Enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling trokken de
eerste bevolkingsgroepen vanuit China naar Myanmar. Het waren de Mon die zich
vestigden in Neder Myanmar in de vruchtbare delta van de Ayeyarwady rivier.
Vanuit hun hoofdstad Thaton onderhielden zij handelscontacten met het Indische
subcontinent en kwamen zo in aanraking met het boeddhisme. Naar verluidt hebben
de Mon tijdens de regeerperiode van keizer Ashoka in de derde eeuw voor
Christus het boeddhisme in Myanmar hebben ingevoerd. Mogelijk is het boeddhisme
in Myanmar zelfs nog eerder geïntroduceerd door handelaren die bij terugkomst
in hun woonplaats relikwieën van Boeddha met zich meebrachten uit India.
Rond het begin van onze jaartelling vestigden andere
bevolkingsgroepen zich vanuit Tibet in Opper Myanmar. Het waren de Pyu die zich
vestigden in het stroomgebied van de Ayeyarwady. Vanuit hun hoofdstad Sri
Ksetra onderhielden zij uitgebreide handelscontacten met omliggende landen. Ze
waren aanhanger van een vorm van boeddhisme dat vermengd was met
hindoe-elementen en afkomstig was uit India. Toen de rivier begon te verzonden
verplaatsten de Pyu de hoofdstad in de achtste eeuw naar het noordelijker
gelegen Halin aan de landroute van India naar China. Aan hun rijk kwam in de
negende eeuw plots een einde toen Thaise volken uit Yunnan de hoofdstad verwoestten
en de complete bevolking als slaven meevoerden naar China.
Na de val van het rijk van de Pyu ontstond er in Opper Myanmar
een machtsvacuüm. Daarvan maakten de Birmanen dankbaar gebruik maakten. Deze
bevolkingsgroep was in de loop der eeuwen door de Chinezen vanuit noordwest
China verdreven naar het zuiden. Zij trokken vanuit zuid China naar de
vruchtbare vlakte langs de middenloop van de Ayeyarwady. Ze verdreven de Mon
die er een uitgebreid irrigatiestelsel hadden aangelegd en intensiveerden de
rijstbouw. In de negende eeuw stichtten de Birmanen een eigen rijk rond de
hoofdstad Bagan.
De troonsbestijging van koning Anawratha tegen het midden
van de elfde eeuw vormt het begin van het Eerste Birmaanse Koninkrijk. Deze
vorst breidde het rijk van Bagan door veroveringen uit tot heel Myanmar. Vanuit
het naburige Thaton ontvoerde hij de belangrijkste boeken van het Theravada boeddhisme
die bekend staan als de Tripitaka. Rond
het begin van de twaalfde eeuw beleefde het rijk een Gouden Eeuw tijdens de
regeerperiode van koning Kyanzittha. Bagan werd in die tijd uitgebreid met vele
kloosters en tempels. Latere koningen lieten nog enkele grote heiligdommen
bouwen, maar het rijk was haar hoogtepunt voorbij. De enorme bouwactiviteiten
putten de schatkist volkomen uit . Onder koning Narathihapati raakte het rijk
omstreeks het midden van de dertiende eeuw in verval. Een kwart eeuw later bezetten
de Mongolen de hoofdstad Bagan en
maakten zo een einde aan het Eerste Birmaanse Koninkrijk.
De val van Bagan luidde een periode van grote verdeeldheid
in die bijna tweeënhalve eeuw duurde. De Mongolen waren niet van plan een groot
en duur bezettingsleger in Myanmar te stationeren en trokken zich terug. In de
daaropvolgende periode was Myanmar verdeeld in verschillende staatjes die
voortdurend met elkaar in oorlog waren. De Shan regeerden vanuit de hoofdstad
Ava over een groot deel van Opper Myanmar. De Mon stichtten in Neder Myanmar een
eigen koninkrijk rond de hoofdstad Bago. De bekendste koning was Dhammazedi die
aan het einde van de vijftiende eeuw befaamd was om zijn vroomheid en wijsheid.
Tijdens zijn regering vond er een herleving plaats van het boeddhisme. Tussen
het koninkrijk van de Shan en het koninkrijk van de Man lag een kleine Birmaanse
staat met als hoofdstad Toungoo.
Het Birmaanse staatje Toungoo groeide in de zestiende eeuw
uit tot het Tweede Birmaanse Koninkrijk dat ruim twee eeuwen duurde. Koning
Tabinshwehti was de grondlegger die handig gebruik maakte van de voortdurende
onderlinge strijd in de omringende koninkrijken. Eerst versloeg hij de Mon in de
delta van de Ayeyarwady en nam hun hoofdstad Bago in. Die stad riep hij uit tot
hoofdstad van zijn rijk. Vervolgens viel hij de zuidelijke staart van Myanmar
binnen en versloeg hij de Pyu. Later versloeg koning Bayinnaung de Shan en nam
hun hoofdstad Ava in. Omstreeks het midden van de zestiende eeuw verenigde hij Opper
en Neder Myanmar tot één staat. Hij voerde ook oorlog tegen het naburige Thailand
en veroverde de Siamese hoofdstad Ayutthaya. Na zijn dood raakte het Birmaanse
rijk langzaam in verval. In het begin van de zeventiende eeuw verplaatsten de Birmanen
hun hoofdstad van Bago naar Ava en sloten zij zich af van het opkomende
scheepvaartverkeer van de westerse mogendheden. Tegen het midden van de
achttiende eeuw verdreven de Mon de Birmanen uit het zuiden en stichtten een
eigen koninkrijk rond de hoofdstad Bago. Rond het midden van de achttiende eeuw
veroverden zij Ava en maakten daarmee een einde aan het Tweede Birmaanse Rijk.
De heerschappij van de Mon was van korte duur. Een jaar na
de bezetting veroverde koning Alaungpaya van het Birmaanse rijkje Shwebo de
hoofdstad Ava. Van daar uit begon hij een offensief tegen de Mon. In korte tijd
heroverde hij alle verloren gebieden en legde vanuit de pas gebouwde hoofdstad
Yangon de basis voor het Derde Birmaanse Koninkrijk dat bijna anderhalve eeuw
duurde. De koning en zijn opvolgers voerden een agressieve buitenlandse
politiek vooral gericht tegen het naburige Thailand. Zijn zoon Hsinbyushin verplaatste
de hoofdstad van het rijk naar Ava. De latere koning Bodawpaya stichtte een
nieuwe hoofdstad in Amarapura. Onder zijn heerschappij bereikte het rijk het
hoogtepunt van zijn macht. Tegen het
einde van de achttiende eeuw grensden het Birmaanse rijk en het door de Britten
beheerste Indische subcontinent rechtstreeks aan elkaar. Grensconflicten
leidden in het begin van de negentiende eeuw tot een serie Anglo-Birmaanse
oorlogen die het Birmaanse rijk uiteindelijk fataal werden. Een van de laatste
koningen was Mindon die in de tweede helft van de negentiende eeuw de hoofdstad
van zijn geslonken rijk verplaatste naar Mandalay. Als een van de weinigen
bouwde hij een werkbare relatie op met de Britten en stond hij open voor
westerse ideeën.
In 1886 brachten de Engelsen Myanmar onder Brits koloniaal
bestuur. Zij maakten Yangon de hoofdstad van Myanmar. Tijdens het koloniale
bewind nam de economische ontwikkeling snel toe. De Britten lieten wegen en
spoorwegen aanleggen en bouwden fabrieken. De delta van de Ayeyarwady groeide
uit tot de rijstschuur van het land dat de grootste rijstexporteur werd ter
wereld. Het bestuur over de Birmaanse gebieden was in directe handen van de
Engelsen. In de heuvels en de bergen waar de minderheden woonden stond de
bevolking onder gezag van de traditionele leiders die de soevereiniteit van de
Britten erkenden. Dit onderscheid was van grote betekenis voor de latere
politieke ontwikkelingen. Desalniettemin wisten verscheidene nationalistische leiders
de verschillende bevolkingsgroepen te verenigen in een gezamenlijke strijd
tegen de Britse overheersing. Zij werden
later bekend als “de dertig kameraden”. De economische exploitatie van het land
door buitenlanders en de negatieve houding van de koloniale overheid jegens de Birmanen
leidden in de eerste helft van de twintigste eeuw tot een aantal vreedzame
demonstraties waaraan ook boeddhistische monniken deelnamen. Het Britse
antwoord op de eisen van de nationalistische beweging was de toekenning van een
beperkte vorm van zelfbestuur kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog.
Op 4 januari 1948 werd officieel de onafhankelijke Unie van Birma
uitgeroepen. De beoogde premier was de democratisch gezinde socialist Bogyoke
Aung San die ruimte bood voor etnische autonomie. Hij werd echter enkele
maanden voor de onafhankelijkheidsverklaring door politieke tegenstanders
vermoord. De eerste premier werd een van zijn politieke beschermelingen en
medestanders met de naam U Nu. Vanaf het begin werd de nieuwe regering
geconfronteerd met allerlei opstanden van communistische rebellen en opstandige
etnische minderheden. Daarom vroeg de premier einde jaren vijftig aan de
opperbevelhebber van het leger Ne Win om tot aan de verkiezingen een interim
regering te vormen. Deze militaire tussenregering had redelijk succes met het
herstel van rust en orde. Na de verkiezingen bleek de nieuwe regering van U Nu
echter niet opgewassen tegen de ineenstorting van de economie en de
afscheidingsbeweging van de minderheden. Daarop mengde generaal Ne Win zich
opnieuw in de politiek en pleegde hij een militaire staatsgreep die een einde
maakte aan de veertien jaar lange democratie. Het nieuwe regime ontbond het parlement
en vervolgde iedere politieke oppositie. De militaire machthebbers verwierven een
grote mate van zeggenschap over het financiële en economische leven. Bovendien
sloten ze de grenzen en het land kwam daardoor in een zelfgekozen isolement
terecht. Deze situatie duurt voort tot op de dag van vandaag.
Vanwege haar isolement heeft Myanmar nog vele traditionele
invloeden weten te bewaren. Dat komt met name tot uitdrukking in de kleding en
in de opmaak. De mannen dragen in meerderheid nog de traditionele longyi of wikkeldoek. Dat is een
dichtgenaaide lap stof die men rond de heupen vastknoopt en die het
onderlichaam en de benen bedekt. Door de voorkant tussen de benen door te halen
en van achteren vast te knopen wordt het een korte broek. De meeste vrouwen en
meisjes in Myanmar hebben de traditionele thanaka
op hun gezicht. Dat is een lichtgele verfstof die wordt gemaakt van de thanaka boom. De bast wordt op een platte
ronde steen of kyaukpyin gemalen en vermengd met enkele druppels water totdat er
een pasta ontstaat die wordt opgevangen in een gootje rondom de kyaukpyin. Na aanbrengen op de huid
droogt de thanaka tot een kleiachtige
substantie. Het verzacht de huid, beschermt tegen zonnebrand, voorkomt
uitdroging en zorgt voor verkoeling. Daarnaast dient thanaka als make-up die de huid lichter doet lijken, hetgeen men
beschouwt als een schoonheidsideaal.
In hun spaarzame vrije tijd brengen de Birmanen met hun
gezin graag een traditioneel bezoek aan een pagode in de omgeving waar ze
gezamenlijk de maaltijd gebruiken in de open lucht. Een enkele keer maken ze
een meerdaags uitstapje naar een bekende pagode elders in het land. Tijdens hun
bezoek aan de pagode bewonderen ze de vele kunstzinnige geloofsuitingen van
indrukwekkende architectuur, sculptuur en schilderingen. Tevens gebruiken ze
hun tijd om te bidden voor Boeddha en om zoenoffers te brengen voor de nats of geesten. Volgens goed gebruik
slaan ze na gezang en gebed drie maal met een stok tegen de klok om de nats of geesten te verkondigen dat ze Boeddha
verdienstelijk hebben geprezen. Vervolgens raken ze de grond met de stok om de
boodschap door te geven aan de aardgeesten. De Birmanen zijn zeer bijgelovig.
Zij geven de voorkeur aan oneven getallen en vermijden even getallen. Ook laten
ze zich graag door een bedin-saya of waarzegger
de toekomst voorspellen op basis van de voortekenen in de astrologische dierenriem.
Sommigen bewaren hun horoscoop als een waardevol voorwerp keurig ingelijst op
een vooraanstaande plaats in hun woning.
Ook de opvoeding kent traditionele gebruiken zoals de shinbyu of de inwijding van een jongen
in het kloosterleven. Rond hun tiende levensjaar worden de jongens naar een
naburig kyaung of klooster gestuurd
in het kader van hun opvoeding. Ze worden bij deze gelegenheid gehuld in hun
mooiste kleding en in een optocht rondgereden met een stoet genodigden achter
hen. Bij terugkomst krijgen ze een eenvoudig monnikskleed en worden hun hoofdharen
geschoren ten teken dat zij worden ingewijd in het kloosterleven. Als kyaungthas doen ze mee met de andere
kloosterlingen en verrichten ze allerlei huishoudelijke en ambachtelijke taken.
Ook krijgen ze onderricht in boeddhistische geschriften, gezangen en gebeden. Op
die manier leren ze deugdzaamheid, gehoorzaamheid en oprechtheid naast lezen,
schrijven en rekenen. Als een jongeman na vele jaren besluit toe te treden tot
de kloosterorde wordt hij een hpongyi.
Bij deze gebeurtenis brengen zijn ouders hem een bijzonder eerbetoon, omdat hij
een voortreffelijk leven van kuisheid en armoede leidt dat het aanzien van zijn
familie vergroot. Voor de Birmanen belichamen de monniken het beste en
heiligste dat men in het leven kan bereiken. De mensen schenken hen voedsel,
kleding, huishoudelijke artikelen en andere dagelijkse benodigdheden . Op die
manier verwachten ze een goede daad te verrichten.
Ook de opvoeding van jonge meisjes kent een aantal
traditionele gebeurtenissen waaronder de nadwin
of het prikken van gaatjes in de oren. De nadwin
betekent dat een meisje op een leeftijd komt waarin ze kennis maakt met de
genoegens in het leven van een adolescente vrouw. Ze zit in haar mooiste kleren
op een kussen temidden van een aantal gasten om gaatjes te laten prikken in
haar oren. Ze krijgt bij die gelegenheid mooie oorbellen en andere geschenken
van de aanwezigen. De nadwin is naast
het huwelijk een van de meest bijzondere gebeurtenissen in het leven van de Birmaanse
vrouw. Het feest is voor velen echter van mindere betekenis dan de shinbyu of de hpongyi in het leven van de Birmaanse man. Hieruit blijkt een onderscheid tussen beide
geslachten dat bijvoorbeeld ook naar voren komt bij een bezoek aan een tempel
of een heiligdom waar sommige gedeelten met een bijzonder aanbeden beeld of
relikwie niet toegankelijk zijn voor vrouwen.
Een overgrote meerderheid van de Birmanen is aanhanger van
het boeddhisme ook al blijven sporen van hindoeïsme en animisme aanwezig in
sommige religieuze gebruiken. Het universum bestaat volgens Birmaanse
boeddhisten uit drie verschillende werelden namelijk hemel, aarde en hel. In
het midden van deze werelden bevindt zich de berg Myinmo met daaromheen hemelse
gebieden waar de dewas of hemelse
geesten wonen. Hoog boven deze dewas
wonen meer volmaakte wezens of byammas in
verschillende sferen. En ver boven deze byammas
wonen aan de grenzen van het opperste nirvana
de meest voortreffelijken. Onder de hemelse gebieden ligt de aarde omringd door
oceanen en bergketens. De aarde wordt bewoond door mensen die hooguit slechts
honderd jaar worden. Maar zij hebben het geluk dat alleen hier de boeddha
verschijnt die hen de weg wijst naar de hemelse gebieden en het nirvana. Onder de aarde bevinden zich de
helse regionen waar de mens wrede straffen en martelingen wachten als hij zich
slecht gedraagt. Naarmate de mens bevrijd van zonde en wereldse verlangens in
een hogere sfeer terecht komt wordt zijn leven aangenamer en gelukkiger totdat
hij het nirvana bereikt waar men
dankzij contemplatie het ware inzicht heeft en geen vreugde of verdriet meer
kent.
In het leven van de Birmanen spelen hemelse en aardse geesten
of nats een vooraanstaande rol. Volgens
de gelovige Birmanen huist er in ieder mens, dier en voorwerp een geest. Er
zijn honderden geesten die wonen in heuvels, rivieren, meren en stenen. Ieder
mens heeft een persoonlijke beschermgeest. Iedere woning heeft een eigen
huisgeest en elk dorp heeft zijn eigen dorpsgeest. De boomgeesten hebben een
voorkeur voor een oude waringin. Er zijn nats
die afstammen van historische personages die een gewelddadige en onrechtvaardige
dood zijn gestorven. Tot het pantheon van de nats behoren voorts enkele hindoe goden en boeddhistische boddhisattvas. Zij allen hebben sedert
het bewind van koning Anawratha een formele plaats gekregen in de Birmaanse
mythologie. De verering van de nats
staat echter op gespannen voet met het boeddhisme. Zuivere boeddhisten wijzen
aanbidding van geesten als bijgeloof af. Het hinayana boeddhisme predikt dat de
mens zijn verlossing zelf in de hand heeft. Toch zijn de bovennatuurlijke nats voor talrijke Birmanen een welkome
aanvulling op het boeddhisme. Als de geesten niet op de juiste wijze tevreden
worden gesteld, kunnen ze de nodige schade aanrichten. Om de nats gunstig te stemmen brengt men hen
regelmatig offers van wierook, bloemen, vruchten en geld. Deze offergaven legt
men op speciale altaren de nat-sin.
De religie speelt in de bouwkunst een belangrijke rol. Het
land telt duizenden pagoden, tempels, kloosters en andere boeddhistische
bouwwerken. Boeddhistische heiligdommen noemt men in Myanmar paya of “heiligdom”. Deze naam gebruikt
men zowel voor een pagode of zedi als
voor een tempel of pahto. Veel
heiligdommen zijn in de loop der eeuwen herbouwd zodat de vorm of de stijl niet
altijd een juist beeld geeft van de oorspronkelijke ouderdom van een monument. Alleen
tempels en pagoden waren gebouwd van baksteen dat is bedekt met pleisterwerk en
versierd met stucwerk. Ze hebben daarom de tand des tijds goed doorstaan. Vooral
in Bagan vindt men verschillende van dergelijke religieuze monumenten uit het
verleden bij elkaar. De seculiere gebouwen zoals paleizen en woonhuizen bouwde
men evenals de kloosters van hout. Daarom is van de niet-religieuze bouwkunst
nauwelijks iets bewaard gebleven. Van sommige houten kloosters zijn in de loop
de eeuwen stenen kopieën gemaakt, waardoor men toch een indruk krijgt hoe deze
gebouwen eruit moeten hebben gezien. De weinige overgebleven houten kloosters
zijn doorgaans niet ouder dan enkele honderden jaren. Ze geven blijk van een
hoogstaande kunstvorm – die van de houtsnijkunst.
Een pagode is een religieus complex met in het midden een stoepa of zedi. De meeste pagoden volgen een bepaald basismodel en liggen
vaak op een natuurlijke heuvel of een kunstmatige verhoging. Die stelt de berg
Meru voor, de woonplaats van de goden. Trappen leiden aan vier zijden naar een
platform op de top. Chinthes of
mythologische griffioenen bewaken de ingangen aan de voet van de trappen. In
het midden van het platform staat een stoepa omringd door kleinere stoepa’s en
paviljoens of tazaung. De stoepa
bestaat uit baksteen en is volledig massief. Onder de stoepa bevindt zich vaak
een verzegelde relikwiekamer, waarin een haar, tand of bot van Boeddha wordt
bewaard. Grote stoepa’s hebben een basis met daarop van beneden naar boven
vierkante, achthoekige en ronde terrassen. Op deze terrassen rust een koepel. De
vorm van deze koepel heeft in de loop der eeuwen kleine wijzigingen ondergaan.
De vroegste zedi waren kegelvormig.
De latere zedi hebben een sierlijke
lijn in de vorm van een klok met daarop een spits. Een variant heeft hetzelfde
ontwerp maar kent daarnaast een vaasvormige constructie of amalaka tussen de koepel en de spits. Een andere variant is een
ronde basis met een klokvormige koepel waarop een kubus, de harmika of relikwiekamer, is gebouwd. De
top bestaat uit de hti of een metalen
parasol die is versierd met windbelletjes. Op de hti staat een vlag met op de mast een diamant. De hele stoepa is
vaak met goud bekleed.
Een tempel of pahto
is een vierkant of rechthoekig gebouw rondom een of meerdere boeddhabeelden. De
tempels zijn er in twee vormen. Het vroegste type is de holle tempel met
slechts één ingang en één verdieping. Het interieur wordt zwak verlicht door
kleine ramen met sierwerk van zandsteen. Achter in de tempel bevindt zich een
boeddhabeeld. De tempel heeft een trapvormig dak dat in een koepelvorm
overgaat. Dit type tempel staat ook bekend als gu of ku dat in het Pali
“grot” betekent. De latere galerijtempel is gebouwd rond een grote vierkanten
zuil. Deze tempel heeft vier ingangen en vaak meerdere verdiepingen. Kenmerkend
is de vierkanten pilaar in het midden van de tempel. Aan iedere kant van de pilaar
is een nis uitgespaard voor een boeddhabeeld. Rond de pilaar loopt een of
meerdere galerijen met een boogplafond. Het interieur wordt helder verlicht
door hoge ramen en ingangen. Als variatie op het vierhoekige ontwerp voegde men
in latere periodes een vestibule of een zuilengang toe aan een kant of meerdere
kanten. Boven de tempel bevinden zich verscheidene terrassen met daarop een
stoepa of een sikhar die vaak krom
van vorm is maar soms ook de vorm van een piramide heeft.
De Birmaanse beeldhouwkunst bestaat voornamelijk uit
tempelreliëfs en boeddhabeelden. De oudste bewaard gebleven boeddhabeelden
dateren uit de tijd van de Pyu. Bij de val van Bagan zijn veel beelden uit deze
periode helaas verloren gegaan. Vanaf de veertiende eeuw ontwikkelde zich de
specifieke Birmaanse boeddhastijl waarbij alle vingers en tenen even lang zijn
en oorlellen tot op de schouders hangen. Er zijn vier grondhoudingen waarin
Boeddha werd afgebeeld: lopend (beschermend), staand (lerend), zittend (mediterend)
en liggend (stervend). Daarnaast waren er ongeveer veertig mudra’s of posities van de hand voorgeschreven. De Dhyana mudra of meditatiehouding toont
een zittende Boeddha met de handen, met de palmen naar boven, rustend in de
schoot. In het geval van de Bhumisparca
mudra rust Boeddha’s rechterhand op zijn knie en de vingers raken de grond.
De linkerhand rust in de schoot. Deze houding is het teken van vastberadenheid
waarbij Boeddha verscheidene duivelse verleidingen weerstaat. De Abhaya mudra is het symbool van de
bescherming die Boeddha zijn volgelingen biedt. De staande Boeddha heft zijn
rechterhand of beide handen omhoog, met de palmen naar voren en de vingers naar
boven. De Vara mudra laat een
zittende of staande Boeddha zien die zijn volgelingen zegent. De rechterhand
wijst naar beneden en de palm naar buiten. De Vitarka mudra symboliseert het prediken van het boeddhisme. De
zittende of staande Boeddha heft de rechterhand, waarbij duim en wijsvinger een
cirkel vormen. De Dana mudra toont
een staande Boeddha met een of beide handen voorwaarts gestrekt en de
handpalmen omhoog. Deze houding symboliseert het aanbieden van dhamma of boeddhistische leerstellingen
aan de wereld. Tijdens de koloniale tijd raakten architectuur en beeldhouwkunst
in verval. Door de afschaffing van het koningschap viel er een belangrijke
steunpilaar voor de kunst weg. De kunstenaars gingen zich nu meer op de
koloniale overheid richten. Dat resulteerde in een kritiekloze imitatie van de
in Engeland gangbare Victoriaanse stijl.
Het Birmaanse theater of pwe
omvat onder meer dansdrama. De thematiek is meestal gebaseerd op de jatakas of de legenden rond het leven
van Boeddha enerzijds en op de yamazat
of de Birmaanse versie van het hindoe dichtwerk Ramayana anderzijds. De
klassieke Birmaanse dans vindt zijn oorsprong in de achttiende eeuwse hofdans.
De koningen van het Derde Birmaanse Koninkrijk maakten bij hun
veroveringstochten kennis met de verschillende dansvormen in Thailand. De
klassieke Birmaanse dans ontleent veel elementen aan de Thaise danskunst. Die is
op zijn beurt weer beïnvloed door de eeuwenoude danskunst van Angkor in het
tegenwoordige Cambodja. De meeste dansvoorstellingen tonen een danseres in
kleurige kleding met een lange witte sleep die ze met haar hielen in de lucht
schopt. De danseres beweegt haar hoofd en armen volgens strikte voorschriften.
Ieder gebaar en iedere lichaamshouding heeft een betekenis.
Tot het Birmaanse theater behoort ook het marionettenspel of
yokthe pwe dat is ontstaan in Bagan
in de elfde eeuw. In die tijd konden mannen en vrouwen fatsoenshalve niet samen
op een podium konden staan. Marionetten namen daarom de plaats in van echte
toneelspelers. Sindsdien heeft het spel afwisselend in de belangstelling
gestaan. Tijdens het Derde Birmaanse Koninkrijk was het spel zeer geliefd aan
het koninklijk hof. Tegenwoordig is het spel niet meer zo geliefd. Soms
verbiedt het militaire regime een voorstelling omdat de poppenspelers kritiek
uiten op wantoestanden. De houten marionetten zijn ongeveer zeventig centimeter
lang. Het spelen met de marionetten vereist een grote vaardigheid. Sommige
marionetten hebben maar liefst zestig touwtjes en kunnen ieder lichaamsdeel
bewegen. In een voorstelling komen vele personages aan bod zoals een koning,
een astroloog, een nat, een
kluizenaar en een tovenaar.
Terug naar inhoudsopgave
Myanmar heeft een bijzonder heterogene bevolking. De
regering erkent meer dan honderd etnische groepen die onderling sterk
verschillen in uiterlijk, kleding, taal, cultuur, gebruiken en gewoonten. Men
onderscheidt drie hoofdgroepen. De Mon-Khmer
waren afkomstig uit Centraal-Azië en vestigden zich in de centrale vlakte, in
het stroomgebied van de Ayeyarwady. De Tibeto-Birmanen
verdreven hen later naar het zuiden en maakten Bagan tot de hoofdstad van hun
rijk. De Sino-Tai tenslotte kwamen
met de laatste migratiegolf vanuit Indo-China het land binnen. Zij bevolken in
hoofdzaak de bergachtige gebieden in het noordoosten van het land.
Tot de eerste groep van de Mon-Khmer behoren niet alleen de Mon maar ook de Palaung. De Mon waren de
eerste immigranten en de grondleggers van de hedendaagse traditionele cultuur.
Later hebben zij zich met de Birmanen vermengd en ze zijn nu een nauwelijks nog
te onderscheiden groep. Zij zijn mede verantwoordelijk geweest voor de
verspreiding van het theravada boeddhisme op het vasteland van zuidoost Azië.
Daarbij hebben ook monniken uit Sri Lanka een belangrijke rol gespeeld met de
introductie van de tripitaka of de
klassieke boeddhistische geschriften. De Palaung
wonen met verscheidene families bijeen in long
houses op palen en leven voornamelijk van het verbouwen van thee en
dekbladen voor cheroots, de Birmaanse
sigaren. De meeste Palaung hangen een mengvorm van boeddhisme en animisme aan.
Ze brengen zoenoffers aan de nats
bestaande uit tabak en betelnoot. De traditionele kleding van de vrouwen is
bijzonder kleurrijk. Ze bestaat uit een groen, paars of blauw hesje met rode
kraag en een roodgestreepte rok. Ongetrouwde vrouwen dragen een zwart fluwelen
hoedje versierd met veelkleurige linten en zilveren munten langs de rand.
Getrouwde vrouwen daarentegen binden kleurige sjaals rond hun hoofd die soms
geborduurd zijn. Getrouwde vrouwen dragen een rotankoord rond het middel.
Ongetrouwde vrouwen dragen gewoonlijk grote gouden oorringen versierd met
bloemen. Er zijn twee manieren om een
ongetrouwde vrouw het hof te maken: men brengt een rechtstreeks bezoek
aan het ouderlijk huis waarin ze woont of men steekt zijn hand door een gat in
het ouderlijk huis en vraagt om haar hand.
Tot de tweede groep van de Tibeto-Birmanen behoren de Birmanen
of Bamar. Zij zijn oorspronkelijk
afkomstig uit het zuidwesten van China. De meesten wonen nu in en rond Yangon
en op de centrale vlakte. Ze vormen de grootste etnische groep van het land en
spelen een dominante rol in het staatsapparaat. Het Birmaans is de officiële
taal in het onderwijs en in het bestuursapparaat. Er is een verschil in
herkomst tussen het gesproken en geschreven Birmaans. De spreektaal is van
Sino-Tibetaanse oorsprong, terwijl het alfabet is ontleend aan het Pali een Brahmaans schrift uit het
zuiden van India. Het oudste geschreven Birmaans is aangetroffen op stenen
inscripties uit de twaalfde eeuw in Bagan. De Danu beschouwt men wel eens als het resultaat van onderlinge huwelijken
tussen de Bamar en de Shan. Zij leven op de centrale hoogvlakte in een gebied
dat betrekkelijk vlak is en geen hoge bergtoppen heeft. Hun taal is gebaseerd
op het Birmaans.
De Padaung behoren
tot de derde groep van de Sino-Tai. Zij vormen een kleine, maar opvallende
minderheid . De vrouwen hebben een grote haarknot voor op hun hoofd die ze met
een bamboe kam vastzetten. Ze hebben een grote sjaal om hun hoofd, ondergoed
tot op de knieën en daarboven kleding tot op het middel. Het bijzondere aan hen
is de gewoonte om een groot aantal zware koperen ringen rond de hals te dragen,
waardoor het lijkt of de nek is uitgerekt. De Padaung danken er de bijnaam long necks of giraffevrouwen aan.
Meisjes krijgen hun eerste ring op zesjarige leeftijd en tot hun huwelijk
worden er jaarlijks nieuwe ringen toegevoegd. De ringen zijn verschillend van
afmeting: de onderste ring is het grootst en naar boven toe worden ze steeds
smaller. De lange nek wordt niet veroorzaakt door uitrekken, maar door het
zakken van de schouders onder het zware gewicht van de ringen. De oorsprong van
de gewoonte is niet helemaal duidelijk. Van oudsher luidt het verhaal dat de
Padaung vrouwen de ringen dragen ter herinnering aan hun afstamming van de nagas of mythische draken. Zeker is dat
de meisjes op jong leeftijd de ringen van hun ouders en grootouders krijgen als
(huwelijks)geschenk. Er klinken echter ook andere geluiden omtrent de herkomst
van dit gebruik. Misschien probeerden de vrouwen hun nek te beschermen tegen
een aanval van tijgers. Het kan zijn dat mannen hun vrouwen bewust mismaakten
om ze onaantrekkelijk te maken voor vrouwenrovers. De gewoonte sterft nu
langzaam uit en alleen de oudere vrouwen dragen nog ringen. De Padaung dragen
voorts ringen rond hun knieën en hun kuiten. Verder dragen ze grote oorringen
in hun oren en zilveren of kralen kettingen om hun hals. De Padaung hangen
zowel het boeddhisme aan als het christendom en het animisme.
Tot de derde groep van de Sino-Tai behoren ook de Pao of
Taung Thu. Zij leven wijd verspreid
in de bergachtige gebieden bij Kalaw tot aan de voet van de heuvels bij Bago. Zowel
mannen als vrouwen binden hoofddoeken om hun hoofd. De mannen dragen brede
broeken en zwarte jasjes. De vrouwen kleden zich in lange zwarte rokken en
jasjes met lange mouwen. Ze hebben een zwarte beenwarmer tot op de kuiten die
soms met zilverdraad is afgezet. Ze dragen spelden en kammen in hun haar zowel
als knopjes in hun oren en ringen om hun vingers. De meeste Pao hangen een
mengvorm van boeddhisme en animisme aan. Ze brengen zoenoffers aan de nats bestaande uit ingemaakte vis. Een
offer in de vorm van vlees is voor hen taboe. Ze nemen gezamenlijk deel aan
boeddhistische inwijdingsceremoniën en andere festivals die ze luister
bijzetten met bronzen gongmuziek en zelfgemaakte vuurpijlen. De Pao leggen zich
in hoofdzaak toe op de verbouw van mandarijnen, koffie en dekbladen voor cheroots. Ze verbouwen daarnaast ook
tarwe, graan, aardnoten, knoflook enzovoorts. Ze vormen een hechte gemeenschap
en zijn economisch zeer ontwikkeld.
Van de hier beschreven bevolkingsgroepen hebben alleen de
Mon, de Bamar en de Pao hun eigen schrift en taal. Het Palaung is gebaseerd op
het Romeinse alfabet dat is geïntroduceerd door verschillende christelijke
missionarissen. De Danu maken gebruik van het Birmaans voor hun communicatie.
De Padaung hebben alleen een spreektaal en geen schrijftaal.