|
Informatie
Vietnam
In 208 voor Christus stichtte de
opstandige Chinese generaal Trieu Da een onafhankelijke staat. Hij noemde
het rijk Nam Viet – het zuidelijke land van de Viet. Het grondgebied omvatte
delen in het zuiden van China en het noorden van het huidige Vietnam. Ondanks
een herbezetting door de Chinezen die vele eeuwen duurde groeide het nationale
gevoel van de Viet. Aan het einde van de tiende eeuw worstelden zij zich
los van de Chinese bezetters en vormden een onafhankelijk koninkrijk dat gestaag
zijn macht uitbreidde. Het koninkrijk verwierf niet alleen op politiek vlak
aanzien, maar ook op cultureel vlak met de oprichting van de eerste universiteit
van het land in het tegenwoordige Hanoi. In de vijftiende eeuw riep de
Vietnamese generaal Le Loi zichzelf uit tot keizer na een succesvolle jarenlange
guerillastrijd tegen de Chinese bezetter. Hij breidde het Vietnamese rijk uit
naar het zuiden met de verovering van het hindoe koninkrijk van Champa.
Dit rijk was in de tweede eeuw na Christus ontstaan met de komst van zeevaarders
uit voor Indië en stond bekend om zijn grandioze bouwkunst. De torens bij Nha
Trang en Phan Rang zijn hiervan nog altijd stille getuigen.
Met de komst van het keizerrijk brak een
een gouden eeuw aan voor de kunst en literatuur. De vorsten benadrukten het
unieke van de Vietnamese cultuur en de Chinese gewoonten raakten op de
achtergrond. De dynastie raakte echter in verval en er brak een langdurige
periode van verdeeldheid aan. Met steun van de Fransen slaagde een lid van de
vooraanstaande Nguyen familie er in om eerst het zuiden te veroveren en daarna
de rest van het land. Hij riep zichzelf tot keizer uit en werd de stichter van
de Nguyen dynastie die van 1802 tot 1945 zou blijven regeren. Om de eenheid van
het rijk te benadrukken koos hij als hoofdstad het centraal gelegen Hué en
noemde zichzelf Gia Long. De naam is een samentrekking van Gia Dinh (Saigon) en
Thanh Long (Hanoi). De keizer gaf opdracht tot de bouw van de Citadel en
Keizerlijke Stad in Hué. Uit dank voor hun steun verleende de keizer de
Fransen allerlei handelsvoordelen. Ook stond hij missionarissen toe om
zendingswerk te verrichten.
De opvolgers van keizer Gia Long stonden minder sympathiek
tegenover de katholieke missie en de invloed van de Fransen op de politiek.
Daarom gingen zij over tot vervolging en executie van katholieken, zowel
Vietnamezen als Fransen. Voor de Franse regering was de vervolging van haar
onderdanen aanleiding tot militair ingrijpen. In 1859 veroverden Franse troepen
Saigon. In de jaren daarop viel de rest van het zuiden in Franse handen en werd
het onder de naam Cochin als Franse kolonie ingelijfd. Later brachten de Fransen
ook Annam in het midden en Tonkin in het noorden van Vietnam onder hun
bescherming als "protectoraten". Op deze manier trachtten de Fransen
hun belangen in de regio veilig te stellen en de groeiende invloed van de
Engelsen een halt toe te roepen. Het optreden van de Fransen leidde tussen de
beide wereldoorlogen tot de opkomst van verschillende nationalistische
bewegingen. Bij de totstandkoming daarvan speelde één man, Ho Chi Minh, een
allesoverheersende rol.
In 1941 richtte Ho Chi Minh, na een verblijf van dertig jaar
in het buitenland, een bevrijdingsfront op dat bekend werd onder de naam Viet
Minh, Dit front was een verzameling van nationalistische groepen onder leiding
van de communisten. De Viet Minh vocht een guerilla-oorlog tegen de Japanners
die het land tijdens de Tweede Wereldoorlog bezet hielden met toestemming van
het koloniale Franse bestuur. Begin september 1945 riepen zij de
onafhankelijke Democratische Republiek Vietnam uit met Ho Chi Minh als president
en premier. De oprichting van een onafhankelijk Vietnam ging echter niet zonder
slag of stoot. De Fransen wilden de controle over het zuiden niet uit handen
geven en al spoedig brak er een oorlog uit. Die leidde in 1954 tot een
wapenstilstand met een tijdelijke deling van het land in een noordelijke en een
zuidelijke zone.
De nationalistische regering in het zuiden werd gesteund door
de Amerikanen die met alle mogelijke middelen de communistische opmars tot staan
wilde brengen. Dit leidde in 1964 tot een nieuwe oorlog in de regio.
Onder druk van de anti-oorlogsbeweging kwam het in 1973 tot een vredesakkoord.
Het zou echter nog tot 1975 duren voordat de laatste Amerikanen vertrokken uit
Saigon en de oorlog voorbij was. Als gevolg van de recente oorlogen heeft het
land enorm veel schade geleden. Dankzij de succesvolle hervormingen van de
laatste jaren klimt het land weer uit een dal. Het is opmerkelijk dat het
gehele land profiteert van de vooruitgang ondanks de verschillen tussen het
noorden en het zuiden die in de loop der jaren zijn gegroeid.
Het land heeft verschillende etnische groepen. Veruit de
meeste inwoners behoren tot de Viet. Zij zijn rond het midden van onze
jaartelling voortgekomen uit de vermenging van Chinese, Thaise en Maleise
groepen in het noorden van het land. In de loop der eeuwen trokken zij vanuit
het noorden naar het zuiden. De Vietnamezen zijn altijd sterk beïnvloed door de
cultuur van de Chinese noorderbuur zonder de eigen onafhankelijkheid op te
geven. Ze bewonen voornamelijk de rijstproducerende gebieden in de delta's van
de Mekong en rode rivier en de centrale kustvlakte. In de heuvels en de bergen
van Midden en Noord Vietnam wonen de Montagnards. Gezamenlijk vormen ze
de belangrijkste minderheid van het land. Ze zijn nauw verwant aan etnische
groepen in China en Thailand. Door de geïsoleerde ligging van het hoogland
konden zij zich lange tijd onttrekken aan de Vietnamese cultuur die in het
laagland tot ontwikkeling kwam. De Montagnards hebben over het algemeen
een lage levensstandaard. Hoewel het christendom onder de Montagnards
zijn intrede heeft gedaan zijn voorouderverering en animisme blijven
voortbestaan. Daarin onderscheiden ze zich van de Viet die oude animistische en
Chinese opvattingen hebben samengevoegd in het drievoudig geloof van
confucianisme, boeddhisme en taoïsme. Overigens vertonen de Montagnards
onderling grote verschillen. Iedere groep heeft zijn eigen kleding, sieraden,
taal en religie.
Terug naar inhoudsopgave
Saigon
Ooit was Saigon een kleine nederzetting met een haven aan de
oever van de rivier Saigon niet ver van de kust van de Zuidchinese Zee.
Pas aan het einde van de 17de eeuw groeide de nederzetting uit tot een stad.
Onder de vorsten van de Nguyen dynastie werd Saigon een belangrijke rivierhaven.
Keizer Gia Long bracht de stad tot ontwikkeling en maakte er een handelscentrum
van. Nadat hij de zetel van zijn rijk naar Hué had verplaatst, riep hij
Saigon uit tot hoofdstad van het zuiden. In 1859 namen Franse troepen Saigon in
dat zij spoedig uitroepen tot de hoofdstad van Cochin. De Fransen maakten van de
stad een moderne metropool. De stad groeide in snel tempo. De haven werd
uitgebreid en de stad werd door middel van een spoorlijn en wegen met de rest
van het land verbonden. Door de Europese stijl van bouwen en de brede lanen met
hoge bomen kreeg de stad het aanzien van een Franse provinciehoofdstad. Na het
vertrek van de Fransen werd Saigon de hoofdstad van de zuidelijke Republiek van
Vietnam. De stad maakte een enorme groei door en barstte bijna uit haar voegen
door de toestroom van grote aantallen vluchtelingen. De stad werkte als
een magneet op de bevolking van het omliggende platteland, dit wegens de
schijnbare veiligheid en het vertoon van welvaart, gebaseerd op westers kapitaal
en de aanwezigheid van Amerikaanse troepen. Toen de Amerikanen in 1975 de stad
verlieten brak een periode van economische malaise aan. Maar de stad wist ook te
profiteren van de economische hervormingen die de communistische regering
doorvoerde.
Saigon is met zijn vijf miljoen inwoners tegenwoordig de
grootste agglomeratie van het land. Sinds 1976 draagt de stad de naam van de
kort daarvoor overleden leider Ho Chi Minh. De vroegere benaming Saigon is nu de
aanduiding voor het centrum. De bevolking gebruikt de naam nog steeds voor de
hele stad. Een van de meest opvallende aspecten van Saigon is het
kosmopolitische en dynamische karakter van de stad. Dat is een groot verschil
met het meer bezadigde en bureaucratisch ingestelde bestuurscentrum Hanoi. In de
stad heerst een grote bedrijvigheid. Overal schieten gebouwen uit de grond en in
winkels en stalletjes op de markten wordt druk handel gedreven. Kappers
knippen de haren van hun klanten op straat en langs de weg treft men
verkoopsters die boven een blikken komfoor maaltijden
bereiden. De architectuur
is een mengeling van oud en nieuw. Naast moderne betonnen hoogbouw staan
monumentale neoklassieke gebouwen en hotels uit de koloniale tijd. Het verkeer
bestaat voor een groot deel uit fietsen, brommers en cyclo’s (fietstaxi’s)
die tijdens het spitsuur voor enorme opstoppingen zorgen. Meisjes en jonge
vrouwen hebben het traditionele broekpak, de ao dai, verruild voor jeans
en minirok. Ze doorkruisen de stad op kleine Honda brommers,
hét nieuwe statussymbool. Het autoverkeer is nog in de minderheid, maar dat is
sterk in opkomst.
Zo'n honderd kilometer ten noordwesten van
Saigon ligt de provincie hoofdstad Tay Ninh. Het stadje is sinds 1927 de
vestigingsplaats van de Heilige Stoel van het caodaïsme, de inheemse godsdienst
van Vietnam, die een samensmelting is van boeddhisme, taoïsme, confucianisme,
christendom, islam, spiritisme en voorouderverering. Het geloof van de Cao Dai
ontstond in 1926. Ngo Minh Chieu, een Vietnamese ambtenaar van het koloniale
bestuur, kwam tijdens een seance in contact met Cao Dai, het hoogste Opperwezen.
Die spoorde hem aan het beste uit de religies van Oost en West met elkaar te
combineren. Zo zou een nieuwe, ideale godsdienst ontstaan. Volgens het caodaïsme
is er één god, Cao Dai. Om met god en de geestenwereld in contact te komen,
maakt men gebruik van mediums. De seances worden in het Vietnamees, Chinees,
Frans en Engels gehouden. Gods waarheid is volgens de Cao Dai twee keer eerder
geopenbaard. Dit gebeurde door tussenkomst van stervelingen als Confucius, Lao
Tse, Boeddha, Jezus en Mohammed. De Derde Openbaring van God, zoals de officiële
naam van de religie luidt, gebeurde via de geestenwereld en is daarom van
grotere betekenis dan de vorige openbaringen. De Cao Dai kennen een kerkelijke
hiërarchie die aan de rooms-katholieke kerk is ontleend. Aan het hoofd staat
een paus, met daaronder kardinaals, aartsbisschoppen, bisschoppen, priesters,
novicen en leken. De kleur van de kleding van de priesters vertegenwoordigt een
van de drie Chinese religies: geel staat voor boeddhisme, rood voor
confucianisme en azuurblauw voor taoïsme. Novicen en leken dragen witte
kleding. Aartsbisschop en de bisschoppen dragen een ronde platte hoed, priesters
een hoge fez, novicen een mijter en leken een zwart petje. Vrouwelijke
bisschoppen zijn gesluierd. Met uitzondering van de hoogste posten staan
kerkelijke ambten open voor mannen en vrouwen. De Cao Dai hebben een morele
gedragscode. Men wordt geacht niet te liegen, stelen, doden, overspel te plegen
of er een extravagante levensstijl op na te houden. De geestelijken leven
celibatair en zijn vegetariër.
Terug naar inhoudsopgave
Mekongdelta
De Mekongdelta is het laatste
gedeelte van het land dat door de Vietnamezen is gekoloniseerd. In de 17de eeuw
werd begonnen met de ontsluiting van het gebied en de aanleg van kanalen. De
delta is zeer vruchtbaar door het slib dat de Mekong rivier vanuit hoger gelegen
berggebieden meevoert en bij hoogwater hier afzet. In de delta splitst de rivier
zich in negen armen die in de Zuidchinese zee uitmonden. Hieraan dankt de rivier
de bijnaam "rivier van de negen draken". Door het vruchtbare slib van
de Mekong kon het gebied uitgroeien tot de graanschuur van het land.
Het landschap is zeer vlak en de landbouwvelden liggen slechts enkele meters
boven zeeniveau. De vele kanalen in de delta zorgen voor afwatering en
bevloeiing. Ze verbinden de armen van de rivier tot een netwerk van waterwegen
en vormen de belangrijkste verkeersaders. Het verschil tussen hoog en laag water
is hier veel geringer dan in de delta van de rode rivier en daarom ontbreken
hoge dijken.Grote bezienswaardigheden zijn er
niet in de Mekongdelta. De delta biedt wél de mogelijkheid om het leven van de
bevolking op het platteland van dichtbij mee te maken zoals in de
provinciehoofdstad Vinh Long.
De haven van Vinh Long ligt aan de
Tien Giang rivier. Een boottocht vanuit de haven voert eerst door brede en druk
bevaren kanalen. Naast motorboten varen er veel
roeibootjes. De boot vaart vervolgens door smalle kanaaltjes met langs de
oevers palmen die tot in het water groeien. Langs de waterkant liggen kleine
nederzettingen. De bewoners hebben de oevers met elkaar verbonden door middel
van steile "apenbruggetjes". Deze wankele bouwsels van dunne
boomstammetjes met slechts één bamboeleuning zijn alleen geschikt voor
lichtgewichten. Meestal
is in de boottocht over de rivier een bezoek opgenomen aan de drijvende
markt van Cai Be. Op het water voor de kade van de stad dobberen vele
zwaarbeladen boten met lokale handelswaar. Op de
markt ziet men hoe fruit, vis, pluimvee en vooral rijst vanuit deze boten wordt
verscheept en verhandeld.
Terug naar inhoudsopgave
Dalat
Op een hoogte van circa 1500 meter in het Centrale Hoogland
ligt de provinciehoofdstad Dalat. Door de hoge ligging is er een gematigd
klimaat met het hele jaar door aangename temperaturen. In deze "stad van de
eeuwige lente" hangt nog iets van een Europese sfeer, met oude koloniale
villa’s langs het meer en een wijk die lijkt te zijn gekopieerd uit een Frans
provinciestadje. De stad werd gesticht tussen 1912 en 1920 door de Fransen
die de hitte van de delta wilden ontvluchten. Zij noemden de plaats de
zomerhoofdstad van het zuiden. Vanwege zijn fraaie ligging en het gunstige
klimaat was Dalat ook een geliefd toevluchtsoord voor de Vietnamese keizers. De
laatste keizer Bao Dai had een zomerresidentie in een naaldbos op een heuvel ten
zuidwesten van het stadshart. De stad is het centrum van een uitgestrekt
theegebied. Op enorme plantages verbouwt men
moerbeiplanten, het voedsel voor de zijderups. De omgeving heeft verder een
uniek landschap met heuvels, valleien, meren,
riviertjes en watervallen. In de omtrek wonen meer dan twintig
verschillende etnische groepen (Montagnards) waaronder Lat.
Een zeer slechte weg leidt vanuit Dalat naar het noordoosten
richting een Lat-dorp aan de voet van de berg Lang Bian. Deze Montagnards
leven van de verbouw van rijst, maïs, tabak, koffie en aardappelen. De verkoop
van houtskool vormt een aanvulling op hun karige inkomen. De Lat dragen geen
traditionele kleding meer, maar de vrouwen
zijn te herkennen aan het feit dat ze een mand of een kind op de rug meetorsen.
Het dorp bestaat uit een aantal houten woningen en een kerk.
Verder is er een school gevestigd in het enige stenen gebouw dat het dorp kent.
Voor een bezoek aan het dorp is een permit nodig. De Vietnamese politie
controleert de toegang tot het dorp streng, omdat de christelijke Lat sterk op
het westen georiënteerd zijn en in de oorlog de zijde van de Amerikanen hebben
gekozen. Velen hebben familieleden in het westen die na de oorlog naar vooral
Amerika zijn gevlucht.
De weg van Dalat naar Na Thrang loopt door de Ngoan-Muc pas.
Via tal van haarspeldbochten daalt de weg van het bergland af naar de
kustvlakte. Daarbij moet een hoogteverschil van bijna 1000 meter worden
overwonnen. De Fransen noemden dit de Bellevue-pas en de vergezichten zijn
inderdaad spectaculair. Langs de weg vindt men verkoopsters
die versnaperingen aan de reizigers verkopen om het karige inkomen aan te
vullen.
Terug naar inhoudsopgave
Phan Rang
Phan Rang ligt aan de kust van de Zuidchinese Zee en was
vroeger de hoofdstad van het zuidelijke rijk van de Cham. Op tal van
plaatsen in de provincie herinneren tempeltorens aan het roemruchte verleden van
de Cham. De torens van Phan Rang vormen een indrukwekkend voorbeeld van deze
bouwstijl. Ze liggen een eindje van de hoofdweg in een woestijnachtig landschap
met metershoge cactussen. De torens staan op een granieten heuvel.
De groep bestaat uit vier tempels en draagt de naam
van een van de koningen van de Cham, Po Klong Garai. De torens zijn gebouwd aan
het eind van de 13de eeuw. De bakstenen bouwwerken tonen grote
overeenkomst met Indiase hindoetempels.
De hoofdtempel of kalan
heeft boven de ingang een afbeelding van de dansende hindoegod Shiva. In de hal
staat een beeld van de stier Nandi, het rijdier van de god. In het heiligdom
bevindt zich onder een houten piramide een lingam, het fallussymbool van Shiva.
De lingam is beschilderd met een menselijk gezicht dat waarschijnlijk het
portret van de vergoddelijkte koning Po Klong Garai voorstelt. De koning oefent
ook nu nog invloed uit, want jaarlijks trekken de Cham tijdens de oogstfeesten
naar de tempel om de vorst te vragen hun akkers te zegenen. Op het dak van de
tempel zijn beelden van de hindoegoden aangebracht en op de top een lingam. Tegenover het hoofdheiligdom staat een toren
die dienst deed als poortgebouw en officiële toegang tot het complex. Voor de
toren ligt een binnenplaats waarvan nog slechts het platform en een laag muurtje
bewaard zijn gebleven. Het gebouw ernaast, met op het dak een soort stenen
doodskist, was de bibliotheek.
Terug naar inhoudsopgave
Nha Trang
Nha Trang betekent in de taal van de Cham
"bamboerivier", een verwijzing naar het riet dat ooit de oevers van de
rivier bedekte. Tot het einde van de negentiende eeuw bestond de plaats uit
enkele slaperige vissersdorpjes aan de mond van de rivier en langs de kust. Dat
veranderde met de komst van de Fransen die op de locatie een bestuurspost
openden. Later kreeg de plaats van de Vietnamese keizer de officiële status van
districtsstad. In de haven liggen vele kleurrijke
vissersboten voor anker. Dankzij de kalme zee kan de vissersvloot tien maanden
per jaar uitvaren om tonijn, makreel, garnalen, kreeft en inktvis te vangen. De
visserij speelt dan ook een belangrijke rol in het economische leven van de
stad. Op de markten langs de haven worden vele soorten vis verhandeld en de
restaurants in de stad vermelden verschillende visspecialiteiten op de
menukaart. Vis is zeker langs de kust voor vele Vietnamezen de belangrijkste
bron van eiwitten.
Op een heuvel iets ten noorden van het centrum van de stad
liggen de Cham torens van Po Nagar. De bouwwerken die hier tussen de 7de en 12de
eeuw verrezen zijn gewijd aan Po
Nagar, de moedergodin van de Cham. Ze staat ook bekend als Uma, de zwarte
dame en de vrouw van de hindoegod Shiva. Vanaf de ingang leidt een trap naar het
platform op de heuvel. Tien zuilen rechts van de trap zijn de enige
overblijfselen van een oude mandapa of vergaderzaal. Op het
platform staan vier torens. Ze zijn met de ingang naar het oosten gericht, naar
de plaats waar de goden huizen. De noordelijke toren met het piramidevormige dak
is in 817 onder auspiciën van de koning opgericht. In 965 liet de koning er een
stenen beeld van de godin Uma installeren. Een hal geeft toegang tot het
hoofdheiligdom. Het zwarte beeld van de godin met tien armen staat op een
altaar, het lichaam bedekt met een mantel. De centrale toren links van de
noordelijke toren is gewijd aan de Chinese prins Bac Hai. Helaas is deze tempel
uit de 12de eeuw nogal lelijk gerestaureerd en zijn de gebeeldhouwde
ornamenten in de loop der eeuwen verdwenen. De toren bevat een lingam. De kleine
zuidelijke toren is opgedragen aan de houthakker die
de pleegvader was van prinses Quy. De noordwestelijke toren schuin achter de
tempel van Uma is aan deze prinses gewijd.
Het belangrijkste boeddhistische heiligdom van Nha Trang is de
Long-Sonpagode ten westen van het stadscentrum. De
pagode werd in 1889 op de heuvel Trai Thuy gesticht. Het gebouw was aanvankelijk
niet meer dan een rietgedekt gebouw met muren van klei. Door inwerking van regen
en wind moest men de tempel al na een jaar herbouwen. Men koos daarvoor de
huidige locatie aan de voet van de heuvel. De pagode is nadien verschillende
keren herbouwd. Rechts van de pagode leidt een trap naar de top van de heuvel.
Hier staat een groot, wit boeddhabeeld op een lotusbloem. Het beeld werd in 1963
opgericht en was een symbool in de strijd van de boeddhisten tegen de katholieke
president Diem.
Voor de kust van Nha Trang ligt het eiland Mieu. Aan de
oostkant van het eiland ligt het charmante vissersdorp Bai Mieu. Het water is er
te ondiep om aan te meren. De vissersboten lopen
vast als ze zich te dicht langs de wal wagen. Daarom verplaatsen vissers zich in
ronde manden van gevlochten bamboe tussen wal en
schip. De manden of thung chai zijn waterdicht gemaakt met pek en
worden staande of zittend geroeid. Het dorp maakt een welvarende indruk. Dat
komt niet alleen door de verkoop van vis, maar vooral door de inkomsten van
familieleden die als bootvluchtelingen naar het buitenland zijn vertrokken en
die nu geld naar hun achtergebleven familieleden
overmaken.
Terug naar inhoudsopgave
Quy Nhon
De weg naar Quy Nonh voert door een
traditioneel landbouwgebied dat nog weinig mechanisatie kent. Men vindt er
boeren die met behulp van ossenploegen de
rijstvelden bewerken, vrouwen die varkenstransporten
vervoeren in rieten manden op de fiets en
textielfabrieken die uitsluitend gebruik maken van menselijke arbeidskracht.
Noordelijker in de richting van Hoi An vindt men fabriekjes waar handmatig rijstpapier
wordt gemaakt die men vervolgens in de zon langs de weg te drogen legt.
Terug naar inhoudsopgave
Hoi
An
Hoi An is een sfeervol stadje ten zuiden van Danang. Het
stadje was een belangrijke aanlegplaats voor Portugese, Japanse, Chinese en
Nederlandse handelsschepen. De
meeste koopmanshuizen, gemeenschapshuizen, tempels en pagoden, bruggen en tombes
uit het verleden hebben de opeenvolgende oorlogen overleefd. De Japanse
brug is een van de weinige overdekte, houten boogbruggen die in Vietnam
bewaard zijn gebleven. De Japanse gemeenschap bouwde de brug tussen 1593 en 1596
als verbinding tussen hun wijk in het westen en de Chinese gemeenschap in het
oosten van de stad. De brede doorgang in het midden was bedoeld voor voetgangers
en paarden. De smallere zijpaden waren voor handelaren. De overdekking zorgde
ervoor dat zij hun werk in weer en wind konden doen. Het dak is versierd met
blauwwitte porseleinen bordjes en bedekt met authentieke tegels. Twee stenen
apen aan de westkant en twee honden aan de oostkant bewaken de ingangen. Zij
symboliseren het begin van de bouw in het jaar van de aap en de voltooiing van
de brug in het jaar van de hond.
Op het midden van de brug staat aan de noordzijde de
brugpagode oftewel het Chua-Cautempeltje. Volgens de overlevering is het gewijd
aan de "draak die de aarde doet schudden", een Japanse verwijzing naar
de aardbevingen die het moederland regelmatig teisterden. De tempel dateert
echter uit 1653 en toen hadden de meeste Japanners het land al verlaten. Ze is
feitelijk gebouwd door de Chinese gemeenschap en is opgedragen aan de koning van
het Noorden. In de pagode staat een beeld van deze vorst, op een schildpad en de
armen ineengevouwen. Het laatste is een symbool van yin en yang. Aan de westkant
van de brug staan prachtige oude huizen, waarvan de benedenverdieping is
ingericht als souvenirwinkel. Ze verkopen zijde, schilderijen, porseleinen
bordjes en houtsnijwerk.
Het is mogelijk aan de kade van Hoi An een boot te huren voor
een rondvaart. Onderweg ziet men sampans waarop hele
families wonen. Mannen tot hun nek in het water wrikken met stokken manden met
schelpjes los van de bodem. De boot vaart meestal langs het eiland Cam Kim. Het
dorp Kim Bong op dit eiland staat al honderden jaren bekend om de hoge kwaliteit
van zijn houtsnijwerk, zoals te zien is in de koopmanshuizen en tempels in Hoi
An.
Terug naar inhoudsopgave
Danang
De streek waarin Danang ligt, maakte eeuwenlang deel uit van
het koninkrijk Champa. In de stad ligt een museum met een uitgebreide
verzameling Cham beeldhouwkunst . In de omgeving liggen vijf heuvels. De heuvels
waren oorspronkelijk eilanden voor de kust, maar door verzanding maken ze nu
deel uit van het vasteland. Iedere heuvel vertegenwoordigt een element van de
kosmos en is daarnaar vernoemd: Hoa Son (vuurberg), Moc Son (houtberg), Kim Son
(goudberg), Tho Son (aardberg) en Thuy Son (waterberg). In de tijd van het
Champa rijk bevatten de grotten op de berg hindoe heiligdommen. Na de ondergang
van dit rijk stichtten de Vietnamezen in dezelfde grotten boeddhistische tempels
die onder persoonlijke
bescherming stonden van de keizer. De meest spectaculaire grot van de
Marmerbergen is de Huyen Khong. Stenen beelden van
de administratieve mandarijnen aan de linkerkant en militairen aan de
rechterkant bewaken de ingang.De 25 meter hoge
grot wordt beschenen door gefilterd licht dat door een opening in het plafond
naar binnen stroomt. Te zien zijn onder meer een altaartje met beeldjes
tegenover de ingang en een zittende boeddha in de rotswand erboven. De grot
diende tijdens de Vietnamoorlog als hospitaal voor de Vietcong en was
schuilplaats voor vrouwen uit een artilleriebataljon.
Terug naar inhoudsopgave
Hué
De provinciehoofdstad Hué ligt aan de voet van het Truong Son
gebergte in het smalste deel van Vietnam. Van 1802 tot 1945 was de "stad
der harmonie" de zetel van de keizers van de Nguyen dynastie. Het is van
oudsher ook de culturele en educatieve hoofdstad die de Vietnamese identiteit
het beste heeft weten te bewaren. De Parfumrivier
deelt de stad in tweeën. De rivier dankt haar naam aan het aangenaam ruikende
bos in het Truong Son gebergte waar de rivier ontspringt. Op de noordwestelijke
oever ligt de oude stad met de Citadel en de overblijfselen van de Keizerlijke
Stad en de Verboden Purperen Stad. De nieuwe stad op de zuidoostelijke oever is
ontworpen door de Fransen. Dit deel van de stad heeft moderne westerse gebouwen
en een koloniale architectuur.
In de Keizerlijke Stad oefenden de keizers van de Nguyen
dynastie hun openbaar ambt uit. Ze hielden er audiëntie en voltrokken de
religieuze riten die nodig waren om de harmonie tussen hemel en aarde te
bewaren. De hoofdingang van de Keizerlijke Stad was vroeger gereserveerd voor de
keizer. De ingangen links en rechts van de keizerlijke entree waren bestemd voor
de burgerlijke en militaire mandarijnen. Via ingangen in de vleugels kwamen
soldaten, paarden en olifanten de stad binnen. Achter
de hoofdingang voert een brug tussen lotusvijvers naar een voorplein met twee
terrassen op verschillende niveaus. Op dit plein, het zogenoemde Plein van de
Grote Ceremoniën, kwamen mandarijnen uit alle delen van het rijk samen om de
keizer eer te bewijzen. Mandarijnen met de hoogste rang stonden op het
hooggelegen terras en beambten met een lagere status op het laagste terras. De
linkerkant van het terrein was voor burgerlijke mandarijnen en de rechterkant
voor de militaire ambtsdragers. Aan het plein ligt het Thai
Hoa paleis ofwel het Paleis van de Opperste Harmonie. Het gebouw heeft twee
daken met gele tegels en een dakrand met draken. Het bouwwerk is zo
geconstrueerd dat het in de zomer koel blijft en in de winter warm. In het
paleis ontving de keizer buitenlandse afgezanten en andere hoge gasten. De
vorsten werden hier gekroond en ze vierden er hun verjaardag. Ook vonden er de
grote hofceremoniën plaats.
Achter het Thai Hoa paleis begint de Verboden Purperen Stad.
In deze stad bevonden zich de privé-vertrekken van de keizerlijke familie. De
stad is gebouwd in navolging van het hof van de Chinese keizers in Beijing en
weerspiegelt het naar binnen gekeerde karakter van de Vietnamese keizers. Niet
voor niets werd de stad het Grote Binnenste genoemd. Alleen de keizer en zijn
familie mocht de Verboden Stad betreden. Op overtreding van dit verbod stond de
doodstraf. Op het terrein, omringd door een bakstenen muur met zeven poorten,
stonden oorspronkelijk meer dan honderd gebouwen. Het westelijk stadsdeel was
gereserveerd voor de harems met de vrouwen en concubines van de keizer. In het
oostelijk deel lagen de bibliotheek, het theater en de archieven. Bij het
betreden van het terrein passeert men een binnenplaats. Links
en rechts van deze binnenplaats staat een klein gebouw. In deze Hal
van de Mandarijnen bereidden de ambtenaren zich voor op de ceremonie van de
grote begroeting dat op het plein voor het paleis plaatsvond.
In de omgeving van Hue liggen langs de
Parfumrivier de tomben van vroegere keizers van de Nguyen-dynastie. In totaal
zijn er vijf tomben: die van Gia Long (1802-1819), Minh Mang (1820-1841), Thieu
Tri (1841-1847), Tu Duc (1847-1883) en Khai Dinh (1916-1925) alsmede de
pagoden van Thien Mu en Hon Chen. De overige keizers zijn in ballingschap
gestorven en begraven. Elke keizer ontwierp zijn eigen tombe en liet die bouwen
op een plaats die met de grootste zorgvuldigheid door waarzeggers was
uitgekozen. Van belang daarbij was vooral dat de begraafplaats harmonieus in het
landschap paste met fraaie tuinen, tempels en paviljoens. De tombe van de
voorlaatste keizer Khai Dinh vertoont grote verschillen met de andere
grafmonumenten van de Nguyen vorsten. Het bouwmateriaal bestaat niet uit
baksteen, maar is van gewapend beton. De stijl is een merkwaardige mengeling van
Vietnamese en Europese elementen. De locatie is overigens in strijd met de regel
dat de keizers in volgorde van regeren werden begraven.: de oudste keizer het
verst van de stad en de laatste vorst het dichtst bij Hue. De tombe is overigens
een goed voorbeeld hoe het keizerlijke hof aan het begin van de 20ste eeuw
het koloniale bestuur hoopte te overleven.
Terug naar inhoudsopgave
Sapa
In het noorden van Vietnam wonen veel bergvolkeren. In de
noordwestelijke provincie Hoa Bin wonen veel Muong. Deze bevolkingsgroep
telt meer dan 900.000 leden en is daarmee een van de grootste minderheden van
het land. De Muong behoren tot de Austro-Aziatische taalgroep en zijn verwant
aan de etnische Vietnamezen. Het zijn uitstekende boeren die op hun bevloeide
akkers gemakkelijk drie rijstoogsten per jaar halen. De Muong wonen in lange
houten huizen op palen. De huizen worden bewoond door uitgebreide families.
Ieder gezin binnen een familie heeft haar eigen haard. De ruimte onder de huizen
is voor kippen en varkens. De dorpsgrootte varieert van enkele huizen tot vele
tientallen. Muong mannen kleden zich hetzelfde als etnische Vietnamezen, maar
veel vrouwen dragen nog traditionele kleding. De klederdracht bestaat uit een
zwarte rok en een kort vest, met een prachtig geborduurde ceintuur en zilveren
sieraden. De Muong kennen sterke patriarchale verhoudingen, met het oudste
mannelijke familielid als de leider. Geloof in geesten en voorouderverering
komen nog voor, maar de oude tradities staan de laatste tijd onder druk.
Het bergstadje Sapa ligt in een vallei in het Hoang Lien
gebergte in het noordwesten van Vietnam. De Fransen bouwden dit plaatsje in
1922. Het ligt op 1500 meter hoogte, heeft een aangenaam klimaat en is een
ideaal oord om de zomers hitte van de hoofdstad Hanoi te ontvluchten. In de
winter kan het er koud worden, met temperaturen rond het vriespunt. In de
weekeinden overspoelen hordes Montagnards de markt om er inkopen te doen
en handel te drijven. In de omgeving liggen dorpen van bergvolkeren als de Hmong
en de Zhao. De Zhao dragen een rode muts met belletjes, muntjes en
kwastjes. De vrouwen hebben een hoog opgeschoren voorhoofd.
Een wandeling voert naar een Hmong dorp buiten Sapa. Vanaf de
weg heeft men een prachtig zicht op de terrasvormige akkers met maïs, rijst,
indigo en (stiekem) opium. Overal leiden paadjes naar verspreid gelegen huizen.
De vrouwen dragen een donkere rok en beenwindsels,
een indigoblauw mouwloos vest met een geborduurde kraag, haarband en opvallend
grote oorringen. De mannen
zijn te herkennen aan de
opgerolde donkere broek en pet. Eenzaam op een berg ligt een schoolgebouw voor
de kinderen van de Hmong. Ondanks inspanningen van de overheid verlaten de kinderen
vaak op heel jonge leeftijd de school om mee te werken op het land.
Terug naar inhoudsopgave
Literatuur
Peterse, Leon en Joke Petri -
"Vietnam", uitgave in de serie reisgidsen van Dominicus
Terug naar inhoudsopgave
|