Henk Sebregts 

Home Sitemap Help Vragen Nieuw Zoeken Contact

 

Thailand 

Het Verre Oosten in Woord en Beeld 

 
 

 

Informatie

 

Zoek op trefwoord:

 

   

 

Thailand

Thailand is een modern Aziatisch land met een geheel eigen culturele identiteit. Dat komt tot uitdrukking in de vele boeddhistische tradities en in een diep respect voor het koningshuis. Vroeger werd de koning vereerd als een soort god, een incarnatie van Boeddha. Dat is weliswaar veranderd, maar nog steeds is de koning een zeer belangrijk persoon.  Het koningshuis heeft ook nu nog grote betekenis in het dagelijks leven. In veel huizen en winkels, gebouwen en tempels hangt een portret van de koning of van het koninklijk paar. Ook de in oranje pijen geklede boeddhistische monniken zijn een alledaags verschijnsel. Ze beschikken slechts over een oranje kleed, sandalen, tas, bedelnap en enige hulpmiddelen als scheer- en naaigerei. Van iedere Thaise man wordt verwacht dat hij gedurende enige tijd monnik wordt. Meestal gebeurt dit nadat hij van school komt en voordat hij aan zijn carrière begint. Sommige monniken wijden de rest van hun leven aan de religie. 

Vanaf het begin van onze jaartellingvestigden zich verschillende volkeren in het gebied van het huidige Thailand. De Mon uit Birma stichtten in de zesde eeuw het koninkrijk Dvarati dat bestond uit een aantal stadstaatjes met als hoofdstad Nakhon Pathom. Tussen de negende en dertiende eeuw veroverden de Khmer vanuit hun hoofdstad Angkor in Cambodja grote delen van het huidige Thailand met inbegrip van het rijk van Davarati. Vanaf de 13de eeuw trokken de Thai in groten getale vanuit China naar het zuiden.  De Thai stichtten kleine vorstendommen en vermengden zich met de Khmer. Van hen namen zij de vergoddelijking van het koningschap over.  Een van de eerste Thaise koninkrijken ontstond rond de hoofdstad Sukhothai. De machtigste koning van Sukhothai was Ramkhamhaeng die het Thaise alfabet invoerde dat nog steeds wordt gebruikt.  In de 14de eeuw stichtte Rama Thibodi een nieuwe koningsdynastie en verplaatste de hoofdstad naar Ayutthaya. Daarvoor had in het noorden een andere verwante Thaise koning, Mengrai, een eigen koninkrijk gesticht rondom de hoofdstad Chiang Mai.  Het koninkrijk van Ayutthaya bleef voortbestaan tot in de 18de eeuw en beleefde een enorme bloei dankzij de handel met de Europeanen die het land bezochten. Onder het bewind van dichter-koning Narai werd de hoofdstad  uitgebouwd tot een imposante stad met muren en grachten. In de achttiende eeuw viel het koninkrijk echter in handen van de Birmezen. De vluchtende Thai verplaatsten de  hoofdstad naar Bangkok. Daar besteeg in 1782 generaal Chakri de troon en noemde zich Rama I. Hij is de stichter van de huidige Chakri-dynastie die in 1916 de naam Rama aan al haar koningen gaf. 

Overal in het land ziet men boeddhistische kloosters en tempels. De tempels staan op een ommuurd terrein. Vaak vindt men rond de toegangspoort naga’s (mythologische draken) of groengeschilderde duiveltjes die het terrein bewaken. Midden op het tempelterrein staat de bot, het belangrijkste en heiligste gebouw van de wat. Het is de hoofdkapel waar de monniken samenkomen en de gelovigen offeren en bidden. Ook worden de monniken er ingewijd en vinden er allerlei religieuze plechtigheden plaats. De bot is te herkennen aan een muurtje met acht paviljoentjes met daarin de grensstenen in de vorm van een rechtopstaand blad. Een andere ruimte in het tempelcomplex, de viharn, is de gebeds- en meditatieruimte van de monniken. Hier worden ook heilige voorwerpen bewaard. Twee andere opvallende bouwkundige voorwerpen in het tempelcomplex zijn de chedi en prang. De eerste wordt ook wel stoepa genoemd en is een cirkelvormige toren met een enorme spits, waarin zich vaak relieken bevinden: beenderen of haren van Boeddha. De prang is massiever en ronder dan de chedi en lijkt op een maïskolf: de kop ervan is rond in plaats van spits. Op het tempelterrein komen nog allerhande decoratieve religieuze elementen voor, zoals de mondop, een vierkant paviljoen met een piramidevormig dak. Hierin worden boeddhabeelden en heilige voorwerpen bewaard. In de reliëfs en in de beelden is vaak de olifant Erawan te herkennen. Een veelvoorkomend beeld is de kinnora, het fabelwezen dat half uit een vrouw en half uit een vogel bestaat. De muren zijn beschilderd met afbeeldingen uit het klassieke Ramayana verhaal. Tewada zijn engelenfiguren die staan afgebeeld op de binnenmuren van de bot. Een ander symbool is de garuda, een adelaar met een menselijk gezicht. Een andere veelvoorkomende verschijning op het tempelterrein is de bodhi-boom, de boom waaronder Boeddha naar verluidt voor het eerst predikte.

Terug naar inhoudsopgave

 

Bangkok

De vermenging van koningshuis en boeddhisme wordt goed duidelijk in de oude binnenstad van Bangkok.  Daar ligt het door een witte muur omzoomde tempelcomplex van Wat Phra Keo en het Koninklijk Paleis. Beide gebouwencomplexen grenzen aan elkaar om de sacrale verbondenheid van het koningshuis met het boeddhistisch geloof te benadrukken. Koning Rama I, de stichter van de huidige Chakri dynastie, verplaatste in 1782 de hoofdstad van het koninkrijk naar Bangkok. Daar begon hij met de bouw van het koninklijk paleis en enkele tempels.  Zijn troonsopvolgers breidden het complex later uit. De bouwstijl is onmiskenbaar klassiek Thais maar verraadt daarnaast een mengeling van uitheemse invloeden afkomstig uit het westen en de omringende landen.   

De Wat Phra Keo is de belangrijkste koningstempel, vooral vanwege het mysterieuze jaden boeddhabeeldje binnenin. Het opvallende aan het terrein is de enorme hoeveelheid spitse chedi’s. Ze zijn verguld met zwart lakwerk of kleurig porselein. Twaalf kleurig ingelegde stenen reuzen staan op wacht bij de zes ingangen. Ze hebben een spitse hoed op het hoofd, een lange stok rechtop voor zich. Daarmee moeten ze boze geesten op een afstand houden. Over het terrein klinkt een zacht belgerinkel, afkomstig van de door de wind bewegende belletjes langs de dakranden. Opvallend zijn verder de rijk bewerkte paviljoens, mythologische godenbeelden, prangs met ronde toppen, beelden van Chinese mandarijnen, dierenfiguren en de geveldriehoeken met het vergulde houtsnijwerk. De bot is omgeven door een overdekte galerij die kleurig is beschilderd met taferelen uit de Ramayana, het oude heldenepos uit India. Op een groot marmeren terras achter de hoofdkapel vindt men het koninklijke pantheon, de bibliotheek en de gouden chedi. Het pantheon is te herkennen aan de hoge zadeldaken en een gele prang die een kroon draagt. Op het terras voor het pantheon staan vergulde beelden van de kinnora, half vrouw, half vogel. Binnen bevinden zich acht levensgrote beelden van de koningen. De bibliotheek naast het koninklijk pantheon bevat de heilige boeddhistisch geschriften. Het rechthoekige gebouw met zijn hoge sierlijke en ingelegde zuilen heeft een zadeldak met een spits erop, wanden met mozaïeken en verguld houtsnijwerk, vier trappen met naga’s en klingelende belletjes aan de dakranden. Naast de bibliotheek verrijst de gouden chedi, het schitterende herkenningspunt van het complex. De chedi, die in 1885 ten tijde van koning Rama V werd gebouwd, is beneden vlak en gaat naar boven toe over in steeds kleiner worden ringen. Hij is aan de voet omgeven door vier kleine chedi’s. Bij de gouden chedi staan enkele fraaie monumentjes met olifantjes en parasols en garuda’s en naga’s onder baldakijnen.

Na het verlaten van Wat Phra Keo komt men op het paleiscomplex. Het paleis wordt vandaag de dag slechts zelden gebruikt.  In het midden ligt het Chakri-paleis, links de Amarindra-hal en rechts het Dusit-paleis. Het grote, in Thaise en westerse stijl gebouwde paleis van de Chakri dynastie is het werk van koning Rama V. Het paleis doet alleen nog maar dienst voor staatsbanketten, koninklijke ceremonies en het ontvangen van de geloofsbrieven van de ambassadeurs. De veelkleurige stapeldaken met de drie vergulde dakspitsen, de vergulde dakranden en de geveldriehoeken met naga’s zijn typisch Thais. Het paleis heeft een groot balkon, zuilen en staatsietrappen met vier zwarte olifanten ervoor. Het Dusit-paleis deed dienst als audiëntiehal. Het is gebouwd in de bijzonder fraaie klassieke Thaise stijl. Dat is te zien aan het kleurrijke dak van vier over elkaar geschoven lagen en de dakruiter als centrale spits met aan de voet de vier garuda-beelden. De beelden van vier mandarijnen en twee leeuwen bewaken de ingang. Het Dusit-paleis is in 1782 door koning Rama I gebouwd als kronings- en ontvangsthal. Later werd het paleis gebruikt voor crematieplechtigheden en ontvangsten van de koning. Een sierlijk paviljoen, buiten op een laag terras, is de koninklijke verkleedruimte. Hier legde de koning, gezeten op zijn draagstoel, hoed en kleed neer alvorens de ontvangstzaal binnen te gaan. De Amarindra-hal werd door koning Rama I opgericht als gerechtshof. Na zijn overlijden werd de hal steeds meer gebruikt voor kroningsplechtigheden en het uitreiken van hoge onderscheidingen. De hal heeft aan de buitenzijde prachtige vergulde ramen. De drie toegangsdeuren hebben een omlijsting van goud en glas. 

Ten zuiden van het koninklijk paleis en Wat Phra Keo is het oudste en grootste tempelcomplex van Bangkok. De Thai noemen het complex Wat Phra Chetupon, Tempel van de Rustende Boeddha, oftewel Wat Po. De tempel is gebouwd op de plaats waar eerder in de 16de eeuw een heiligdom stond. De bouw begon onder koning Rama I in 1789.  Bij het betreden van het ommuurde tempelterrein waant men zich in een soort sprookjesland. De gebouwen met hun grillige gevelversieringen en dakranden, de paviljoenen en veelkleurige daken geven het terrein een aparte sfeer. Het eerst ziet men een groep beeldjes van grijze steen, die de houdingen voorstellen bij meditatie, yoga en massage. Op een kleine binnenplaats verheffen zich vier grote chedi’s, die herinneren aan de eerste vier koningen van de huidige dynastie.  Grote stenen tempelwachters flankeren de poorten die toegang geven tot de vier chedi’s. Het zijn de Hollandse Heren van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Ze dragen een lange jas, hoge hoed, een pruik en ze leunen met beide handen op een stevige stok. In de grote viharn bevindt zich het beeld van de rustende Boeddha. Hij steunt het hoofd met de rechterhand. Het is volgens de boeddhistische beeldenleer de houding van Boeddha die het nirvana heeft bereikt – de toestand van volkomen rust en volmaakte vrede. Het stenen beeld, 46 meter lang en 15 meter hoog, is met cement bedekt en daarop zijn dunne velletjes bladgoud geplakt. De voetzolen zijn ingelegd met 108 parelmoeren figuren, die de tekenen voorstellen waaraan een echte boeddha kenbaar is. Mensen plakken er stukjes bladgoud op, offeren lotusbloemen en steken wierookstokjes aan. Op het terrein bevinden zich nog meer boeddhabeelden. Veel Thai plakken er ragfijne stukjes bladgoud op, omdat dit hun geluk zal brengen. Men kan het geluk met een dergelijke devotie ook enigszins sturen. Als men het bladgoud op de mond plakt, zal men een goed spraakvermogen krijgen. Plakt men het op het hoofd, dan kan men een beter verstand verwachten. Brengt men het goud aan op het hart, dan zal dat een goede gezondheid opleveren.

Het oude stadscentrum van Bangkok ligt in een lus aan de oostzijde van de Chaopraya rivier, met als middelpunt het oude koninklijke paleis. Op de westelijke oever van de rivier bevinden zich woonwijken en enkele industriegebieden. Vanuit de rivier vertakt zich een stelsel van grachten en kanalen, klongs, die voor de stad altijd van levensbelang zijn geweest. De rivier was vroeger een belangrijk vervoermiddel. Tot het begin van de 20ste eeuw waren er weinig wegen in de stad. Huizen en bedrijfjes bevonden zich langs het water, de levensader voor handel en verkeer. Vanaf het einde van de 19de eeuw werden echter steeds meer kanalen in wegen veranderd. Nog steeds is het westen van Bangkok goed te bezichtigen door een kanaaltocht te maken. Zo’n tochtje begint bij een van de aanlegsteigers van de oude binnenstad. De eenvoudige houten huizen langs de oevers staan op palen. Ze hebben een aanlegsteigertje en een houten trap naar de veranda. Het interieur ziet er altijd zeer goed verzorgd uit, met kussens op de vloer rond een lage tafel, een boeddhabeeldje met wierookstokjes, een slaapkamer met matten en een muskietennet en foto’s van het koningspaar aan de wand. Na het verlaten van de grote rivier vaart men over de klongs die het stadsdeel Thonburi doorsnijden. Langs de oevers staan de huisjes op palen met op de voorgalerij grote bruine potten met drinkwater. Monniken varen langs de huizen om voedsel op te halen. De meeste bootjes hebben een buitenboordmotor met een lange schroefas. Deze zogenaamde longtailboten varen met hoge snelheid over het water. Met moeite vermijden ze de dikke waterplanten die in grote hoeveelheden stroomafwaarts drijven. Het verhaal gaat dat deze voortwoekerende plantengroei in de oorlog is begonnen toen groene planten in de rivier werden uitgezet om de loop van de donkere rivier tussen het groene land onzichtbaar te maken bij verkenningen vanuit de lucht. Overal staan geestenhuisjes, met offers in schalen en potjes. 

Terug naar inhoudsopgave

 

Nakhon Pathom

Nakhon Pathom ligt ten westen van Bangkok en is vooral bekend vanwege de beroemde Phra Pathom Chedi die hoog boven de stad uittorent. De stad Nakhon Pathom is het oudste religieuze centrum van Thailand. Naar verluidt is het boeddhisme hier drie eeuwen voor de christelijke jaartelling ten tijde van de Indiase keizer Asjoka ontstaan, toen Indiase monniken een bezoek aan deze stad brachten. De boeddhisten bouwden in het begin van de zesde eeuw waarschijnlijk de oorspronkelijke kleine chedi. Het werd in de loop der tijden verscheidene keren verwoest door buitenlandse invallen.  Pas in 1853 werd door Rama IV een nieuwe grotere chedi over de overblijfselen van de oude heen gebouwd. Het werd het hoogste boeddhistische monument ter wereld. Van ver af ziet men de indrukwekkende chedi al boven de stad uitsteken. De hoofdingang bevindt zich aan de noordkant. Via trappen komt men op het terras dat door een galerij is omgeven. De ronde chedi is bedekt met oranje tegels. De piek bestaat uit ringen die naar boven toe steeds smaller worden. De galerij wordt onderbroken door vier viharns. In de noordelijke viharn bevindt zich een staande boeddha in preekhouding. De kleinere beelden eromheen zijn beplakt met stukjes bladgoud. Er worden kaarsen, wierook en bloemen geofferd. In de oostelijke viharn is de preek van Boeddha onder de bodhi-boom afgebeeld. In de zuidelijke viharn wordt Boeddha door de slangengod beschermd tegen de regen. In de westelijke viharn symboliseert de liggende gouden Boeddha het bereiken van het nirvana. In een omgang aan de buitenkant van de galerij bevinden zich verscheidene beelden. Het platform daaromheen herbergt verschillende paviljoens afgewisseld met bloesembomen

Terug naar inhoudsopgave

 

Damnoen Saduak

Vroeger vond de handel rond Bangkok voornamelijk plaats langs de kanalen. De kanalen, klongs , vormden tot de Tweede Wereldoorlog het belangrijkste vervoersnetwerk van de stad. Een klein beetje van deze drijvende handel is nog te zien op de drijvende markt van Damnoen Saduak. Deze markt ligt ten westen van Bangkok. Het is de kleurrijkste drijvende markt van Thailand. Vooral vroeg in de ochtend is het een en al bedrijvigheid en dan blijkt hoe authentiek de markt nog is. Vrouwen in bootjes verkopen er hun producten aan de lokale bevolking, zoals ze dat al sinds mensenheugenis doen. Er zijn verschillende kleinere drijvende markten vlak bij de hoofdmarkt van Damnoen Saduak. De drijvende markt van Damnoen Saduak is vooral bekend vanwege het verse fruit dat uit de boomgaarden uit de omgeving wordt aangevoerd. Daarnaast worden levensmiddelen, vlees, vis en allerlei huishoudelijke artikelen te koop aangeboden. Ook zijn er drijvende "restaurantjes" die warme maaltijden als soep en bami aanbieden. De hoge boogbruggetjes over Damnoen Saduak bieden een uitstekend uitzicht. Langs de kant van de klong staat een markthal van twee verdiepingen. Op de bovenste verdieping bevindt zich een veranda met een lage balustrade om te voorkomen dat argeloze bezoekers naar beneden vallen. Door de houten spijlen van de balustrade proberen verkopers op palen tot in het water hun koopwaar zoals tijgerbalsem te slijten aan de voorbijgangers.

Terug naar inhoudsopgave

 

Kanchanaburi 

In centraal Thailand ligt de provinciale hoofdstad Kanchanaburi.  Een boottocht op de Kwai rivier is de beste manier om de natuurlijke omgeving van Kanchanaburi te verkennen. Vanaf de boot ziet men een afwisselend landschap voorbij glijden dat nu eens bestaat uit een stukje ongerepte natuur, dan weer uit indrukwekkende cultuur. Langs de oevers van de rivier groeien de bomen van een mangrovebos tot in het water. Soms is de oever rotsachtig en staan de bamboe- en teakbomen op enige afstand van het water. Naarmate men dichter in de buurt komt van de bevolkingscentra vindt men naast deze wildernis steeds meer stukken grond die in cultuur zijn gebracht ten behoeve van de land- en tuinbouw alsmede voor de veeteelt. In de nabijheid van de bevolkingscentra moet de natuur steeds meer wijken voor drijvende woningen. De stad Kanchanaburi trekt vooral bezoekers vanwege de beruchte "Birma-spoorlijn" en de brug over de rivier de Kwai.

Nadat het Japanse leger in de Tweede Wereldoorlog Thailand en Birma had bezet, ondervond het problemen met de bevoorrading van de troepen in laatstgenoemd land. De aanvoer over zee via de Straat van Malakka werd steeds moeilijker vanwege de luchtaanvallen van de geallieerden. De Japanse regering besloot daarom dat er in allerijl een spoorlijn tussen Thailand en Birma moest worden aangelegd. Hiertoe werden geallieerde krijgsgevangenen en Aziatische dwangarbeiders ingezet. Her en der langs de spoorlijn werden voor hen primitieve kampen ingericht. Zij moesten de spoorlijn aanleggen onder meestal onmenselijke omstandigheden. Met de aanleg van de spoorlijn werd op 16 september 1942 begonnen. Hoewel de Japanners vijf jaar voor de bouw van de spoorlijn hadden uitgetrokken, was de lijn al 15 maanden na aanvang van de werkzaamheden klaar. Het aantal slachtoffers dat bij de aanleg van de spoorlijn om het leven kwam was bijzonder hoog. De meesten van hen stierven van honger en door uitputting, tropische ziekten en als gevolg van bombardementen. De Japanse bezetters gebruikten de spoorlijn 20 maanden totdat het spoor aan het einde van de oorlog door de geallieerden werd gebombardeerd. De Engelsen braken een groot gedeelte van de spoorweg na de oorlog af, vooral bij de grens met Birma. De rest werd aan de Thaise spoorwegen verkocht.

De oorspronkelijke brug over de Kwai rivier was van bamboe. Deze brug was tijdelijk en werd in de loop van de oorlog vervangen door een stalen brug. Die brug werd door het Japanse leger in delen vanuit Java overgebracht en door geallieerde krijgsgevangenen ter plaatse in elkaar gezet. De brug bestond oorspronkelijk uit een aantal halfronde bogen. In 1945, aan het einde van de oorlog, werden drie bogen (de vierde, vijfde en zesde in het middengedeelte) door Engelse bommenwerpers uit Ceylon vernield. Deze werden door de Thaise spoorwegen vervangen door twee rechthoekige stalen gevaarten, waarop – ironisch genoeg – te lezen staat: Made in Japan. Ze zijn afkomstig van een staalfabriek in Tokio en waren bedoeld als herstelbetalingen voor de veroorzaakte oorlogsschade. Bij de brug is een spoorwegmuseum. Hier liggen stukken van de oorspronkelijke rails en er staan een locomotief en enkele wagons, die gebruikt werden bij de aanleg van de spoorlijn voor het vervoer van mensen en materiaal. Wandelen over de brug is lastig vanwege de losliggende balken en planken, waardoor de rivier beneden te zien is. Enkele keren per dag rijdt er een boemeltreintje over. De boemel passeert het Wang Po-viaduct, een hoog houten viaduct dat tegen een rotswand is gebouwd en waarschijnlijk nog voor het grootste deel uit oorspronkelijk bouwmateriaal bestaat.

In de omgeving van Kanchanaburi ligt het Sai Yok National Park. Dit park is vooral bekend om zijn watervallen in een heuvellandschap dat dicht is begroeid met bamboe- en teakbomen. De watervallen zijn verspreid over maar liefst vijf hoogteniveaus en komen uit in kleine vennetjes die uitermate geschikt zijn voor recreatie.

Terug naar inhoudsopgave

 

Chiang Mai

Chiang Mai is de op twee na grootste stad van Thailand. Maar het is geenszins te vergelijken met Bangkok, dat ruim veertig keer zoveel inwoners heeft. De stad is een van de oudste in Thailand en werd volgens de overlevering in de dertiende eeuw gesticht door koning Mengrai aan de voet van de berg Doi Suthep. In de omgeving ligt de Wat Phra That Doi Suthep, de "Tempel op de berg". De weg naar de tempel gaat langs prachtige bossen naar boven, waar de tempel op een 1050 meter hoge uitloper van de Doi Suthep is gebouwd. Boven de bomen ziet men al spoedig de gouden chedi en de rode daken van de tempel oprijzen. De wat werd gebouwd om een relikwie van Boeddha te herbergen die vanuit Sri Lanka naar Chiang Mai is gebracht. De locatie voor de tempel werd op traditionele manier bepaald. Koning Ku Na liet in 1383 een witte olifant bij de stadspoort los. Die liep de heuvels in, bleef halverwege staan, en vervolgde toen zijn weg naar de top. Volgens de overlevering trompetterde hij daar driemaal, maakte drie rondjes tegen de klok in en knielde. Waar hij neerknielde werd de relikwie begraven en verrees de chedi van de tempel. Aan weerszijden van het platform aan het begin van de trap staat een Thorani-beeld, waaruit water vloeit. De trap, die tussen bomen omhoog voert naar de tempel, heeft leuningen van geelgroene naga’s. Boven aan de trap bewaken twee kleurige wachters in een paviljoen de toegang tot het tempelterras. Op het terras, bij de grote trap, staat het beeld van de witte olifant van koning Ku Na, met een verkleinde chedi op zijn rug. Langs de tempel hangen in paviljoens lange rijen klokken. Zes ingangen voeren vanaf het tempelterras naar de tempel. In het midden van de binnenhof rijst de 32 meter hoge vergulde chedi, boven het Boeddha-reliek, met op de top een vijfdelige parasol. De galerijen tonen gouden boeddhabeelden. Op de binnenhof staan kleine boeddhabeeldjes beplakt met bladgoud. Elk beeldje heeft een andere houding en vertegenwoordigt een dag van de week. Vanaf het terras heeft men een prachtig uitzicht over de omgeving.

Ten noorden van Chiang Mai ligt in een bosrijke omgeving van het dal Mae Sa temidden van hoge teakbomen een olifantentrainingscentrum. Ooit was het trainingskamp bedoeld om olifanten voor te bereiden op het zware werk in de bossen. Maar door het verbod op het kappen van hardhout zitten de dieren zonder emplooi. Tegenwoordig zijn ze een bezienswaardigheid voor toeristen. De olifanten baden in de rivier met de berijder (mahout) op hun rug, en voeren op een open plek in het bos een demonstratie op waar ze tonen hoe ze gekapte boomstammen moeten slepen en stapelen. Daarna kan men een ritje maken door het oerwoud op de rug van een van de olifanten.

In de omgeving van Chiang Mai ligt een bergdorp van de Hmong met de naam Doi Pui. Van alle bergvolken waren zij vroeger de beruchtste papavertelers, maar ze zijn nu op de verbouw van andere gewassen overgestapt. Hun dorp ligt traditioneel hoog in de bergen waar de papavers vanwege het koele klimaat het beste gedijen. De Hmong hebben zich in de loop der eeuwen van alle minderheidsgroepen over het grootste gebied verspreid. Via China trokken ze rond de eeuwwisseling naar Thailand. In Thailand onderscheidt men op grond van de klederdracht drie verschillende groepen Hmong: de zogenaamde Zwarte, Witte en Blauwe Hmong, genoemd naar de kleur van hun traditionele klederdracht. De Hmong klederdracht staat bekend om zijn kleurige borduurwerk. Veel vrouwen en meisjes dragen nog een traditioneel hesje met een geborduurde kraag, al is het dragen van moderne kleding zoals een t-shirt sterk in opkomst. Bij een bezoek aan het dorp op dat de overheid flink investeert in de ontwikkeling van het gebied in een poging om een einde te maken aan het isolement. Het dorp is tegenwoordig goed bereikbaar via een asfaltweg. Een school moet bijdragen aan een correcte opvoeding en goede ontwikkeling van de kinderen. Ook de volwassenen worden geholpen. Er worden flinke subsidies verstrekt op de verbouw van alternatieve gewassen. De teelt van opium wordt daarentegen streng aangepakt.

Terug naar inhoudsopgave

 

Mae Hong Son

Het gebied ten noorden van Chiang Mai is vooral bekend vanwege de beruchte Gouden Driehoek – het drielandenpunt dat veel gebruikt werd voor de teelt en handel in opium. Maar de periode van de opiumhandel en –oorlog is al enige tijd voorbij. Nu wordt het gebied vooral bezocht vanwege de overweldigende natuur en het grote aantal bergvolken die hier wonen.  Een van de plaatsen die in dit rijk geschakeerde gebied liggen is Mae Hong Son ("Stad in de mist"). De stad ligt in een kleurrijk dal dat wordt omringd door hoge, met bossen begroeide heuvels. Tot enkele decennia geleden was de stad bijna afgesloten van de rest van Thailand en alleen bereikbaar door middel van een lange en zware tocht op de rug van een olifant. Dankzij de afgelegen ligging is de stad in staat geweest zijn eigen identiteit te behouden en de snelle veranderingen die de rest van Thailand heeft meegemaakt te weerstaan. 

In de bergen rondom Mae Hong Son leveren verschillende volken. De Karen maken ongeveer de helft uit van deze bergvolken. De meeste Karen zijn animisten en leven voornamelijk van de rijstbouw.  Getrouwde vrouwen dragen kleurige kleding, meestal een witroze gestreept jack. Jonge meisjes gaan vaak in het wit gekleed en de mannen dragen nu de dracht van de Thaise boer bestaande uit een spijkerbroek en een t-shirt.  De Lahu hebben een eigen klederdracht. Opvallend is het jasje, afgezet met brede repen van gekleurde stof langs de mouwen, schouders en sluiting. Een deel van de Lahu verbouwde oorspronkelijk papaver, maar sinds de Thaise regering de verbouw aan banden legde, is de teelt aanzienlijk teruggedrongen. De Yao maken prachtig borduurwerk en waren tot voor kort bedreven papavertelers. De Yao zijn pantheïsten (het geloof dat God en de wereld identiek zijn) en vereren hun voorouders. De vrouwen dragen zwarte blouses en zwarte rokken of broeken, met kleurrijke borduurwerken en gekleurde doeken die om het middel hangen. Zij dragen vaak grote zwarte of donkerblauwe, geborduurde hoeden of tulbanden een een soort rode boa van veren rond de hals. De Akha leven op de berghellingen en -toppen en behoren tot de armste minderheden in Thailand. Ze hebben geen geschreven taal. Ze zijn pantheïsten en doen aan voorouderverering. Ze verbouwen voornamelijk katoen en rijst, maar ook maïs, bonen en andere groenten. De vrouwen en meisjes dragen zwarte blouses en rokken tot boven de knieën en ronde borstsieraden op een openhangende geborduurde blouse. De hoge muts is bezet met pluimen, franjes, kralen en zilveren munten en sluit strak om het hoofd. De muts vormt op deze manier het kapitaal. De Lisu leven in clanverband, velen zijn animist en vereren hun voorouders. De vrouwen gaan gekleed in bonte blouses met lange mouwen en een ceintuur over de broek. Op het hoofd dragen zij een brede zwarte tulband met lange, afhangende koorden. De mannen hullen zich in een zwart jasje, met zilver versierd, en een blauwe of helgroene broek.

De Langnekken wonen in de Gouden Driehoek ten noorden van Mae Hong Son. Ze behoren tot de Paduang-stam, één van de vele Karen-stammen. Ze wonen afgezonderd in de bergen van Noord-Thailand. Omdat ze een vluchtelingenstatus hebben, mogen ze niet zonder toestemming hun dorp verlaten. Bij een bezoek aan één van de dorpen valt op dat er slechts een hobbelige toegangsweg is. Het dorp zelf ligt verscholen in een bergkom. Men heeft er geen stromend water of elektriciteit evenmin als riolering. De dorpsbewoners wassen zich aan de pomp en doen hun behoeften in het omringende oerwoud. De vrouwen in het dorp hebben van kinds af aan telkens een deel van de bruidsschat gekregen, bestaande uit zilveren of gouden ringen, die om de hals worden gedragen. Door de ringen worden de schouders en het lichaam naar beneden gedrukt, het is dus niet zo dat de nek steeds meer wordt opgerekt. Niet iedere vrouw of meisje krijgt ringen rond haar hals. Alleen degenen die geboren zijn op een woensdag of bij volle maan hebben de "eer" ringen rond hun hals te dragen. Daarnaast zijn er vrouwen die zware sieraden in hun oren dragen en zo hun oorlellen oprekken. De dorpsbewoners voorzien in hun levensonderhoud door de verkoop van handgemaakte textiel.

Wie een tocht maakt over de Pai vindt langs de oevers van de rivier nog veel ongerepte natuur van een bladverliezend moessonwoud met eiken. Bomen wortelen langs de oevers van de rivier of hun wortels reiken over de rotsen in het water. Af en toe ziet men een woning met een stukje landbouwgrond. De tocht over de rivier gaat per bamboevlot.

Terug naar inhoudsopgave

 

 

Literatuur

Gropfert, Jürgen                          - "A brief history of JEATH", folder van Wat Chaichumpol

Peterse, Leon en Joke Petri        - "Thailand", uitgave in de reeks reisgidsen van Dominicus

Terug naar inhoudsopgave

 

Nederlandse versie Engelse versie