. Ze toonden scènes uit de jatakas met gebeurtenissen uit de vroegere levens van Boeddha. De oudste tegels zijn ongeglazuurd. De latere tegels hebben een laagje groene glazuur. De voorstellingen op de tegels zijn voorzien van een onderschrift dat de naam van de uitgebeelde jataka vermeldt gevolgd door een nummer of een tekst omtrent de levensfase van de Boeddha. Op de tempels en andere gebouwen zijn vaak nog reliëfs in steen of stucwerk te zien. Met name de stijlen, de friezen, de pilaren en de booggewelven zijn voorzien van dergelijke reliëfs.

In veel tempels zijn ook muurschilderingen aangebracht. Het zijn echte schilderingen en geen fresco’s, want ze zijn op droog pleisterwerk aangebracht. De schilders zetten hun ontwerp eerst met rode en zwarte lijnen op. Daarna vulden ze de vlakken met gele, rode, oranje en bruine kleuren in. Doorgaans is het plafond versierd met rijen kleine boeddhafiguren of hemelse wezens. De friezen zijn versierd met een doorlopend patroon van denkbeeldige wezens of demonische gezichten waaronder de boeddha’s van het verleden zijn afgebeeld. Tot de denkbeeldige wezens behoren onder meer makara zeemonsters, halfmens en halfvogel kinnara, hamsa vogels en vele andere mythologische figuren. De belangrijkste gedeelten van de muren zijn gevuld met voorstellingen ontleend aan de jatakas of met afbeeldingen uit de laatste levensfase van boeddha. De schilderingen zijn ook historisch waardevol omdat ze houten gebouwen, kleding en sieraden uit vroeger dagen tonen. De onderste gedeelten van de muren zijn versierd met bloemmotieven en geometrische motieven. Helaas hebben veel muurschilderingen te lijden gehad onder afbladderend pleisterwerk, uitwerpselen van vleermuizen en rookwalmen van houtvuren die Birmaanse vluchtelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog in de monumenten ontstaken.

De Ananda tempel is aan het einde van de elfde eeuw gebouwd door koning Kyanzittha. De tempel vormt het hoogtepunt van de bouwkunst van de vroege periode. Het is een vierkant witgepleisterd gebouw. Vanuit het midden van iedere zijde steken vestibules die de vier ingangen vormen en die het ontwerp zijn typische kruisvorm geven. Iedere ingang is afgewerkt met een versiering in de vorm van een stoepa. Langs de basis bevinden zich groen geglazuurde terracotta tegels die de overwinning van boeddha uitbeelden over de duivelse Mara en zijn leger. Boven de basis verrijzen twee rijen met hellende daken gevolgd door vier oplopende terrassen. De bolvormige koepel is gebouwd in de Noord-Indiase sikhar stijl. De koepel gaat over in een spits met daarop een hti of parasol. De torenspits is aan het einde van de twintigste eeuw verguld ter gelegenheid van het negenhonderdjarige bestaan van de tempel. De Ananda is een “centrale pilaar” tempel. Het interieur bestaat uit twee evenwijdig aan elkaar lopende gewelfde gangen rond een grote centrale kubus. De gangen zijn met elkaar verbonden door nauwe corridors. Grote teakhouten poorten met houtsnijwerk scheiden de het binnenste van de kruisgangen aan alle vier zijden. De twee rijen ramen zorgen voor een spaarzame verlichting. Aan de vier zijden van de centrale kubus zijn nissen uitgespaard, met daarin staande boeddhabeelden van bijna tien meter hoogte. Alle vier boeddha’s zijn vervaardigd van massief teakhout.

De Shwegugyi is in het begin van de twaalfde eeuw gebouwd door koning Alaungsithu. De sierlijke tempel staat op een rechthoekig bakstenen platform dat via trappen in een van de hoeken is te bereiken. De hal en de gang rond het centrum van het heiligdom hebben grote doorgangen en ramen waardoor het geheel een lichte en luchtige indruk maakt. Dit is kenmerkend voor de middenperiode. Op het gebouw rusten oplopende vierkanten terrassen met een stoepa op iedere hoek. Boven de terrassen verrijst een sikhar bekroond met een ranke stoepa. De boogrondingen, de deurstijlen en de hoekstijlen zijn versierd met stucwerk. Van het stucwerk op de buitenkant is echter niet veel meer over. De deuren zijn voorzien van fraai houtsnijwerk en geven toegang tot een centrale pilaar met een verguld beeld van een zittende boeddha. De geschiedenis van de tempel staat vermeld op twee grote stenen in de binnenmuur. Volgens de inscriptie in het Pali zou de bouw slechts zeven maanden hebben geduurd. De Shwegugyi tempel was de plaats waar Alaungsithu op tragische wijze aan zijn einde kwam. Na een bewind van meer dan vijftig jaar werd de doodzieke koning vanuit het paleis hierheen gebracht door zijn zoon Narathu. Toen de koning onverwachts herstelde en bij kennis kwam haastte zijn zoon zich naar de tempel om hem door verstikking alsnog om het leven te brengen.

De piramidevormige Dhammayangyi is het grootste en massiefste bouwwerk van Bagan. De tempel is opgericht door koning Narathu als boetedoening voor het vermoorden van zijn vader. Drie jaar na zijn troonsbestijging werd hij zelf gedood door een Indiase koning die zijn schoonvader was. De tempel heeft hetzelfde ontwerp als de Ananda met vier entrees met uitstekende vestibules waardoor een kruisvorm ontstaat. Net als bij de Ananda verrijzen boven de basis twee rijen van hellende daken en vier oplopende terrassen. De spits is echter beschadigd. Rond het centrale heiligdom lopen twee rondgangen waarvan alleen de buitenste toegankelijk is. De binnenste omgang is om onduidelijke redenen dichtgemetseld. Volgens plaatselijke verhalen was het werk zo veeleisend dat de slavenarbeiders bij het overlijden van de koning de binnenste rondgang uit wraak vulden met puin. Drie van de vier boeddha ruimtes werden eveneens volgestort met puin. Alleen de westelijke ruimte heeft twee originele beelden naast elkaar van Gautama en Maitreya – de boeddha van het verleden en van de toekomst. Het metselwerk van de Dhammayangyi is heel bijzonder. Ook zonder gebruik van specie sluiten de bakstenen naadloos op elkaar aan.

De Mahabodhi tempel is een imitatie van de gelijknamige pagode in Bodghaya in noord-India, de plaats waar Boeddha onder een grote bodhiboom tot verlichting kwam. Bodghaya oefende als bedevaartsoord in het verleden een enorme aantrekkingskracht uit op de koningen in Bagan. Zo is bekend dat koning Kyanzittha in de elfde eeuw een missie heeft gezonden naar Bodghaya om de tempel aldaar te herstellen. De deelnemers aan deze missie brachten zaden van de bodhiboom mee uit Bodghaya om die in Bagan te planten. De Mahabodhi tempel in Bagan is aan het begin van de dertiende eeuw gebouwd tijdens de regering van Htilominlo. Het gebouw heeft een basis in de vorm van een kubus, met daarop een hoge piramidetoren die eindigt in een kleine slanke stoepa. De basis herbergt een gebedshal en een gewijde ruimte. De tempel is evenals de piramidetoren bedekt met nissen met zittende boeddha’s. In de basis naast de hoofdingang zijn eveneens nissen aangebracht met enkele vergulde boeddha beelden. Gebouwen met deze vorm zijn alleen in de late periode gebouwd.

Terug naar inhoudsopgave 

Pyay Video Pyay

Pyay is in de tweede eeuw na Christus gesticht door de Pyu en is daarmee een van de oudste steden in Myanmar. De stad ligt in een bocht van de Ayeyarwady rivier. Als gevolg van de opkomst van Bagan verloor de plaats in de negende eeuw aan betekenis. De voornaamste bezienswaardigheden van de stad zijn de nabijgelegen ruïnes van Sri Ksetra. Van de oorsprong van deze stad is weinig bekend. Inscripties in het Pali uit de vijfde eeuw vermelden Sri Ksetra als de hoofdstad van de Pyu waar Mahayana en Theravada boeddhisme naast elkaar bestonden. Een Chinese kroniek uit de zevende eeuw maakt melding van een koninkrijk met honderden boeddhistische kloosters van bakstenen en geglazuurde tegels versierd met goud en zilver. In latere Birmaanse bronnen staat de stad bekend als Thayekhittaya. De plaats zou in de vijfde eeuw voor Christus zijn gesticht, maar in werkelijkheid vestigden de eerste Pyu zich pas in de tweede eeuw na Christus op deze locatie. Sri Ksetra maakte tussen de vijfde en de negende eeuw een grote bloei door. Daarna zette het verval in. Rond het midden van de elfde eeuw liet koning Anawratha de stadsmuren afbreken die als een hoefijzer rond de stad lagen. Hij verwoestte het paleis en de meer dan honderd kloosters die binnen de stadsmuren lagen.

Kenmerkend voor de stoepa’s van de Pyu zijn de kegelvormige en cilindrische koepels die Indiase invloeden verraden en afwijken van de latere klokvormige koepels uit Bagan. De afgelegen Bawbawgyi pagode ten zuiden van de stadsmuren is gebouwd in de zesde eeuw en heeft de oudste cilindrische stoepa van Sri Ksetra. De massieve zedi rust op vijf terrassen waarvan de bovenste alleen door mannen beklommen mogen worden. Typerend voor de vroege stijl is het ontbreken van versieringen op de koepel. Men veronderstelt dat de Bawbawgyi een van de vier monumenten was die de uithoeken van het vroegere Thayekhittaya moesten markeren. Tegenwoordig zijn nog slechts twee andere monumenten bewaard gebleven: Payagyi en Payama.

De Bebe tempel in de buurt van de Bawbawgyi heeft een basis in de vorm van een kubus met daarop een sikhar. De tempel stamt uit de tiende eeuw en vertoont gelijkenis met bouwwerken uit de Bagan periode. In de tempel bevindt zich een plakkaat met een afbeelding van  een zittende boeddha temidden van enkele leerlingen. Er zijn enkele andere kubusvormige pahto in de omgeving waaronder een waarin een kluizenaar heeft gewoond met een bakstenen kluisgewelf en acht boeddha reliëfs langs de onderste helft van de binnenmuur. De Leimyethna Paya is ruimer dan de andere gebouwen en meer gedrongen. De toegangen zijn geblokkeerd om vernielingen door rovers te voorkomen. Het kluisgewelf is niet langer te bezichtigen, maar volgens getuigenverslagen wordt het plafond geschraagd door een pilaar met oorspronkelijke boeddha reliëfs. Ook dit heiligdom bevat een platte steen met een afbeelding van een zittende boeddha temidden van enkele bouwwerken.

Terug naar inhoudsopgave 

Literatuur

Clark, Michael e.a.                  - “Myanmar (Burma)”, uitgave in de reeks reisgidsen van Lonely Planet

Peterse, L. en J. Petri               - “Birma (Myanmar)”, uitgave in de reeks reisgidsen van Dominicus

Khaing, Mi Mi                         - “Burmese Family”, uitgave van Ava House

Naing, U Min                           - “National Ethnic Groups of Myanmar”, uitgave van Swiftwinds Books

Myint, Daw Myint                    - “Glimpses of Glorious Bagan”, uitgave  van de universiteit te Yangon

Naing, U Thein                        - “Mandalay Marionettes”, uitgave in eigen beheer van het Garden Villa Theatre te Mandalay

Terug naar inhoudsopgave 

Nederlandse versie Engelse versie