Op een heuvel iets ten noorden van het centrum van de stad liggen de Cham torens van Po Nagar. De bouwwerken die hier tussen de 7de en 12de eeuw verrezen zijn gewijd aan Po Nagar, de moedergodin van de Cham. Ze staat ook bekend als Uma, de zwarte dame en de vrouw van de hindoegod Shiva. Vanaf de ingang leidt een trap naar het platform op de heuvel. Tien zuilen rechts van de trap zijn de enige overblijfselen van een oude mandapa of vergaderzaal. Op het platform staan vier torens. Ze zijn met de ingang naar het oosten gericht, naar de plaats waar de goden huizen. De noordelijke toren met het piramidevormige dak is in 817 onder auspici‰n van de koning opgericht. In 965 liet de koning er een stenen beeld van de godin Uma installeren. Een hal geeft toegang tot het hoofdheiligdom. Het zwarte beeld van de godin met tien armen staat op een altaar, het lichaam bedekt met een mantel. De centrale toren links van de noordelijke toren is gewijd aan de Chinese prins Bac Hai. Helaas is deze tempel uit de 12de eeuw nogal lelijk gerestaureerd en zijn de gebeeldhouwde ornamenten in de loop der eeuwen verdwenen. De toren bevat een lingam. De kleine zuidelijke toren is opgedragen aan de houthakker die de pleegvader was van prinses Quy. De noordwestelijke toren schuin achter de tempel van Uma is aan deze prinses gewijd.
Het belangrijkste boeddhistische heiligdom van Nha Trang is de Long-Sonpagode ten westen van het stadscentrum. De pagode werd in 1889 op de heuvel Trai Thuy gesticht. Het gebouw was aanvankelijk niet meer dan een rietgedekt gebouw met muren van klei. Door inwerking van regen en wind moest men de tempel al na een jaar herbouwen. Men koos daarvoor de huidige locatie aan de voet van de heuvel. De pagode is nadien verschillende keren herbouwd. Rechts van de pagode leidt een trap naar de top van de heuvel. Hier staat een groot, wit boeddhabeeld op een lotusbloem. Het beeld werd in 1963 opgericht en was een symbool in de strijd van de boeddhisten tegen de katholieke president Diem.
Voor de kust van Nha Trang ligt het eiland Mieu. Aan de oostkant van het eiland ligt het charmante vissersdorp Bai Mieu. Het water is er te ondiep om aan te meren. De vissersboten lopen vast als ze zich te dicht langs de wal wagen. Daarom verplaatsen vissers zich in ronde manden van gevlochten bamboe tussen wal en schip. De manden of thung chai zijn waterdicht gemaakt met pek en worden staande of zittend geroeid. Het dorp maakt een welvarende indruk. Dat komt niet alleen door de verkoop van vis, maar vooral door de inkomsten van familieleden die als bootvluchtelingen naar het buitenland zijn vertrokken en die nu geld naar hun achtergebleven familieleden overmaken.