Henk Sebregts 

Home Sitemap Help Vragen Nieuw Zoeken Contact

 

Vietnam 

Het Verre Oosten in Woord en Beeld 

 
 

 

Informatie
 

 

Zoek op trefwoord:

 

 

Vietnam

In 208 voor Christus stichtte de opstandige Chinese generaal Trieu Da een onafhankelijke staat.  Hij noemde het rijk Nam Viet – het zuidelijke land van de Viet. Het grondgebied omvatte  delen in het zuiden van China en het noorden van het huidige Vietnam. Ondanks een herbezetting door de Chinezen die vele eeuwen duurde groeide het nationale gevoel van de Viet. Aan het einde van de tiende eeuw worstelden zij zich los van de Chinese bezetters en vormden een onafhankelijk koninkrijk dat gestaag zijn macht uitbreidde. Het koninkrijk verwierf niet alleen op politiek vlak aanzien, maar ook op cultureel vlak met de oprichting van de eerste universiteit van het land in het tegenwoordige Hanoi. In de vijftiende eeuw riep de Vietnamese generaal Le Loi zichzelf uit tot keizer na een succesvolle jarenlange guerillastrijd tegen de Chinese bezetter. Hij breidde het Vietnamese rijk uit naar het zuiden met de verovering van het hindoe koninkrijk van Champa.  Dit rijk was in de tweede eeuw na Christus ontstaan met de komst van zeevaarders uit voor Indië en stond bekend om zijn grandioze bouwkunst. De torens bij Nha Trang en Phan Rang zijn hiervan nog altijd stille getuigen. 

Met de komst van het keizerrijk brak een een gouden eeuw aan voor de kunst en literatuur. De vorsten benadrukten het unieke van de Vietnamese cultuur en de Chinese gewoonten raakten op de achtergrond. De dynastie raakte echter in verval en er brak een langdurige periode van verdeeldheid aan. Met steun van de Fransen slaagde een lid van de vooraanstaande Nguyen familie er in om eerst het zuiden te veroveren en daarna de rest van het land. Hij riep zichzelf tot keizer uit en werd de stichter van de Nguyen dynastie die van 1802 tot 1945 zou blijven regeren. Om de eenheid van het rijk te benadrukken koos hij als hoofdstad het centraal gelegen Hué en noemde zichzelf Gia Long. De naam is een samentrekking van Gia Dinh (Saigon) en Thanh Long (Hanoi). De keizer gaf opdracht tot de bouw van de Citadel en Keizerlijke Stad in Hué.  Uit dank voor hun steun verleende de keizer de Fransen allerlei handelsvoordelen. Ook stond hij missionarissen toe om zendingswerk te verrichten.

De opvolgers van keizer Gia Long stonden minder sympathiek tegenover de katholieke missie en de invloed van de Fransen op de politiek. Daarom gingen zij over tot vervolging en executie van katholieken, zowel Vietnamezen als Fransen. Voor de Franse regering was de vervolging van haar onderdanen aanleiding tot militair ingrijpen. In 1859 veroverden Franse troepen Saigon. In de jaren daarop viel de rest van het zuiden in Franse handen en werd het onder de naam Cochin als Franse kolonie ingelijfd. Later brachten de Fransen ook Annam in het midden en Tonkin in het noorden van Vietnam onder hun bescherming als "protectoraten". Op deze manier trachtten de Fransen hun belangen in de regio veilig te stellen en de groeiende invloed van de Engelsen een halt toe te roepen. Het optreden van de Fransen leidde tussen de beide wereldoorlogen tot de opkomst van verschillende nationalistische bewegingen. Bij de totstandkoming daarvan speelde één man, Ho Chi Minh, een allesoverheersende rol.

In 1941 richtte Ho Chi Minh, na een verblijf van dertig jaar in het buitenland, een bevrijdingsfront op dat bekend werd onder de naam Viet Minh, Dit front was een verzameling van nationalistische groepen onder leiding van de communisten. De Viet Minh vocht een guerilla-oorlog tegen de Japanners die het land tijdens de Tweede Wereldoorlog bezet hielden met toestemming van het koloniale Franse bestuur.  Begin september 1945 riepen zij de onafhankelijke Democratische Republiek Vietnam uit met Ho Chi Minh als president en premier. De oprichting van een onafhankelijk Vietnam ging echter niet zonder slag of stoot. De Fransen wilden de controle over het zuiden niet uit handen geven en al spoedig brak er een oorlog uit. Die leidde in 1954 tot een wapenstilstand met een tijdelijke deling van het land in een noordelijke en een zuidelijke zone.

De nationalistische regering in het zuiden werd gesteund door de Amerikanen die met alle mogelijke middelen de communistische opmars tot staan wilde brengen.   Dit leidde in 1964 tot een nieuwe oorlog in de regio. Onder druk van de anti-oorlogsbeweging kwam het in 1973 tot een vredesakkoord. Het zou echter nog tot 1975 duren voordat de laatste Amerikanen vertrokken uit Saigon en de oorlog voorbij was. Als gevolg van de recente oorlogen heeft het land enorm veel schade geleden. Dankzij de succesvolle hervormingen van de laatste jaren klimt het land weer uit een dal.  Het is opmerkelijk dat het gehele land profiteert van de vooruitgang ondanks de verschillen tussen het noorden en het zuiden die in de loop der jaren  zijn gegroeid.

Het land heeft verschillende etnische groepen. Veruit de meeste inwoners behoren tot de Viet. Zij zijn rond het midden van onze jaartelling voortgekomen uit de vermenging van Chinese, Thaise en Maleise  groepen in het noorden van het land. In de loop der eeuwen trokken zij vanuit het noorden naar het zuiden. De Vietnamezen zijn altijd sterk beïnvloed door de cultuur van de Chinese noorderbuur  zonder de eigen onafhankelijkheid op te geven. Ze bewonen voornamelijk de rijstproducerende gebieden in de delta's van de Mekong en rode rivier en de centrale kustvlakte. In de heuvels en de bergen van Midden en Noord Vietnam wonen de Montagnards. Gezamenlijk vormen ze de belangrijkste minderheid van het land. Ze zijn nauw verwant aan etnische groepen in China en Thailand. Door de geïsoleerde ligging van het hoogland konden zij zich lange tijd onttrekken aan de Vietnamese cultuur die in het laagland tot ontwikkeling kwam. De Montagnards hebben over het algemeen een lage levensstandaard. Hoewel het christendom onder de Montagnards zijn intrede heeft gedaan zijn voorouderverering en animisme blijven voortbestaan. Daarin onderscheiden ze zich van de Viet die oude animistische en Chinese opvattingen hebben samengevoegd in het drievoudig geloof van confucianisme, boeddhisme en taoïsme. Overigens vertonen de Montagnards onderling grote verschillen. Iedere groep heeft zijn eigen kleding, sieraden, taal en religie.

Terug naar inhoudsopgave

 

Saigon

Ooit was Saigon een kleine nederzetting met een haven aan de oever van de rivier Saigon niet ver van de kust van de Zuidchinese Zee.  Pas aan het einde van de 17de eeuw groeide de nederzetting uit tot een stad. Onder de vorsten van de Nguyen dynastie werd Saigon een belangrijke rivierhaven. Keizer Gia Long bracht de stad tot ontwikkeling en maakte er een handelscentrum van.  Nadat hij de zetel van zijn rijk naar Hué had verplaatst, riep hij Saigon uit tot hoofdstad van het zuiden. In 1859 namen Franse troepen Saigon in dat zij spoedig uitroepen tot de hoofdstad van Cochin. De Fransen maakten van de stad een moderne metropool. De stad groeide in snel tempo. De haven werd uitgebreid en de stad werd door middel van een spoorlijn en wegen met de rest van het land verbonden. Door de Europese stijl van bouwen en de brede lanen met hoge bomen kreeg de stad het aanzien van een Franse provinciehoofdstad. Na het vertrek van de Fransen werd Saigon de hoofdstad van de zuidelijke Republiek van Vietnam. De stad maakte een enorme groei door en barstte bijna uit haar voegen door de toestroom van grote aantallen vluchtelingen.  De stad werkte als een magneet op de bevolking van het omliggende platteland, dit wegens de schijnbare veiligheid en het vertoon van welvaart, gebaseerd op westers kapitaal en de aanwezigheid van Amerikaanse troepen. Toen de Amerikanen in 1975 de stad verlieten brak een periode van economische malaise aan. Maar de stad wist ook te profiteren van de economische hervormingen die de communistische regering doorvoerde.

Saigon is met zijn vijf miljoen inwoners tegenwoordig de grootste agglomeratie van het land. Sinds 1976 draagt de stad de naam van de kort daarvoor overleden leider Ho Chi Minh. De vroegere benaming Saigon is nu de aanduiding voor het centrum. De bevolking gebruikt de naam nog steeds voor de hele stad. Een van de meest opvallende aspecten van Saigon is het kosmopolitische en dynamische karakter van de stad. Dat is een groot verschil met het meer bezadigde en bureaucratisch ingestelde bestuurscentrum Hanoi. In de stad heerst een grote bedrijvigheid. Overal schieten gebouwen uit de grond en in winkels en stalletjes op de markten wordt druk handel gedreven. Kappers knippen de haren van hun klanten op straat en langs de weg treft men verkoopsters die boven een blikken komfoor maaltijden bereiden. De architectuur is een mengeling van oud en nieuw. Naast moderne betonnen hoogbouw staan monumentale neoklassieke gebouwen en hotels uit de koloniale tijd. Het verkeer bestaat voor een groot deel uit fietsen, brommers en cyclo’s (fietstaxi’s) die tijdens het spitsuur voor enorme opstoppingen zorgen. Meisjes en jonge vrouwen hebben het traditionele broekpak, de ao dai, verruild voor jeans en minirok. Ze doorkruisen de stad op kleine Honda brommers, hét nieuwe statussymbool. Het autoverkeer is nog in de minderheid, maar dat is sterk in opkomst. 

Zo'n honderd kilometer ten noordwesten van Saigon ligt de provincie hoofdstad Tay Ninh. Het stadje is sinds 1927 de vestigingsplaats van de Heilige Stoel van het caodaïsme, de inheemse godsdienst van Vietnam, die een samensmelting is van boeddhisme, taoïsme, confucianisme, christendom, islam, spiritisme en voorouderverering. Het geloof van de Cao Dai ontstond in 1926. Ngo Minh Chieu, een Vietnamese ambtenaar van het koloniale bestuur, kwam tijdens een seance in contact met Cao Dai, het hoogste Opperwezen. Die spoorde hem aan het beste uit de religies van Oost en West met elkaar te combineren. Zo zou een nieuwe, ideale godsdienst ontstaan. Volgens het caodaïsme is er één god, Cao Dai. Om met god en de geestenwereld in contact te komen, maakt men gebruik van mediums. De seances worden in het Vietnamees, Chinees, Frans en Engels gehouden. Gods waarheid is volgens de Cao Dai twee keer eerder geopenbaard. Dit gebeurde door tussenkomst van stervelingen als Confucius, Lao Tse, Boeddha, Jezus en Mohammed. De Derde Openbaring van God, zoals de officiële naam van de religie luidt, gebeurde via de geestenwereld en is daarom van grotere betekenis dan de vorige openbaringen. De Cao Dai kennen een kerkelijke hiërarchie die aan de rooms-katholieke kerk is ontleend. Aan het hoofd staat een paus, met daaronder kardinaals, aartsbisschoppen, bisschoppen, priesters, novicen en leken. De kleur van de kleding van de priesters vertegenwoordigt een van de drie Chinese religies: geel staat voor boeddhisme, rood voor confucianisme en azuurblauw voor taoïsme. Novicen en leken dragen witte kleding. Aartsbisschop en de bisschoppen dragen een ronde platte hoed, priesters een hoge fez, novicen een mijter en leken een zwart petje. Vrouwelijke bisschoppen zijn gesluierd. Met uitzondering van de hoogste posten staan kerkelijke ambten open voor mannen en vrouwen. De Cao Dai hebben een morele gedragscode. Men wordt geacht niet te liegen, stelen, doden, overspel te plegen of er een extravagante levensstijl op na te houden. De geestelijken leven celibatair en zijn vegetariër. 

Terug naar inhoudsopgave 

 

Mekongdelta Video Mekong Delta

De Mekongdelta is het laatste gedeelte van het land dat door de Vietnamezen is gekoloniseerd. In de 17de eeuw werd begonnen met de ontsluiting van het gebied en de aanleg van kanalen. De delta is zeer vruchtbaar door het slib dat de Mekong rivier vanuit hoger gelegen berggebieden meevoert en bij hoogwater hier afzet. In de delta splitst de rivier zich in negen armen die in de Zuidchinese zee uitmonden. Hieraan dankt de rivier de bijnaam "rivier van de negen draken". Door het vruchtbare slib van de Mekong kon het gebied uitgroeien tot de graanschuur van het land.   Het landschap is zeer vlak en de landbouwvelden liggen slechts enkele meters boven zeeniveau. De vele kanalen in de delta zorgen voor afwatering en bevloeiing. Ze verbinden de armen van de rivier tot een netwerk van waterwegen en vormen de belangrijkste verkeersaders. Het verschil tussen hoog en laag water is hier veel geringer dan in de delta van de rode rivier en daarom ontbreken hoge dijken.Grote bezienswaardigheden zijn er niet in de Mekongdelta. De delta biedt wél de mogelijkheid om het leven van de bevolking op het platteland van dichtbij mee te maken zoals in de provinciehoofdstad Vinh Long. 

De haven van Vinh Long ligt aan de Tien Giang rivier. Een boottocht vanuit de haven voert eerst door brede en druk bevaren kanalen. Naast motorboten varen er veel roeibootjes.  De boot vaart vervolgens door smalle kanaaltjes met langs de oevers palmen die tot in het water groeien. Langs de waterkant liggen kleine nederzettingen. De bewoners hebben de oevers met elkaar verbonden door middel van steile "apenbruggetjes". Deze wankele bouwsels van dunne boomstammetjes met slechts één bamboeleuning zijn alleen geschikt voor lichtgewichten. Meestal is in de boottocht over de rivier een bezoek opgenomen aan de drijvende markt van Cai Be. Op het water voor de kade van de stad dobberen vele zwaarbeladen boten met lokale handelswaar. Op de markt ziet men hoe fruit, vis, pluimvee en vooral rijst vanuit deze boten wordt verscheept en verhandeld.

Terug naar inhoudsopgave

 

Dalat

Op een hoogte van circa 1500 meter in het Centrale Hoogland ligt de provinciehoofdstad Dalat. Door de hoge ligging is er een gematigd klimaat met het hele jaar door aangename temperaturen. In deze "stad van de eeuwige lente" hangt nog iets van een Europese sfeer, met oude koloniale villa’s langs het meer en een wijk die lijkt te zijn gekopieerd uit een Frans provinciestadje.  De stad werd gesticht tussen 1912 en 1920 door de Fransen die de hitte van de delta wilden ontvluchten. Zij noemden de plaats de zomerhoofdstad van het zuiden. Vanwege zijn fraaie ligging en het gunstige klimaat was Dalat ook een geliefd toevluchtsoord voor de Vietnamese keizers. De laatste keizer Bao Dai had een zomerresidentie in een naaldbos op een heuvel ten zuidwesten van het stadshart. De stad is het centrum van een uitgestrekt theegebied. Op enorme plantages verbouwt men moerbeiplanten, het voedsel voor de zijderups. De omgeving heeft verder een uniek landschap met heuvels, valleien, meren, riviertjes en watervallen.  In de omtrek wonen meer dan twintig verschillende etnische groepen (Montagnards) waaronder Lat. 

Een zeer slechte weg leidt vanuit Dalat naar het noordoosten richting een Lat-dorp aan de voet van de berg Lang Bian. Deze Montagnards leven van de verbouw van rijst, maïs, tabak, koffie en aardappelen. De verkoop van houtskool vormt een aanvulling op hun karige inkomen. De Lat dragen geen traditionele kleding meer,  maar de vrouwen zijn te herkennen aan het feit dat ze een mand of een kind op de rug meetorsen. Het dorp bestaat uit een aantal houten woningen en een kerk. Verder is er een school gevestigd in het enige stenen gebouw dat het dorp kent. Voor een bezoek aan het dorp is een permit nodig. De Vietnamese politie controleert de toegang tot het dorp streng, omdat de christelijke Lat sterk op het westen georiënteerd zijn en in de oorlog de zijde van de Amerikanen hebben gekozen. Velen hebben familieleden in het westen die na de oorlog naar vooral Amerika zijn gevlucht.

De weg van Dalat naar Na Thrang loopt door de Ngoan-Muc pas. Via tal van haarspeldbochten daalt de weg van het bergland af naar de kustvlakte. Daarbij moet een hoogteverschil van bijna 1000 meter worden overwonnen. De Fransen noemden dit de Bellevue-pas en de vergezichten zijn inderdaad spectaculair. Langs de weg vindt men verkoopsters die versnaperingen aan de reizigers verkopen om het karige inkomen aan te vullen.

Terug naar inhoudsopgave

 

Phan Rang

Phan Rang ligt aan de kust van de Zuidchinese Zee en was vroeger de hoofdstad van het zuidelijke rijk van de Cham.  Op tal van plaatsen in de provincie herinneren tempeltorens aan het roemruchte verleden van de Cham. De torens van Phan Rang vormen een indrukwekkend voorbeeld van deze bouwstijl. Ze liggen een eindje van de hoofdweg in een woestijnachtig landschap met metershoge cactussen. De torens staan op een granieten heuvel. De groep bestaat uit vier tempels en draagt de naam van een van de koningen van de Cham, Po Klong Garai. De torens zijn gebouwd aan het eind van de 13de eeuw. De bakstenen bouwwerken tonen grote overeenkomst met Indiase hindoetempels.

De hoofdtempel of kalan heeft boven de ingang een afbeelding van de dansende hindoegod Shiva. In de hal staat een beeld van de stier Nandi, het rijdier van de god. In het heiligdom bevindt zich onder een houten piramide een lingam, het fallussymbool van Shiva. De lingam is beschilderd met een menselijk gezicht dat waarschijnlijk het portret van de vergoddelijkte koning Po Klong Garai voorstelt. De koning oefent ook nu nog invloed uit, want jaarlijks trekken de Cham tijdens de oogstfeesten naar de tempel om de vorst te vragen hun akkers te zegenen. Op het dak van de tempel zijn beelden van de hindoegoden aangebracht en op de top een lingam. Tegenover het hoofdheiligdom staat een toren die dienst deed als poortgebouw en officiële toegang tot het complex. Voor de toren ligt een binnenplaats waarvan nog slechts het platform en een laag muurtje bewaard zijn gebleven. Het gebouw ernaast, met op het dak een soort stenen doodskist, was de bibliotheek.

Terug naar inhoudsopgave

 

Nha Trang

Nha Trang betekent in de taal van de Cham "bamboerivier", een verwijzing naar het riet dat ooit de oevers van de rivier bedekte. Tot het einde van de negentiende eeuw bestond de plaats uit enkele slaperige vissersdorpjes aan de mond van de rivier en langs de kust. Dat veranderde met de komst van de Fransen die op de locatie een bestuurspost openden. Later kreeg de plaats van de Vietnamese keizer de officiële status van districtsstad. In de haven liggen vele kleurrijke vissersboten voor anker. Dankzij de kalme zee kan de vissersvloot tien maanden per jaar uitvaren om tonijn, makreel, garnalen, kreeft en inktvis te vangen. De visserij speelt dan ook een belangrijke rol in het economische leven van de stad. Op de markten langs de haven worden vele soorten vis verhandeld en de restaurants in de stad vermelden verschillende visspecialiteiten op de menukaart. Vis is zeker langs de kust voor vele Vietnamezen de belangrijkste bron van eiwitten. 

Op een heuvel iets ten noorden van het centrum van de stad liggen de Cham torens van Po Nagar. De bouwwerken die hier tussen de 7de en 12de eeuw verrezen zijn gewijd aan Po Nagar, de moedergodin van de Cham. Ze staat ook bekend als Uma, de zwarte dame en de vrouw van de hindoegod Shiva. Vanaf de ingang leidt een trap naar het platform op de heuvel. Tien zuilen rechts van de trap zijn de enige overblijfselen van een oude mandapa of vergaderzaal.  Op het platform staan vier torens. Ze zijn met de ingang naar het oosten gericht, naar de plaats waar de goden huizen. De noordelijke toren met het piramidevormige dak is in 817 onder auspiciën van de koning opgericht. In 965 liet de koning er een stenen beeld van de godin Uma installeren. Een hal geeft toegang tot het hoofdheiligdom. Het zwarte beeld van de godin met tien armen staat op een altaar, het lichaam bedekt met een mantel. De centrale toren links van de noordelijke toren is gewijd aan de Chinese prins Bac Hai. Helaas is deze tempel uit de 12de eeuw nogal lelijk gerestaureerd en zijn de gebeeldhouwde ornamenten in de loop der eeuwen verdwenen. De toren bevat een lingam. De kleine zuidelijke toren is opgedragen aan de houthakker die de pleegvader was van prinses Quy. De noordwestelijke toren schuin achter de tempel van Uma is aan deze prinses gewijd.

Het belangrijkste boeddhistische heiligdom van Nha Trang is de Long-Sonpagode ten westen van het stadscentrum. De pagode werd in 1889 op de heuvel Trai Thuy gesticht. Het gebouw was aanvankelijk niet meer dan een rietgedekt gebouw met muren van klei. Door inwerking van regen en wind moest men de tempel al na een jaar herbouwen. Men koos daarvoor de huidige locatie aan de voet van de heuvel. De pagode is nadien verschillende keren herbouwd. Rechts van de pagode leidt een trap naar de top van de heuvel. Hier staat een groot, wit boeddhabeeld op een lotusbloem. Het beeld werd in 1963 opgericht en was een symbool in de strijd van de boeddhisten tegen de katholieke president Diem. 

Voor de kust van Nha Trang ligt het eiland Mieu.  Aan de oostkant van het eiland ligt het charmante vissersdorp Bai Mieu. Het water is er te ondiep om aan te meren. De vissersboten lopen vast als ze zich te dicht langs de wal wagen. Daarom verplaatsen vissers zich in ronde manden van gevlochten bamboe tussen wal en schip. De manden of thung chai  zijn waterdicht gemaakt met pek en worden staande of zittend geroeid. Het dorp maakt een welvarende indruk. Dat komt niet alleen door de verkoop van vis, maar vooral door de inkomsten van familieleden die als bootvluchtelingen naar het buitenland zijn vertrokken en die nu geld naar hun achtergebleven familieleden overmaken.

Terug naar inhoudsopgave

 

Quy Nhon

De weg naar Quy Nonh voert door een traditioneel landbouwgebied dat nog weinig mechanisatie kent. Men vindt er boeren die met behulp van ossenploegen de rijstvelden bewerken, vrouwen die varkenstransporten vervoeren in rieten manden op de fiets en textielfabrieken die uitsluitend gebruik maken van menselijke arbeidskracht. Noordelijker in de richting van Hoi An vindt men fabriekjes waar handmatig rijstpapier wordt gemaakt die men vervolgens in de zon langs de weg te drogen legt. 

Terug naar inhoudsopgave 

 

Hoi An

Hoi An is een sfeervol stadje ten zuiden van Danang.  Het stadje was een belangrijke aanlegplaats voor Portugese, Japanse, Chinese en Nederlandse handelsschepen. De meeste koopmanshuizen, gemeenschapshuizen, tempels en pagoden, bruggen en tombes uit het verleden hebben de opeenvolgende oorlogen overleefd. De Japanse brug is een van de weinige overdekte, houten boogbruggen die in Vietnam bewaard zijn gebleven. De Japanse gemeenschap bouwde de brug tussen 1593 en 1596 als verbinding tussen hun wijk in het westen en de Chinese gemeenschap in het oosten van de stad. De brede doorgang in het midden was bedoeld voor voetgangers en paarden. De smallere zijpaden waren voor handelaren. De overdekking zorgde ervoor dat zij hun werk in weer en wind konden doen. Het dak is versierd met blauwwitte porseleinen bordjes en bedekt met authentieke tegels. Twee stenen apen aan de westkant en twee honden aan de oostkant bewaken de ingangen. Zij symboliseren het begin van de bouw in het jaar van de aap en de voltooiing van de brug in het jaar van de hond.

Op het midden van de brug staat aan de noordzijde de brugpagode oftewel het Chua-Cautempeltje. Volgens de overlevering is het gewijd aan de "draak die de aarde doet schudden", een Japanse verwijzing naar de aardbevingen die het moederland regelmatig teisterden. De tempel dateert echter uit 1653 en toen hadden de meeste Japanners het land al verlaten. Ze is feitelijk gebouwd door de Chinese gemeenschap en is opgedragen aan de koning van het Noorden. In de pagode staat een beeld van deze vorst, op een schildpad en de armen ineengevouwen. Het laatste is een symbool van yin en yang. Aan de westkant van de brug staan prachtige oude huizen, waarvan de benedenverdieping is ingericht als souvenirwinkel. Ze verkopen zijde, schilderijen, porseleinen bordjes en houtsnijwerk.

Het is mogelijk aan de kade van Hoi An een boot te huren voor een rondvaart. Onderweg ziet men sampans waarop hele families wonen. Mannen tot hun nek in het water wrikken met stokken manden met schelpjes los van de bodem. De boot vaart meestal langs het eiland Cam Kim. Het dorp Kim Bong op dit eiland staat al honderden jaren bekend om de hoge kwaliteit van zijn houtsnijwerk, zoals te zien is in de koopmanshuizen en tempels in Hoi An.

Terug naar inhoudsopgave

 

Danang

De streek waarin Danang ligt, maakte eeuwenlang deel uit van het koninkrijk Champa. In de stad ligt een museum met een uitgebreide verzameling Cham beeldhouwkunst . In de omgeving liggen vijf heuvels. De heuvels waren oorspronkelijk eilanden voor de kust, maar door verzanding maken ze nu deel uit van het vasteland. Iedere heuvel vertegenwoordigt een element van de kosmos en is daarnaar vernoemd: Hoa Son (vuurberg), Moc Son (houtberg), Kim Son (goudberg), Tho Son (aardberg) en Thuy Son (waterberg).  In de tijd van het Champa rijk bevatten de grotten op de berg hindoe heiligdommen. Na de ondergang van dit rijk stichtten de Vietnamezen in dezelfde grotten boeddhistische tempels die onder persoonlijke bescherming stonden van de keizer.  De meest spectaculaire grot van de Marmerbergen is de Huyen Khong. Stenen beelden van de administratieve mandarijnen aan de linkerkant en militairen aan de rechterkant bewaken de ingang.De 25 meter hoge grot wordt beschenen door gefilterd licht dat door een opening in het plafond naar binnen stroomt. Te zien zijn onder meer een altaartje met beeldjes tegenover de ingang en een zittende boeddha in de rotswand erboven. De grot diende tijdens de Vietnamoorlog als hospitaal voor de Vietcong en was schuilplaats voor vrouwen uit een artilleriebataljon.

Terug naar inhoudsopgave

 

Hué

De provinciehoofdstad Hué ligt aan de voet van het Truong Son gebergte in het smalste deel van Vietnam. Van 1802 tot 1945 was de "stad der harmonie" de zetel van de keizers van de Nguyen dynastie. Het is van oudsher ook de culturele en educatieve hoofdstad die de Vietnamese identiteit het beste heeft weten te bewaren. De Parfumrivier deelt de stad in tweeën. De rivier dankt haar naam aan het aangenaam ruikende bos in het Truong Son gebergte waar de rivier ontspringt. Op de noordwestelijke oever ligt de oude stad met de Citadel en de overblijfselen van de Keizerlijke Stad en de Verboden Purperen Stad. De nieuwe stad op de zuidoostelijke oever is ontworpen door de Fransen. Dit deel van de stad heeft moderne westerse gebouwen en een koloniale architectuur.

In de Keizerlijke Stad oefenden de keizers van de Nguyen dynastie hun openbaar ambt uit. Ze hielden er audiëntie en voltrokken de religieuze riten die nodig waren om de harmonie tussen hemel en aarde te bewaren. De hoofdingang van de Keizerlijke Stad was vroeger gereserveerd voor de keizer. De ingangen links en rechts van de keizerlijke entree waren bestemd voor de burgerlijke en militaire mandarijnen. Via ingangen in de vleugels kwamen soldaten, paarden en olifanten de stad binnen. Achter de hoofdingang voert een brug tussen lotusvijvers naar een voorplein met twee terrassen op verschillende niveaus. Op dit plein, het zogenoemde Plein van de Grote Ceremoniën, kwamen mandarijnen uit alle delen van het rijk samen om de keizer eer te bewijzen. Mandarijnen met de hoogste rang stonden op het hooggelegen terras en beambten met een lagere status op het laagste terras. De linkerkant van het terrein was voor burgerlijke mandarijnen en de rechterkant voor de militaire ambtsdragers. Aan het plein ligt het Thai Hoa paleis ofwel het Paleis van de Opperste Harmonie. Het gebouw heeft twee daken met gele tegels en een dakrand met draken. Het bouwwerk is zo geconstrueerd dat het in de zomer koel blijft en in de winter warm.  In het paleis ontving de keizer buitenlandse afgezanten en andere hoge gasten. De vorsten werden hier gekroond en ze vierden er hun verjaardag. Ook vonden er de grote hofceremoniën plaats.

Achter het Thai Hoa paleis begint de Verboden Purperen Stad. In deze stad bevonden zich de privé-vertrekken van de keizerlijke familie. De stad is gebouwd in navolging van het hof van de Chinese keizers in Beijing en weerspiegelt het naar binnen gekeerde karakter van de Vietnamese keizers. Niet voor niets werd de stad het Grote Binnenste genoemd. Alleen de keizer en zijn familie mocht de Verboden Stad betreden. Op overtreding van dit verbod stond de doodstraf. Op het terrein, omringd door een bakstenen muur met zeven poorten, stonden oorspronkelijk meer dan honderd gebouwen. Het westelijk stadsdeel was gereserveerd voor de harems met de vrouwen en concubines van de keizer. In het oostelijk deel lagen de bibliotheek, het theater en de archieven. Bij het betreden van het terrein passeert men een binnenplaats.  Links en rechts van deze binnenplaats staat een klein gebouw. In deze Hal van de Mandarijnen bereidden de ambtenaren zich voor op de ceremonie van de grote begroeting dat op het plein voor het paleis plaatsvond.

In de omgeving van Hue liggen langs de Parfumrivier de tomben van vroegere keizers van de Nguyen-dynastie. In totaal zijn er vijf tomben: die van Gia Long (1802-1819), Minh Mang (1820-1841), Thieu Tri (1841-1847), Tu Duc (1847-1883) en Khai Dinh (1916-1925)  alsmede de pagoden van Thien Mu en Hon Chen. De overige keizers zijn in ballingschap gestorven en begraven. Elke keizer ontwierp zijn eigen tombe en liet die bouwen op een plaats die met de grootste zorgvuldigheid door waarzeggers was uitgekozen. Van belang daarbij was vooral dat de begraafplaats harmonieus in het landschap paste met fraaie tuinen, tempels en paviljoens. De tombe van de voorlaatste keizer Khai Dinh vertoont grote verschillen met de andere grafmonumenten van de Nguyen vorsten. Het bouwmateriaal bestaat niet uit baksteen, maar is van gewapend beton. De stijl is een merkwaardige mengeling van Vietnamese en Europese elementen. De locatie is overigens in strijd met de regel dat de keizers in volgorde van regeren werden begraven.: de oudste keizer het verst van de stad en de laatste vorst het dichtst bij Hue. De tombe is overigens een goed voorbeeld  hoe het keizerlijke hof aan het begin van de 20ste eeuw het koloniale bestuur hoopte te overleven.

Terug naar inhoudsopgave

 

Sapa

In het noorden van Vietnam wonen veel bergvolkeren. In de noordwestelijke provincie Hoa Bin wonen veel Muong. Deze bevolkingsgroep telt meer dan 900.000 leden en is daarmee een van de grootste minderheden van het land. De Muong behoren tot de Austro-Aziatische taalgroep en zijn verwant aan de etnische Vietnamezen. Het zijn uitstekende boeren die op hun bevloeide akkers gemakkelijk drie rijstoogsten per jaar halen. De Muong wonen in lange houten huizen op palen. De huizen worden bewoond door uitgebreide families. Ieder gezin binnen een familie heeft haar eigen haard. De ruimte onder de huizen is voor kippen en varkens. De dorpsgrootte varieert van enkele huizen tot vele tientallen. Muong mannen kleden zich hetzelfde als etnische Vietnamezen, maar veel vrouwen dragen nog traditionele kleding. De klederdracht bestaat uit een zwarte rok en een kort vest, met een prachtig geborduurde ceintuur en zilveren sieraden. De Muong kennen sterke patriarchale verhoudingen, met het oudste mannelijke familielid als de leider. Geloof in geesten en voorouderverering komen nog voor, maar de oude tradities staan de laatste tijd onder druk. 

Het bergstadje Sapa ligt in een vallei in het Hoang Lien gebergte in het noordwesten van Vietnam. De Fransen bouwden dit plaatsje in 1922. Het ligt op 1500 meter hoogte, heeft een aangenaam klimaat en is een ideaal oord om de zomers hitte van de hoofdstad Hanoi te ontvluchten. In de winter kan het er koud worden, met temperaturen rond het vriespunt. In de weekeinden overspoelen hordes Montagnards de markt om er inkopen te doen en handel te drijven. In de omgeving liggen dorpen van bergvolkeren als de Hmong en de Zhao. De Zhao dragen een rode muts met belletjes, muntjes en kwastjes. De vrouwen hebben een hoog opgeschoren voorhoofd.

Een wandeling voert naar een Hmong dorp buiten Sapa. Vanaf de weg heeft men een prachtig zicht op de terrasvormige akkers met maïs, rijst, indigo en (stiekem) opium. Overal leiden paadjes naar verspreid gelegen huizen. De vrouwen dragen een donkere rok en beenwindsels, een indigoblauw mouwloos vest met een geborduurde kraag, haarband en opvallend grote oorringen. De mannen zijn te herkennen aan de opgerolde donkere broek en pet. Eenzaam op een berg ligt een schoolgebouw voor de kinderen van de Hmong. Ondanks inspanningen van de overheid verlaten de kinderen vaak op heel jonge leeftijd de school om mee te werken op het land.

 

Terug naar inhoudsopgave

 

 

Literatuur

Peterse, Leon en Joke Petri    - "Vietnam", uitgave in de serie reisgidsen van Dominicus

Terug naar inhoudsopgave 

Nederlandse versie Engelse versie