In de Keizerlijke Stad oefenden de keizers van de Nguyen dynastie hun openbaar ambt uit. Ze hielden er audi‰ntie en voltrokken de religieuze riten die nodig waren om de harmonie tussen hemel en aarde te bewaren. De hoofdingang van de Keizerlijke Stad was vroeger gereserveerd voor de keizer. De ingangen links en rechts van de keizerlijke entree waren bestemd voor de burgerlijke en militaire mandarijnen. Via ingangen in de vleugels kwamen soldaten, paarden en olifanten de stad binnen. Achter de hoofdingang voert een brug tussen lotusvijvers naar een voorplein met twee terrassen op verschillende niveaus. Op dit plein, het zogenoemde Plein van de Grote Ceremoni‰n, kwamen mandarijnen uit alle delen van het rijk samen om de keizer eer te bewijzen. Mandarijnen met de hoogste rang stonden op het hooggelegen terras en beambten met een lagere status op het laagste terras. De linkerkant van het terrein was voor burgerlijke mandarijnen en de rechterkant voor de militaire ambtsdragers. Aan het plein ligt het Thai Hoa paleis ofwel het Paleis van de Opperste Harmonie. Het gebouw heeft twee daken met gele tegels en een dakrand met draken. Het bouwwerk is zo geconstrueerd dat het in de zomer koel blijft en in de winter warm. In het paleis ontving de keizer buitenlandse afgezanten en andere hoge gasten. De vorsten werden hier gekroond en ze vierden er hun verjaardag. Ook vonden er de grote hofceremoni‰n plaats.
Achter het Thai Hoa paleis begint de Verboden Purperen Stad. In deze stad bevonden zich de priv‚-vertrekken van de keizerlijke familie. De stad is gebouwd in navolging van het hof van de Chinese keizers in Beijing en weerspiegelt het naar binnen gekeerde karakter van de Vietnamese keizers. Niet voor niets werd de stad het Grote Binnenste genoemd. Alleen de keizer en zijn familie mocht de Verboden Stad betreden. Op overtreding van dit verbod stond de doodstraf. Op het terrein, omringd door een bakstenen muur met zeven poorten, stonden oorspronkelijk meer dan honderd gebouwen. Het westelijk stadsdeel was gereserveerd voor de harems met de vrouwen en concubines van de keizer. In het oostelijk deel lagen de bibliotheek, het theater en de archieven. Bij het betreden van het terrein passeert men een binnenplaats. Links en rechts van deze binnenplaats staat een klein gebouw. In deze Hal van de Mandarijnen bereidden de ambtenaren zich voor op de ceremonie van de grote begroeting dat op het plein voor het paleis plaatsvond.
In de omgeving van Hue liggen langs de Parfumrivier de tomben van vroegere keizers van de Nguyen-dynastie. In totaal zijn er vijf tomben: die van Gia Long (1802-1819), Minh Mang (1820-1841), Thieu Tri (1841-1847), Tu Duc (1847-1883) en Khai Dinh (1916-1925) alsmede de pagoden van Thien Mu en Hon Chen. De overige keizers zijn in ballingschap gestorven en begraven. Elke keizer ontwierp zijn eigen tombe en liet die bouwen op een plaats die met de grootste zorgvuldigheid door waarzeggers was uitgekozen. Van belang daarbij was vooral dat de begraafplaats harmonieus in het landschap paste met fraaie tuinen, tempels en paviljoens. De tombe van de voorlaatste keizer Khai Dinh vertoont grote verschillen met de andere grafmonumenten van de Nguyen vorsten. Het bouwmateriaal bestaat niet uit baksteen, maar is van gewapend beton. De stijl is een merkwaardige mengeling van Vietnamese en Europese elementen. De locatie is overigens in strijd met de regel dat de keizers in volgorde van regeren werden begraven: de oudste keizer het verst van de stad en de laatste vorst het dichtst bij Hue. De tombe is overigens een goed voorbeeld hoe het keizerlijke hof aan het begin van de 20ste eeuw het koloniale bestuur hoopte te overleven.